Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet Bopz. Verzoek aan de rechtbank om klacht wegens langdurige separatie alsnog gegrond te verklaren en ter zake een schadevergoeding aan betrokkene toe te kennen. Ontvankelijkheid van het verzoek. Incidentele vordering ex art. 843a Rv ter verkrijging van op separatie betrekking hebbende stukken. Beginsel van equality of arms. Beoordeling gestelde intrekking van het verzoek en hieraan te verbinden gevolgen.

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 6 april 2011

Zaaknummer: 156895 / BZ RK 10-719

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[betrokkene],

verzoekster in de hoofdzaak, eiseres in het incident,

verder te noemen: betrokkene,

verblijvend in het [psychiatrisch ziekenhuis],

advocaat: eerst dr. mr. H.C. Ingelse, kantoorhoudende te Maastricht (toevoeging),

vervolgens mr. N.R. Heilhof, kantoorhoudende te Maastricht,

tegen:

[de Stichting],

verweerster in de hoofdzaak en in het incident,

verder te noemen: de stichting, gevestigd te [adres],

advocaat mr. J.A. Moonen, kantoorhoudende te Beek.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 december 2010 is een rechter-commissaris benoemd, teneinde, in ieder geval, betrokkene en de voor de behandeling verantwoordelijke persoon te horen in het psychiatrisch ziekenhuis, waar betrokkene verblijft.

1.2. Met schrijven van 14 december 2010 heeft de advocaat van betrokkene nog twee bijlagen (genummerd 5 en 6) in het geding gebracht.

1.3. Het in de beschikking van 8 december 2010 aangekondigde verhoor heeft plaatsgevonden op 16 december 2010. Van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt. De rechter-commissaris heeft de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van 14 februari 2011.

1.4. Op 4 januari 2011 is een brief binnengekomen van de stichting en op 12 januari 2011 is een brief binnengekomen van de advocaat van betrokkene.

1.5. Met schrijven van 1 februari 2011, met drie bijlagen (genummerd 7, 8 en 9) heeft de advocaat van betrokkene een incidentele vordering ingesteld.

1.6. Op 3 februari 2011 is een brief binnengekomen van de advocaat van betrokkene. Daar is met schrijven van 8 februari 2011 van de griffier op gereageerd. Een afschrift van de brief van de griffier is aan de stichting verzonden.

1.7. De zaak is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 14 februari 2011.

De advocaat van betrokkene heeft aan de hand van pleitaantekeningen de incidentele vordering en de hoofdzaak nader toegelicht. De stichting heeft bij monde van haar advocaat verweer gevoerd, waarbij de advocaat van de stichting zich heeft bediend van een verweerschrift. Partijen hebben over en weer op elkaars stellingen gereageerd. Na debat tussen partijen heeft de rechtbank de behandeling voor korte tijd geschorst voor beraad door de rechtbank.

Na hervatting van de behandeling heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan in het incident (behalve ten aanzien van de kosten van het incident) en in de hoofdzaak over de ontvankelijkheid. Daarbij is meegedeeld dat de behandeling op 24 maart 2011 zal worden voortgezet.

1.8. Op 23 februari 2011 is een brief binnengekomen van betrokkene van 19 februari 2011. Een afschrift van die brief is op 1 maart 2011 door de griffier aan de advocaat van betrokkene verzonden, met het verzoek om uiterlijk op 4 maart 2011 een schriftelijke reactie daar op te geven. Afschriften van voormelde brieven zijn aan de advocaat van de stichting verzonden.

1.9. Met schrijven van 4 maart 2011 heeft de advocaat van betrokkene gereageerd. De advocaat van betrokkene heeft aan de rechtbank verzocht om aan betrokkene ambtshalve een advocaat toe te voegen aan wie hij de zaak kan overdragen. De rechtbank heeft vervolgens mr. Heilhof als advocaat aan betrokkene toegevoegd.

1.10. Ook heeft de rechtbank een rechter-commissaris benoemd, teneinde, in ieder geval betrokkene, in het psychiatrisch ziekenhuis, waar zij verblijft, te horen naar aanleiding van haar brief van 19 februari 2011.

1.11. Het verhoor van betrokkene door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden op 14 maart 2011. Van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt.

1.12. Op 18 maart 2011 heeft de griffier telefonisch aan partijen meegedeeld dat de voor 24 maart 2011 geplande voortzetting van de behandeling geen doorgang zal vinden.

1.13. De rechtbank heeft hierna bepaald dat de ter zitting van 14 februari 2011 gedane mondelinge uitspraak op schrift zal worden gesteld, met de motivering daarvan, en dat uitspraak zal worden gedaan:

- in de hoofdzaak, voor zover daar op 14 februari 2011 niet over beslist is, en

- in het incident, voor zover het de kosten van het incident betreft.

2. De vaststaande feiten

2.1. Betrokkene heeft een langdurige hulpverleningsgeschiedenis. Zij verblijft in het [psychiatrisch ziekenhuis] op basis van de bij beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2010 verleende machtiging tot voortgezet verblijf voor de duur van maximaal één jaar.

2.2. Door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, de heer [S.], psychiater, is na overleg met betrokkene een behandelingsplan opgesteld, gedateerd 9 maart 2010, waarin dwangseparatie op vaste tijdstippen opgenomen is als dwangbehandeling. In het behandelingsplan is vermeld dat betrokkene niet met het behandelingsplan instemt.

2.3. Op 30 augustus 2010 is betrokkene, nadat zij op haar kamer brand had gesticht, gesepareerd en is zij ingesloten in de separeerruimte van afdeling 3A van het ziekenhuis. Na 30 augustus 2010 is de separatie van betrokkene gecontinueerd.

2.4. Met schrijven van 6 september 2010 heeft betrokkene een aantal klachten ingediend bij de klachtencommissie van het ziekenhuis. De klachten van betrokkene zijn gericht tegen:

- het besluit tot separatie en het voortduren van die separatie,

- het besluit om niet tegemoet te komen aan het dringende verzoek om meer personele ondersteuning op de afdeling, waardoor separeren minder vaak toegepast hoeft te worden.

Betrokkene heeft aan de klachtencommissie verzocht om schorsing van het besluit tot separatie.

2.5. De klachtencommissie heeft op 21 september 2010 een beslissing gegeven.

De klachtencommissie heeft de klachten van betrokkene ongegrond verklaard en het verzoek tot schorsing van het aangevochten besluit afgewezen.

2.6. De separatie van betrokkene heeft geduurd tot 15 november 2010.

2.7. De advocaat van betrokkene heeft met schrijven van 12 januari 2011, onder overlegging van een machtiging van betrokkene, aan de stichting verzocht om de in dat schrijven nader genoemde informatie en stukken of kopieën daarvan ter inzage te verstrekken en te overhandigen aan de heer [G.], de patientenvertrouwenspersoon, die de belangen van betrokkene behartigt, en aan de advocaat van betrokkene. Als reden daarvoor is genoemd dat de advocaat zich met hulp van de heer [G.] kan voorbereiden op de procedure bij de rechtbank in verband met de uitspraak van de klachtencommissie van 21 september 2010.

2.8. De stichting heeft geweigerd om de gevraagde informatie en stukken aan de patiëntenvertrouwenspersoon en aan de advocaat van betrokkene te verstrekken. In haar schriftelijke reactie van 31 januari 2011 heeft de stichting gemeld dat het beleid is dat afschrift van het medisch dossier rechtstreeks aan de patiënt of, bij wilsonbekwaamheid, aan de vertegenwoordiger wordt verstrekt en dat, als de advocaat een afschrift van het dossier wenst, hij dat dient op te pakken met betrokkene, of, indien aan de orde, haar vertegenwoordiger (de heer [B.], wonende te [adres]).

3. Het geschil in het incident

3.1. Betrokkene heeft bij wege van incidentele vordering verzocht om te bepalen dat de stichting inzage verschaft in - en desgewenst - afschrift verstrekt van de navolgende stukken:

1. stukken die betrekking hebben op de klachten, die betrokkene op 6 september 2010 onder de aandacht bracht van de klachtencommissie (inclusief de stukken die toentertijd aan de klachtencommisie ter beschikking zijn gesteld) en die betrekking hebben op het beperken van vrijheden;

2. rapportages van verpleegkundigen;

3. de decursus van de (opeenvolgende) behandelaren en/of behandelende psychiater(s);

4. de meldingen aan de inspectie (MofM en dwangbehandeling)

5. de behandelplannen;

6. de voortgangsrapportages per maand van de behandelplannen;

7. de evaluaties van de behandelplannen;

8. voor zover over het behandelingsplan geen overeenstemming is bereikt, de redenen daarvoor, en

9. de controlelijsten inzake de separatie,

alles vanaf juni 2010 tot het einde van de separatie, voor zover de stukken nog niet in de procedure zijn ingebracht door een van partijen.

Betrokkene heeft daarbij aan de rechtbank verzocht om de wijze te bepalen waarop inzage en afschrift zal worden verstrekt.

3.2. Aan voormelde vordering heeft betrokkene het navolgende ten grondslag gelegd:

In verband met de voorbereiding van de hoofdzaak heeft betrokkene aan de stichting verzocht stukken uit haar medisch dossier ter beschikking te stellen. Het verzoek aan de stichting was voorzien van een machtiging van betrokkene. De stichting heeft inzage en afschrift geweigerd. De gevraagde stukken zijn nodig, opdat de advocaat van betrokkene kan onderzoeken welke beperkingen aan betrokkene in de tweeënhalve maand van separatie in haar recht op bewegingsvrijheid zijn opgelegd en op basis waarvan. Zo is bijvoorbeeld inzicht nodig in de omstandigheden van en de gronden voor voortzetting van de langdurige separatie en de frequentie en de tijden dat betrokkene - al dan niet op haar verzoek - werd “gemobiliseerd”. Zonder die stukken is het lastig om te onderzoeken wat zich in de tweeënhalve maand van separatie heeft voorgedaan.

De stichting beschikt over stukken, die inzicht kunnen geven in de gang van zaken gedurende de separatie. Betrokkene beschikt alleen over een paar stukken tot 11 september 2010 en dat zou kunnen leiden tot bewijsnood voor wat betreft de in de hoofdzaak door betrokkene ingenomen stellingen voor de periode na 11 september 2010.

Het verzoek van betrokkene voldoet aan de wettelijke vereisten. Betrokkene heeft een rechtmatig belang. Verder is zij partij bij een rechtsbetrekking met de stichting: het gaat om (de uitvoering van) een geneeskundige behandelingsovereenkomst en overigens om (de uitvoering van) een verplichting van de stichting op basis van de verstrekte machtiging gedwongen verblijf op basis van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (verder te noemen: Wet bopz). Er is een mogelijkheid tot verschoning geboden in de wet. De stichting zelf kan niet als een professioneel geheimhouder worden aangemerkt en kan zich niet verschonen. Mogelijk zijn de in de machtiging genoemde psychiaters als professioneel geheimhouders aan te merken, maar de machtiging ontslaat hen nu juist van een geheimhoudingsplicht, zodat zij zich niet meer kunnen verschonen.

3.3. Het verweer van de stichting laat zich als volgt weergeven:

De stichting heeft van de zwager van betrokkene, de heer [B.], de vaste vertegenwoordiger en beoogd curator van de naar overtuiging van de behandelaar [S.] terzake haar behandeling en financiën wilsonbekwame betrokkene het uitdrukkelijk verbod gekregen de gevraagde medische stukken af te geven, omdat hij namens betrokkene aan de advocaat van betrokkene heeft verzocht deze zaak te beëindigen. De heer [B.] is door de behandelaar altijd betrokken bij elke behandelstap voor betrokkene en ten aanzien van de vraag tot inzage en afschrift van het medisch dossier heeft betrokkene ook aan de heer [S.] aangegeven dat hij dat maar aan de heer [B.] moest vragen. Gezien die reactie van betrokkene beroept de stichting zich op het wettelijk beroepsgeheim.

4. Het geschil in de hoofdzaak

4.1. Betrokkene heeft verzocht om:

- haar aan de klachtencommissie voorgelegde klachten alsnog gegrond te verklaren;

- haar ten laste van de stichting een schadevergoeding toe te kennen van € 75,-- met ingang van 30 augustus 2010 voor iedere dag of dagdeel dat zij in separatie verbleef, althans de hoogte van die vergoeding in goede justitie te bepalen en

- haar een vergoeding toe te kennen ten laste van de stichting voor haar proceskosten, waaronder de griffierechten en de advocaatkosten, de hoogte daarvan in goede justitie te bepalen.

4.2. In haar verzoekschrift heeft betrokkene - voor zover thans van belang - met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar verzoek het navolgende aangevoerd:

De uitspraak van de klachtencommissie is niet aan betrokkene of aan de patiënten-vertrouwenspersoon, de heer [G.], doorgegeven. Pas na navraag van de patiëntenvertrouwenspersoon heeft de klachtencommissie de uitspraak per e-mail aan de patiëntenvertrouwenspersoon gezonden, waardoor betrokkene pas op 8 november 2010 via de patiëntenvertrouwenspersoon op de hoogte van de uitspraak kwam. Gezien voormelde omstandigheden is het verzoekschrift door betrokkene tijdig bij de rechtbank ingediend en behoort zij in haar verzoek te worden ontvangen.

4.3. De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van betrokkene niet-ontvankelijk is. In dat kader is door de stichting het navolgende aangevoerd:

De stichting heeft geen overzicht van de postbehandeling door de klachtencommissie, maar de stichting weet wel dat de beslissing van de klachtencommissie onmiddellijk toegezonden is aan de patiëntenvertrouwenspersoon als vertegenwoordiger van betrokkene en aan de behandelaar. De stichting in de persoon van de heer [S.] heeft na ontvangst van de uitspraak betrokkene ook onmiddellijk daarvan in kennis gesteld. Het is de stichting bekend dat de beslissing van de klachtencommissie op 8 november 2010 nog een keer aan betrokkene is toegezonden, maar betrokkene heeft al vóór 8 november 2010 van de uitspraak van de klachtencommissie kennis genomen, zodat betrokkene niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

4.4. In reactie op het verweer van de stichting heeft de advocaat van betrokkene benadrukt dat de patiëntenvertrouwenspersoon pas op 8 november 2010 en niet eerder kennis heeft gekregen van de beslissing van de klachtencommissie, omdat de patiëntenvertrouwens-persoon er toen zelf achteraan is gegaan. Betrokkene heeft daardoor pas op 8 november 2010 kennis gekregen van de betreffende beslissing, waardoor het verzoek ontvankelijk is.

5. De beoordeling in het incident

Het instellen van de incidentele vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv) door betrokkene brengt mee dat over de betreffende vordering - na partijdebat - een beslissing gegeven wordt voordat de beslissing in de hoofdzaak aan de orde is. Omdat in de hoofdzaak de ontvankelijkheid van het verzoek van betrokkene een geschilpunt is, zal de rechtbank eerst in de hoofdzaak over de ontvankelijkheid oordelen. Immers, mocht de rechtbank in de hoofdzaak tot het oordeel komen dat het verzoek niet-ontvankelijk is, dan heeft betrokkene om die reden onvoldoende processueel belang bij haar incidentele vordering.

6. De beoordeling van de ontvankelijkheid in de hoofdzaak

De rechtbank is van oordeel dat de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beslissing van de klachtencommissie eerder dan 8 november 2010 aan betrokkene bekend is gemaakt. Het had, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het door de stichting ingenomen standpunt, op de weg van de stichting gelegen om door middel van verificatoire bescheiden van de klachtencommissie aan te tonen dat de klachtencommissie op een eerder tijdstip dan 8 november 2010 haar beslissing aan betrokkene, eventueel via de haar bijstaande patiëntenvertrouwenspersoon, bekend heeft gemaakt. Nu de stichting daarmee in gebreke is gebleven, kan de rechtbank, ervan uitgaande dat de beslissing van de klachtencommissie op 8 november 2010 aan betrokkene bekend is gemaakt en dat op 6 december 2010 het verzoek ter verkrijging van een beslissing op haar klachten door betrokkene bij de rechtbank is ingediend, niet anders concluderen dan dat het verzoek van betrokkene tijdig - binnen de wettelijke termijn van zes weken nadat de beslissing van de klachtencommissie aan haar bekend is gemaakt - bij de rechtbank is ingediend. Betrokkene is mitsdien ontvankelijk in haar verzoek.

7. De verdere beoordeling in het incident

7.1. Om een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering te kunnen toewijzen dient allereerst aan de navolgende vier cumulatieve vereisten te zijn voldaan:

1. Degene, die exhibitie vordert, dient een rechtmatig belang bij exhibitie te stellen en te hebben.

2. De vordering moet bepaalde bescheiden betreffen.

3. Het moet gaan om bescheiden die de verweerder ter beschikking staan of onder zijn berusting heeft.

4. De incidenteel eiser moet partij zijn bij een rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien.

7.2. Indien aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks geen gehoudenheid om aan de gevorderde exhibitie te voldoen, in de navolgende gevallen:

a. Als er sprake is van een geheimhoudingsverplichting, waarop door de verweerder een beroep wordt gedaan.

b. Er gewichtige redenen zijn om niet aan de gehoudenheid tot exhibitie te voldoen.

c. Indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

7.3. Betrokkene legt in de kern aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij pas in staat zal zijn om haar stellingen in de hoofdzaak naar behoren te kunnen onderbouwen als zij over de door haar genoemde stukken kan beschikken. Daaruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, genoegzaam dat betrokkene een rechtmatig belang heeft.

7.4. Voor zover de vordering van incidenteel eiser bepaalde bescheiden moet betreffen, overweegt de rechtbank dat voor wat betreft het door betrokkene onder 8. gevraagde stuk geen sprake is van een bepaald bescheid, zodat de gevorderde exhibitie in zoverre zonder meer moet worden afgewezen. De overige door betrokkene gevraagde bescheiden voldoen aan de voorwaarde dat het bepaalde bescheiden moet betreffen.

7.5. Niet betwist is door de stichting dat zij de beschikking heeft over die bescheiden. Daarmee is ook aan de derde voorwaarde voldaan, waarbij de rechtbank opmerkt dat afgifte door de stichting van de door betrokkene onder 1. gevraagde stukken niet aan de orde kan zijn, omdat het gaat om stukken, die betrokkene zelf aan de klachtencommissie heeft aangereikt, waardoor betrokkene geacht wordt zelf over die stukken te beschikken.

7.6. De stichting heeft niet betwist dat betrokkene partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde bescheiden zien. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen hetgeen betrokkene op dit punt gesteld heeft, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde bescheiden zien.

7.7. De stichting heeft een beroep gedaan op het wettelijk beroepsgeheim. In dat kader heeft de stichting aangevoerd dat zij van de zwager van betrokkene, die door de stichting als vaste vertegenwoordiger van betrokkene wordt aangemerkt, een uitdrukkelijk verbod heeft gekregen om de gevraagde medische stukken af te geven.

7.8. De rechtbank is van oordeel dat de stichting zich niet met vrucht op een geheimhoudingsverplichting kan beroepen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:

Artikel 38, lid 4, van de Wet bopz houdt - kort gezegd - in dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, als hij beslist dat de patiënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de voorgestelde behandeling, over het voorgestelde behandelingsplan overleg pleegt met de wettelijke vertegenwoordiger of, indien die ontbreekt, met de door de patiënt schriftelijk gemachtigde en, indien ook die ontbreekt of niet optreedt, met de achtereenvolgens genoemde familieleden.

Uit het verweer van de stichting leidt de rechtbank af dat de behandelaar van betrokkene kennelijk wegens wilsonbekwaamheid van betrokkene in de hiervoor bedoelde zin de zwager van betrokkene als vertegenwoordiger van betrokkene aanmerkt en dat overleg door de behandelaar over de behandeling van betrokkene met genoemde zwager plaatsvindt. De stichting heeft erkend dat de zwager niet de wettelijke vertegenwoordiger van betrokkene is.

Dat de behandelaar van betrokkene de zwager als vertegenwoordiger van betrokkene ter zake de behandeling van betrokkene aanmerkt, betekent niet dat de stichting zich met een beroep op een door die zwager gegeven verbod tot afgifte van het medisch dossier op het wettelijk beroepsgeheim kan beroepen. In aanmerking genomen dat betrokkene door middel van de door haar ondertekende machtiging toestemming heeft gegeven tot afgifte van de stukken aan haar advocaat, kan van een geheimhoudingsverplichting van de stichting geen sprake zijn.

7.9. Het algemeen geldende beginsel van “equality of arms” brengt in het onderhavige exhibitiegeding mee dat de informatie, die bij de stichting ten aanzien van betrokkene aanwezig is, in gelijke mate voor betrokkene aanwezig moet zijn en dat betrokkene de gelegenheid geboden moet worden om in verband met de voorbereiding van de bodemzaak van die informatie kennis te nemen.

7.10. Gesteld, noch gebleken is dat er gewichtige redenen zijn, die zich tegen afgifte verzetten. Evenmin is gesteld of gebleken dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens gewaarborgd is.

7.11. Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat de incidentele vordering van betrokkene door de rechtbank is toegewezen, maar dan uitsluitend voor zover het de door betrokkene onder de nummers 2 t/m 7 en 9 gevraagde stukken betreft. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de stichting afschriften van de stukken aan betrokkene dient te verstrekken door toezending van die stukken aan het kantoor van de advocaat van betrokkene, zodat betrokkene op haar beurt de voor de hoofdzaak van belang zijnde stukken, waar zij zich op wil beroepen, aan de rechtbank in de hoofdzaak kan overleggen. Voormelde wijze van afgifte van de stukken maakt dat voor de door betrokkene eveneens gevraagde inzage geen noodzaak bestaat.

Nu de stellingen van betrokkene in de hoofdzaak betrekking hebben op de periode, gedurende welke zij gesepareerd is geweest - de periode van 30 augustus 2010 tot 15 november 2010 – heeft de rechtbank bepaald dat de stichting alleen afschriften van de hiervoor genoemde stukken over voormelde periode van separatie aan betrokkene dient te verstrekken.

De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat de advocaat van betrokkene op een zorgvuldige wijze met de aan hem verstrekte stukken zal omgaan.

8. De verdere beoordeling in de hoofdzaak

8.1. Op 23 februari 2011 is een brief binnengekomen van betrokkene van 19 februari 2011, waarin zij heeft meegedeeld dat zij de klacht onmiddellijk intrekt, dat zij wil dat de zaak stopt en dat zij haar advocaat verbiedt nog langer namens haar op te treden.

8.2. Mr. Ingelse, de advocaat van betrokkene, heeft op 4 maart 2011 laten weten dat betrokkene wisselende uitlatingen naar hem doet en dat hij in die situatie niet goed meer voor haar kan werken. Hij heeft de rechtbank verzocht om ambtshalve een advocaat aan betrokkene toe te voegen aan wie hij de zaak kan overdragen. De rechtbank heeft op de voet van artikel 41a van de Wet bopz mr. Heilhof als advocaat aan betrokkene toegevoegd. De griffier heeft dat laatste telefonisch aan mr. Ingelse meegedeeld.

8.3. Op 14 maart 2011 is betrokkene, onder meer in aanwezigheid van haar advocaat, mr. Heilhof, en mr. Moonen, de advocaat van de stichting, gehoord over haar brief van 19 februari 2011. Betrokkene heeft tijdens dat verhoor volhard bij de inhoud van haar brief en zij heeft verklaard dat zij wil dat de procedure stopt. De rechtbank leidt daaruit af dat betrokkene niet langer bij haar verzoekschrift ex artikel 41a van de Wet bopz persisteert.

Bij die stand van zaken dienen de klachten, zoals die door betrokkene ter verkrijging van een beslissing daaromtrent aan de rechtbank zijn voorgelegd, als (kennelijk) ongegrond te worden aangemerkt en zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

8.4. Voor zover het betreft het verzoekschrift ex artikel 41b van de Wet bopz overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 8.3. is overwogen, niet gebleken is van onrechtmatig handelen van de stichting jegens betrokkene, zodat er geen redenen zijn om aan betrokkene een schadevergoeding ten laste van de stichting toe te kennen. Het verzoek van betrokkene zal dan ook worden afgewezen.

9. De verdere beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

In het incident dient de stichting en in de hoofdzaak dient betrokkene als de in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de kosten van het incident en de kosten van de hoofdzaak tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

10. De beslissing

De rechtbank:

10.1. In het incident

10.1.1. Bepaalt dat de stichting aan betrokkene afschriften dient te verstrekken van de navolgende stukken over de periode van separatie van betrokkene van 30 augustus 2010 tot 15 november 2010:

- rapportages van verpleegkundigen;

- de decursus van de (opeenvolgende) behandelaren en/of behandelende psychiater(s);

- de meldingen aan de inspectie (MofM en dwangbehandeling)

- de behandelplannen;

- de voortgangsrapportages per maand van de behandelplannen;

- de evaluaties van de behandelplannen en

- de controlelijsten inzake de separatie.

10.1.2. Bepaalt dat de stichting voormelde afschriften dient te zenden aan het kantoor van de advocaat van betrokkene.

10.1.3. Wijst af het meer of anders verzochte.

10.2. In de hoofdzaak

10.2.1. Verklaart de klachten van betrokkene ongegrond.

10.2.2. Wijst het verzoek tot het toekennen van een schadevergoeding af.

10.3. In het incident en in de hoofdzaak

Compenseert de kosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.E. Bakker, voorzitter, H.P.S. Douffet-Evertz en F.L.G. Geisel, rechters, en is voor zover deze beschikking betrekking heeft op het incident (behoudens de kosten daarvan) en op de ontvankelijkheid van de hoofdzaak in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier en op schrift gesteld op

6 april 2011, en voor zover het de overige beslissingen betreft in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

JR

Voor zover tegen deze beschikking hoger beroep open staat kan dit - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degene(n )aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature