Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bodemprocedure Crisis- en herstelwet, vrijstelling WRO, bouw appartementencomplex, beschermd stads- en dorpsgezicht .

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2312 en 10/2342

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1. Stichting [naam] te [woonplaats],

[eisers sub 1] te [woonplaats],

en omwonenden,

eisers (hierna: eisers sub 1),

2. [eisers sub 2] te [woonplaats],

eisers (hierna: eisers sub 2),

3. [eiser sub 3] te [woonplaats],

eiser (hierna: eiser sub 3),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, verweerder,

Inleiding

1.1 Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning eerste fase verleend aan Van Hoorn & Van der Kleij B.V. (hierna: vergunninghoudster) voor het bouwen van een appartementencomplex aan de [adres] te [woonplaats].

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juni 2010 (hierna het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Eisers sub 1, 2 en 3 hebben hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2011. Een aantal eisers is in persoon verschenen. Eisers sub 1 zijn verder vertegenwoordigd door mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht. Eisers sub 2 zijn vertegenwoordigd door mr. M. Jue, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Eiser sub 3 is vertegenwoordigd door mr. S. Essakili, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de heer A.B. den Boer, werkzaam bij de gemeente Oudewater. Namens vergunninghoudster zijn verschenen J. van Hoorn, eigenaar/directeur en mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem.

Overwegingen

2.1 Het bouwplan voorziet in het oprichten van een appartementencomplex, bestaande uit twaalf appartementen voor senioren aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel). De locatie ligt in het beschermde stads- en dorpsgezicht van [woonplaats].

Ontvankelijkheid

2.2 De rechtbank ziet zich in de eerste plaats - ambtshalve - gesteld voor de vraag of alle eisers, gelet op de afstand tussen hun woning en het perceel, aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijke persoon volgens vaste rechtspraak een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Dit volgt uit vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2009 (LJN: BK0831).

De omwonenden, behorend tot eisers sub 1, zijn allen vermeld op lijsten die zijn bijgevoegd bij het beroepschrift. Zij wonen aan de [adres], [adres], [adres], [adres], [adres] en de [adres]. Een van hen, [A], woont aan de [adres]; deze woning is gelegen op geruime afstand, circa 400 meter, van de locatie van het bouwplan. Door de tussenliggende bebouwing zal er redelijkerwijs geen zicht zijn vanuit de woning op het perceel, zodat [A] niet als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt. De rechtbank zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De straten waarin de woningen van de overige eisers zijn geleden liggen binnen een straal van ongeveer 150 meter van de locatie van het bouwplan en voldoen daarom naar het oordeel van de rechtbank wel aan het zogenoemde afstand- en zichtcriterium voor het zijn van belanghebbende in het ruimtelijk bestuursrecht.

2.3 Vervolgens heeft de rechtbank ambtshalve geconstateerd dat niet alle eisers, alvorens beroep in te stellen, bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit van 18 februari 2010. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb moet een belanghebbende, wil hij tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter kunnen instellen, daartegen eerst bezwaar hebben gemaakt bij het bestuursorgaan. Die voorwaarde geldt niet wanneer de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

Uit de gedingstukken blijkt dat de volgende personen, behorende bij eisers sub 1, niet voorafgaand aan het beroep bezwaar hebben gemaakt:

- [B] en [C] ([adres]),

- [D] ([adres]),

- [E] ([adres]),

- [F] en [G] ([adres]),

- [H] en [I] ([adres]),

- [J] ([adres]),

- [K] ([adres]),

- [L] ([adres]),

- [M] ([adres]),

- [N] ([adres]),

- [O] en [P] ([adres]),

- [Q] ([adres]).

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor hen dit redelijkerwijs niet verweten kan worden; uit de stukken komt immers naar voren dat de verlening van een vergunning voor het bouwplan in [woonplaats] ruimschoots bekend was. Het beroep van deze personen zal daarom, gelet op artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

Crisis- en herstelwet

2.4 Vergunninghoudster stelt dat de Crisis- en herstelwet (Chw) op de onderhavige zaak van toepassing is, in het bijzonder afdeling 2 van de Chw. Het bouwplan ziet op de bouw van twaalf seniorenwoningen en valt daarmee onder categorie 3.2 van Bijlage I van de Chw. Gelet op artikel 1.6, tweede lid en artikel 1.6a van de Chw mag de rechtbank de beroepsgronden van eisers, die alle aanvullend zijn ingediend, niet bij de beoordeling betrekken mogen worden, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid moet leiden. Voor zover naar het oordeel van de rechtbank de beroepsgronden wel meegenomen zouden mogen worden, dient getoetst te worden aan het in artikel 1.9 van de Chw neergelegde relativiteitsvereiste, aldus vergunninghoudster.

2.5 Eisers sub 1, 2 en 3 zijn van mening dat de Chw niet van toepassing is.

Eisers sub 1stellen dat ingevolge artikel 9.1.10, derde lid van de Invoeringswet Wro, ingevoerd bij de inwerkingtreding van de Chw, op een verzoek om vrijstelling dat is ingediend voor 1 juli 2008, zoals in dit geval, de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van toepassing blijft. Mr. De Boer heeft verder betoogd dat een vrijstelling op grond van de WRO niet is gelijkgesteld met een projectbesluit ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zij stelt dat voor een project van 12 woningen of meer mogelijk eerst een projectuitvoeringsbesluit vereist is, dat hier ontbreekt, wil de Chw van toepassing zijn. In de jurisprudentie van de ABRS, met name de uitspraak van 4 januari 2011, zaaknummer 201008833, is de Chw niet van toepassing geacht op bestemmingsplannen die onder de WRO tot stand zijn gekomen. Gelet is de Chw evenmin van toepassing op vrijstellings-procedures en bouwplannen onder de vigeur van de WRO, aldus eisers sub 1.

Ter zitting heeft eiser sub 3 zich bij dit standpunt aangesloten.

2.6 Eisers sub 2 stellen dat de Chw niet van toepassing is, onder verwijzing naar een uitspraak van de ABRS van 1 december 2010, zaaknummer 201005029, waarin de ABRS de Chw niet van toepassing heeft geacht op een project van 36 woningen. De ABRS overwoog dat dat project niet viel onder categorie 3.1 van Bijlage I van de Chw omdat de verleende ontheffing was gebaseerd op de Wro. Nu de ABRS dat betreffende project vervolgens evenmin heeft gekwalificeerd als een project vallend onder categorie 3.2 juncto 2.9, eerste lid, van de Chw, concludeert mr. Jue dat categorie 3.2 slechts ziet op gevallen waarin een projectuitvoeringsbesluit is genomen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Bovendien zijn de onderhavige vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de inwerkingtreding van de Chw op 31 maart 2010. Op grond van het overgangsrecht is de Chw dan ook niet van toepassing, aldus eisers sub 2.

2.7 Artikel 1.1, eerste lid, van de Chw bepaalt onder a, dat Afdeling 2 ‘Procedures’ van de Chw van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke of infrastructurele projecten.

Bijlage I vermeldt - voor zover in dit geval van belang - de volgende categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Chw:

(…)

3. gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang

3.1 ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden;

3.2 projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid;

(…).

In Afdeling 6 van de Chw ‘Versnelde uitvoering van bouwprojecten’ is artikel2.9 opgenomen. Artikel 2.9, eerste lid, van de Chw bepaalt - voor zover hier van belang en kort weergegeven - dat deze afdeling van toepassing is op de uitvoering van:

a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste 2 000, dan wel 1 500 nieuwe woningen, alsmede

b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijk belang.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Chw bepaalt – voor zover hier relevant - dat de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit kan vaststellen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op de ontwikkeling en verwezenlijking van een project als bedoeld in het eerste lid ten aanzien waarvan een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld, de wettelijke voorschriften krachtens welke daarvoor een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit is vereist, niet van toepassing, met uitzondering van de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3 van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet. Op grond van het derde lid strekt het projectuitvoeringsbesluit ter vervanging van de besluiten die vereist zouden zijn geweest krachtens de in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften.

Is sprake van een project in de zin van de Chw?

2.8 De rechtbank stelt vast dat het bouwplan, nu het ziet op de oprichting van 12 woningen, past binnen de omschrijving van een project zoals neergelegd in artikel 2.9, eerste lid, onder a van de Chw.

De rechtbank stelt verder vast dat de gemeenteraad ten behoeve van dit bouwplan geen projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Chw heeft genomen.

2.9 Nu een dergelijk projectuitvoeringsbesluit ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een project als bedoeld in bijlage I, categorie 3.2 van de Chw.

De rechtbank baseert zich hierbij allereerst op het feit dat artikel 2.9 deel uitmaakt van afdeling 6 ‘Versnelde uitvoering van bouwprojecten’. Artikel 2.9 bepaalt verder expliciet dat het gestelde in deze áfdeling 6 van toepassing is op bouwplannen zoals nader omschreven in artikel 2.9, eerste lid onder a en b. Uit deze systematiek volgt dat de wetgever heeft beoogd de projecten als omschreven in artikel 2.9, eerste lid, van de Chw te relateren aan een projectuitvoeringsbesluit op grond van artikel 2.10 van de Chw. Nu een dergelijk besluit hier ontbreekt, kan het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als een project zoals de wetgever dat heeft bedoeld te omschrijven in categorie 3.2 van bijlage I van de Chw.

De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in wetsvoorstel 32588 ‘Wijziging van de Crisis- en herstelwet en enkele andere wetten (verbeteringen en aanvullingen)’. Hierin wordt in artikel I, onder J, voorgesteld om Bijlage I als volgt te wijzigen:

“ In categorie 3.2 wordt na <2.9, eerste lid> toegevoegd: , waarvoor een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 is vastgesteld.”

De Memorie van Toelichting vermeldt hierbij het volgende:

“Deze voorgestelde wijziging van categorie 3.2 van bijlage I bij de Crisis- en herstelwet beperkt de toepassing van hoofdstuk 1, afdeling 2 (procedures), van de Crisis- en herstelwet ten aanzien van bouwprojecten tot die gevallen waarin voor een bouwproject daadwerkelijk een projectuitvoeringsbesluit is vastgesteld. Door de formulering van categorie 3.2 was die koppeling onbedoeld niet gemaakt.”

2.10 Nu het bouwplan niet is aan te merken als een project als bedoeld in categorie 3.2 van bijlage I van de Chw, noch als een project in de zin van bijlage II van de Chw, is de Chw niet van toepassing. De rechtbank zal daarom de beroepen beoordelen, zonder toepassing van Afdeling 2 van de Chw.

Inhoudelijke beoordeling

2.11 De aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning is binnengekomen bij de gemeente op 30 juni 2008. Het bestreden besluit dateert van 8 juni 2010.

2.12 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10, eerste en derde lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip, het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Nu het onderhavige verzoek om bouwvergunning en vrijstelling op 30 juni 2008 is ingediend, dient te worden getoetst aan de WRO.

2.13 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat die wetswijzigingen niet van toepassing zijn in dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.14 Ingevolge artikel 40 van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning. Op grond van artikel 56a van de Woningwet kan een bouwvergunning in twee fases worden aangevraagd. Het tweede lid van artikel 56a bepaalt dat de bouwvergunning eerste fase slechts mag en dan moet worden geweigerd indien – kort weergeven – sprake is van strijd met voorschriften in de Bouwverordening die van stedenbouwkundige aard zijn, strijd met het bestemmingsplan, strijd met redelijke eisen van welstand of strijd met de Monumentenwet of daarop gebaseerde verordening.

2.15 Het perceel is gelegen binnen het bestemmingsplan Binnenstad van de gemeente Oudewater, dat is vastgesteld en goedgekeurd in 2006.

Op grond van de plankaart rusten op het perceel de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Erven’ en ‘Tuinen’. Ingevolge de plankaart ligt het perceel in het beschermd stadsgezicht (zone B) en geldt er de aanduiding ‘3/6’ als maximale goot- en nokhoogte. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de voorschriften bij dit bestemmingplan mogen op gronden met de bestemming Woondoeleinden ten behoeve van deze bestemming uitsluitend hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, als maximale goothoogte respectievelijk bouwhoogte in meters aanduidt. Het derde lid van dit artikel 4 bepaalt onder meer dat voor het bouwen de aanduidingen op de plankaart gelden en dat uitsluitend ter plaatse van de nadere aanwijzing (g) woningen gestapeld mogen worden gebouwd.

Het bouwplan ziet op het oprichten van een appartementencomplex met een nokhoogte van 12.95 meter, dat deels op de bestemming ‘Woondoeleinden’, deels op de bestemming ‘Erven’ zal worden gesitueerd. Op de plankaart ter plaatse van het perceel is geen aanduiding ‘g’ vermeld.

2.16 Niet in geschil is, en ook de rechtbank stelt vast, dat het bouwplan op het punt van de hoogte en de situering en toegestane soort bebouwing in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van de strijd met het bestemmingsplan verleend, en vervolgens de bouwvergunning eerste fase afgegeven. Ter zitting is gebleken dat inmiddels ook de bouwvergunning tweede fase is afgegeven en dat tegen de beslissing op bezwaren daartegen, geen beroep is ingesteld, zodat die bouwvergunning tweede fase thans in rechte vaststaat.

2.17 Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Dat is in de gemeente Oudewater gebeurd.

De rechtbank stelt verder vast dat het betreffende bestemmingplan niet ouder is dan tien jaar, zodat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 19, vierde lid, van de WRO, dat het bouwplan is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing en dat gedeputeerde staten van de provincie Utrecht op 13 oktober 2009 een verklaring van geen bezwaar voor dit bouwplan hebben afgegeven. Daarmee is voldaan aan de formele bevoegdheidsvoorwaarden voor het verlenen van vrijstelling.

2.18 Eisers stellen dat om verschillende redenen voor dit bouwplan geen vrijstelling van het bestemmingsplan had mogen worden verleend. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen, een eigen, discretionaire bevoegdheid is die door de wetgever (in dit geval: na delegatie van de raad) aan verweerder is gegeven. Die bevoegdheid moet de bestuursrechter respecteren. Dat betekent dat de toepassing ervan door de rechtbank slechts terughoudend wordt getoetst. In deze procedure is daarom ter beoordeling of verweerder, uitgaande van de juiste feiten en met weging van alle betrokken belangen, in redelijkheid de onderhavige vrijstelling heeft kunnen verlenen.

Hoogte en omvang van het bouwplan in relatie tot de omgeving

2.19 Eisers stellen dat het bouwplan niet past in de omgeving, gezien de omvang en de hoogte, in vergelijking tot de oorspronkelijke en de bestaande omliggende bebouwing.

Eisers sub 1 stellen in dit verband dat het bouwplan afbreuk doet aan de karakteristieke lintbebouwing, die bestaat uit overwegend vrijstaande woningen met een individuele uitstraling, een hoogte van één bouwlaag met een mansardekap. Er is onvoldoende gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van de maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan en waarom dat binnen het beschermd stadsgezicht klasse B toelaatbaar zou zijn. Eisers wijzen er op dat historica Stoppelenburg door verweerder niet is geconsulteerd. Uit haar onderzoek, dat door eisers is overgelegd, blijkt dat ter plaatse van de bouwlocatie een stadswal heeft gelegen met een aansluitend, geleidelijk ontstane lage bebouwing.

Eisers sub 2 stellen dat de ruimtelijke onderbouwing te summier is, nu niet wordt ingegaan op de waarden van het beschermde stads- en dorpsgezicht klasse B en waarom daarvan afgeweken kan worden. Nu blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan ter plaatse de bestaande maat en schaal typerend is voor dit beschermde stads- en dorpsgezicht, is de hoogte van het bouwplan en met een oppervlakte van driemaal de bestaande oppervlakte aan bebouwing, ruimtelijk hier niet inpasbaar.

Eiser sub 3 stelt eveneens dat het bouwplan niet past in de karakteristieke omgeving met hoge archeologische waarde, zowel wat betreft de stedenbouwkundige inpassing als het voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan heeft grote invloed op het woongenot en de waarde van de woning van eiser. Er ontbreekt dus een goede ruimtelijke onderbouwing, aldus eiser.

2.20 Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In dit verband heeft verweerder gewezen op de Structuurvisie, de ruimtelijke onderbouwing en het feit dat omwonenden gelegenheid hebben gehad bij de voorbereiding van de besluitvorming hun zienswijze te geven. Gedeputeerde staten hebben vervolgens, na kennis genomen te hebben van de zienswijzen en de reactie van het college daarop, op 13 oktober 2009 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Verder heeft verweerder benadrukt dat vanwege het bijzondere karakter van het perceel het ‘Beeldkwaliteitsplan voor de hoek Zuid Linschoterkade/Nieuwe Singel’ (hierna: het beeldkwaliteitsplan) is opgesteld, dat in de gemeenteraad is vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan gaf de randvoorwaarden voor het bouwplan en is tevens de basis is geweest voor de welstandsbeoordeling. De welstandscommissie heeft positief geadviseerd over het bouwplan op 14 januari 2010 en verweerder heeft dit advies overgenomen. Verweerder heeft ter zitting nog benadrukt dat het bouwplan, omdat het solitair gelegen is op enige afstand van de omliggende bebouwing, alleszins passend is op deze locatie.

2.21 De rechtbank heeft bij de beoordeling van de standpunten van partijen acht geslagen op de volgende stukken.

In de Structuurvisie Gemeente Oudewater 2005 (hierna: de Structuurvisie) is de gemeentelijke visie neergelegd voor de bebouwing in onder meer Ouderwater in de periode 2005 - 2015. Daarin is als algemene beleidsregel voor de op te richten bebouwing in de historische binnenstad (stad binnen de wallen) neergelegd, dat niet hoger gebouwd mag worden dan drie lagen met een kap. De goothoogte / nokhoogte van de Mariaschool zijn daarbij als referentiepunt genoemd. Daarbij is voorts gesteld dat een vierde laag alleen mogelijk is als deze binnen de (theoretische) kaplijn wordt gerealiseerd en dat de maat en schaal van de nieuwbouw moet aansluiten op de bestaande bebouwing.

In het bestemmingsplan Binnenstad uit 2006 is als toelichting op het beschermde stads- en dorpsgezicht onder meer vermeld dat binnen de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht A-, B- en C-zones zijn onderscheiden, waarbij de te behouden ruimtelijke karakteristieken per zone verschillen. In zone A dienen vrijwel alle bestaande ruimtelijke karakteristieken

beschermd te worden. In zone C verdienen alleen het stratenpatroon en de bouwhoogte

bescherming. Zone B valt qua beschermingswaarde tussen zone A en C in. In het oostelijk en het zuidelijk deel is meer ruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor zone B, waarin in het perceel is gelegen, geldt in het algemeen dat het van belang is dat het stratenpatroon, de straatprofielen, de korrelgrootte van de bebouwing, de diversiteit van de bebouwing en de inrichting van de openbare buitenruimte behouden blijven. In dit gebied dient het mogelijk te zijn binnen de huidige stedenbouwkundige structuur één of meerdere panden te vervangen door nieuwbouw, mits dit aan de gestelde voorwaarden voldoet, aldus de toelichting bij het bestemmingsplan.

In het beeldkwaliteitsplan van mei 2007 is ten slotte, in aansluiting op hetgeen in de Structuurvisie is vermeld, over de maximale bouwhoogte gesteld dat het aansluiten op de omgeving in deze een belangrijk item is. Enerzijds is het vanuit de historie te motiveren om hier een markant gebouw te situeren, anderzijds mag de aansluiting op de aangrenzende bebouwing niet als storend worden ervaren.

Blijkens de stukken heeft de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (hierna: de Rijksdienst) op 15 april 2008 advies uitgebracht over een eerder versie van het bouwplan. De Rijksdienst heeft zijn waardering uitgesproken voor het feit dat een beeldkwaliteitsplan was opgesteld, en geoordeeld dat het bouwplan over het geheel genomen goed past binnen de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. Wel gaf de Rijksdienst aanwijzingen om het bouwplan aan te passen zodat het minder fors oogt, te weten het verlagen van de goothoogte/borstwering van de kapverdieping en het volledig verdiept aanleggen van de parkeerkelder. Verder heeft verweerder nog overlegd een ‘Volgformulier welstand’ van 9 mei 2008. Daarop vermeldt de welstandscommissie dat het principeplan op hoofdlijnen akkoord is bevonden, mits nadere uitwerking wordt gegeven aan de dakdoorvoeren van installaties. Deze beide adviezen zijn door verweerder aan de raad voorgelegd, die vervolgens op 6 oktober 2008 in meerderheid heeft ingestemd met het beeldkwaliteitsplan en het starten van de vrijstellingsprocedure.

2.22 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, tegen de geschetste achtergrond van ruimtelijke ideeën en uitgangspunten voor bebouwing in en rond de historische kern van Oudewater die sinds 2005 zijn ontwikkeld, in redelijkheid heeft kunnen besluiten medewerking te verlenen aan de realisering van dit bouwplan. Daarbij is van belang dat zowel gemeenteraad als Rijksdienst na kennisname van de uitgangspunten in het beeldkwaliteitsplan als van het principe ontwerp van het bouwplan, ingestemd hebben met het bouwplan op deze plek. Verder is van belang dat vergunninghoudster het principeplan in overeenstemming heeft gebracht met de eisen die de Rijksdienst heeft gesteld. Ook komt betekenis toe aan het gegeven dat al in de Structuurvisie in 2005 is neergelegd dat nieuwbouw ter hoogte van drie bouwlagen met een kap, danwel een vierde bouwlaag vormgegeven binnen de theoretische kaplijn, mogelijk is. Een dergelijke keuze en het feit dat daarbij de Mariaschool als referentiepunt is genomen, behoort tot de beleidsvrijheid die raad heeft bij de vormgeving van de stedenbouwkundige mogelijkheden binnen de gemeente. De Mariaschool bestaat eveneens uit drie bouwlagen en een kap. Dat de Mariaschool op een andere plek en op enige afstand van het perceel is gelegen, maakt niet dat een dergelijke referentie niet gesteld kan worden; de raad bepaalt met een dergelijk structuurplan immers een stedenbouwkundig beeld voor de gehele stad, waarbij ook gestreefd kan worden naar samenhang tussen de verschillende delen van de stad. De verwijzing naar de Mariaschool ziet de rechtbank als een dergelijke verbinding.

2.23 Uit de beroepsgronden komt naar voren dat eisers vooral bezwaren hebben tegen de verhouding van het bouwplan tot de omliggende bebouwing. Verweerder heeft, naast de verwijzing over de hoogte in het structuurplan en het beeldkwaliteitsplan, gewezen op het feit dat het perceel relatief groot van oppervlakte is en door zijn ligging tussen de gracht en aangrenzende wegen solitair is gelegen, op enige afstand tot de omliggende bebouwing. Daardoor is een markant gebouw daar passend geacht. De rechtbank kan verweerder daarin volgen. In dit verband is ook van belang dat de Rijksdienst, de autoriteit op het punt van bescherming van van rijkswege aangewezen stads- en dorpsgezichten, positief is over het plan op de hoek Zuid-Linschoterkade en Nieuwe Singel. Nu het bouwplan aansluit bij het beeldkwaliteitsplan en de inzichten van de Rijksdienst, kan niet gezegd worden dat verweerder vanwege het bijzondere historische karakter van het perceel geen medewerking aan het bouwplan zou mogen verlenen. Het rapport van historica Stoppelenburg, dat door de stichting [naam] is overgelegd en waarin gesteld wordt dat na 1860 betrekkelijk lage bebouwing met een landelijk karakter is verrezen, maakt dit niet anders. De rechtbank begrijpt dat eisers, en met name de stichting [naam], mede op grond van dit rapport en uit historisch perspectief, een lagere bebouwing op het perceel wenselijk achten. Het bestemmingsplan en ook de kenmerkende aspecten van het beschermde stadsgezicht type B schrijven dat echter niet voor; in het Structuurplan daarentegen wordt ook hogere bebouwing mogelijk geacht. Toen er vervolgens een bouwaanvraag werd ingediend bestaande deels uit twee bouwlagen met kap, deels drie bouwlagen met kap, was verweerder gehouden de aanvaardbaarheid daarvan te toetsen tegen de achtergrond van het bestaande ruimtelijke beleid.

2.24 Voor zover eisers betogen dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het dossier heeft de welstandscommissie het bouwplan beoordeeld in de vorm van een principeaanvraag, en vervolgens, nadat de raad het beeldkwaliteitsplan had vastgesteld, nogmaals in definitieve vorm. Op 14 januari 2010 heeft de welstandscommissie met het plan ingestemd, dat wil zeggen niet in strijd met redelijke eisen van welstand geacht, welk advies verweerder heeft overgenomen. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, zoals onder meer de uitspraak van 6 mei 2009 (LJN BI 2952), staat op het punt van de welstandstoetsing slechts ter beoordeling de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het bouwwerk in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies heeft overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Van dit laatste is de rechtbank niet gebleken; de welstandscommissie heeft zich blijkens het laatste advies rekenschap gegeven van de ligging in het beschermd stads- en dorpsgezicht en de toepasselijkheid van het beeldkwaliteitsplan als zijnde de toe te passen welstandscriteria. Verder stelt de rechtbank vast dat eisers geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd. Het rapport van historica Stoppelenburg is van een geheel andere aard, zodat daaraan in verband met de redelijke eisen van welstand geen betekenis kan toekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.25 Eisers stellen dat het bouwplan inbreuk maakt op hun uitzicht. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Door de ligging van het perceel aan de overzijde van de Zuid-Linschoterkade en de Nieuwe Singel bestaat er enige afstand tot de omliggende bebouwing. Dit gegeven en het feit dat het perceel maar ook de omliggende woningen tegen het centrum van Oudewater aan zijn gelegen, is geen sprake van een zodanig afwijkende bebouwing in een kleinstedelijke omgeving dat om deze reden geen vrijstelling had kunnen worden verleend. Ook het beschermde stads- en dorpsgezicht B bepaalt niet dat vanuit de overzijde van het beschermde gezicht, vrij uitzicht op de gracht en de binnenstad van Oudewater zou moeten blijven bestaan. Voor zover eisers menen dat zij schade lijden door de verleende vrijstelling van het bestemmingsplan, heeft verweerder in het bestreden besluit terecht gewezen op de eventuele mogelijkheid om via een planschade verzoek om een tegemoetkoming in die gestelde waardevermindering te vragen.

2.26 Het geheel overziend volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit bouwplan op deze plek passend wordt geacht.

Parkeer- en verkeersproblemen

2.27 Eisers sub 1 en 2 stellen verder dat door de toename van het aantal woningen ten gevolge van het bouwplan verkeers- en parkeeroverlast zal ontstaan. De gehanteerde parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning achten eisers onvoldoende, met name nu enkele van de parkeerplaatsen in de kelder niet bruikbaar zijn nu deze voor de ingang van de berging zijn gesitueerd. Volgens eisers zouden er 21,6 parkeerplaatsen op het eigen terrein moeten zijn. Voorts zal door de uitrit van de parkeergarage op de Nieuwe Singel en de toename van autobewegingen daar en bij de aansluiting met de Zuid Linschoterkade een verkeersonveilige situatie ontstaan.

Eisers sub 3 stellen dat er een ontheffing op grond van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening nodig is omdat het bouwplan niet geheel voorziet in voldoende parkeerruimte op het terrein dat bij het gebouw hoort.

2.28 Het bouwplan voorziet in een parkeerkelder met daarin 14 parkeerplaatsen. Daarnaast worden langs de Nieuwe Singel zes parkeerplaatsen gerealiseerd op openbaar terrein. Vergunninghoudster heeft daartoe een strook grond van het perceel in eigendom overgedragen aan de gemeente. Verweerder zal verder acht, langs de Nieuwe Singel al bestaande parkeerplaatsen opnieuw inrichten.

2.29 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag welke wettelijke bepalingen ten aanzien van het parkeren in deze situatie gelden.

Artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat verweerder bevoegd is vrijstelling te verlenen van het verbod om bestaande woningen te splitsen zodanig dat uit een bestaande woning meer dan een woning ontstaat, waarbij voor het parkeren nader bepaald is dat per toegevoegde woning op eigen grond ten minste 1,5 parkeerplaats wordt gerealiseerd.

Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Oudewater 2009 bepaalt dat er ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Burgemeester en wethouders kunnen hiervan ontheffing verlenen indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Ww blijven de voorschriften van de Bouwverordening buiten toepassing voor zover deze niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de voorschriften van de bouwverordening van toepassing blijven indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt. Nu gezien artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften door de planwetgever in het bestemmingsplan voor de bestemming ‘Woondoeleinden’ een norm voor de vereiste parkeerruimte per toegevoegde woning is neergelegd, komt op grond van genoemd artikel 9 van de Ww geen belang toe aan de bepaling over parkeren in de Bouwverordening.

2.30 Vervolgens is de vraag of de te realiseren parkeerfaciliteiten overeenstemmen met de parkeernorm in het bestemmingsplan. In dit verband heeft verweerder naar voren gebracht dat een eis gesteld is die boven het bepaalde in het bestemmingsplan uitgaat, namelijk 1,5 per woning plus 0,3 per woning extra voor bezoekers. Verweerder stelt dat door de 14 inpandige en de zes extra aan te leggen parkeerplaatsen buiten, ruimschoots aan de norm is voldaan. Verweerder heeft ter zitting nog toegelicht dat de extra parkeerplaatsen gerealiseerd konden worden op het perceel, maar dat dat deel van het perceel in eigendom is overgedragen aan de gemeente op verzoek van de gemeente, omdat verweerder het ongewenst vindt dat openbaar toegankelijke parkeerplaatsen op particulier terrein liggen en daardoor mogelijk in de toekomst hun openbare karakter zouden kunnen verliezen. Verder is toegelicht dat de oorspronkelijk langs de Nieuwe Singel aanwezige parkeerplaatsen door de grondoverdracht heringericht kunnen worden en daardoor beter bruikbaar zullen zijn dan voorheen, toen deze parkeerplaatsen onvoldoende diep waren.

Vergunninghoudster heeft ter zitting toegelicht dat door op een enkele plaats de deur van de berging te verplaatsen en door een berging en de er voor liggende parkeerplaats toe te wijzen aan dezelfde eigenaar, alle 14 parkeerplaatsen in de parkeerkelder toegankelijk en zullen bruikbaar zijn.

2.31 De rechtbank stelt vast dat verweerder een hogere norm heeft gehanteerd dan het bestemmingsplan voorschrijft: op grond van het bestemmingsplan zijn in totaal 18 parkeerplaatsen voor dit bouwplan vereist, terwijl er 20 worden gerealiseerd. De verhoging van de norm houdt verband met 0,3 parkeerplaats voor bezoekers per woning. De aldus gehanteerde norm van 1,8 parkeerplaats per woning inclusief bezoekers-parkeren, is in het beeldkwaliteitsplan als norm aangehouden voor woningen groter dan 100 m2. Dat is groter dan het merendeel van de appartementen in het bouwplan. Gelet daarop en gelet op het feit dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen voldoet aan de norm uit het bestemmingsplan, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat onvoldoende in parkeerruimte voor de nieuw te bouwen woningen is voorzien. Ten aanzien van de eis dat het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat ter zitting is toegelicht dat de ruimte voor de zes parkeerplaatsen op het perceel aanwezig was, maar dat verweerder het onwenselijk acht dat met name voor bezoekers bedoelde parkeerplaatsen op privégrond wordt gerealiseerd omdat dan de beschikbaarheid daarvan niet is gegarandeerd. Tegen die achtergrond heeft de grondoverdracht plaatsgevonden. De rechtbank constateert dat in het Beeldkwaliteitsplan is neergelegd dat het bezoekersparkeren altijd op een openbaar toegankelijke plaats moet plaatsvinden. De rechtbank acht deze gang van zaken in het algemeen belang en daarmee niet onzorgvuldig.

2.32 Ten aanzien van de gevreesde verkeersproblematiek overweegt de rechtbank dat niet ontkend kan worden dat door de toename van het aantal woningen, het verkeer op de Nieuwe Singel ter plaatse van de uitrit van de parkeergarage en de kruising met de Zuid Linschoterkade zal toenemen. De Nieuwe Singel is volgens eisers erg smal. De rechtbank moet echter ook constateren dat deze weg thans ook open is voor het verkeer van en naar de aanliggende woningen en daarvoor voldoet.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Archeologie

2.33 Eisers sub 1 hebben voorts aangevoerd dat in de bouwvergunning onvoldoende is gewaarborgd dat het archeologisch onderzoek zorgvuldig uitgevoerd zal worden. De bouwvergunning komt niet overeen met de verklaring van geen bezwaar.

Eisers sub 2 hebben aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende duidelijk is dat er een inventariserend onderzoek wordt uitgevoerd door middel van proefsleuven.

2.34 De rechtbank constateert dat aan de bouwvergunning voorwaarden zijn verbonden met het oog op archeologische vondsten. Voordat er werkzaamheden in de grond plaatsvinden, dient er een archeologisch onderzoek plaats te vinden door middel van proefsleuven. Ter zitting is nog toegelicht dat vergunninghoudster zich hiertoe ook privaatrechtelijk heeft verbonden. De rechtbank vindt dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het archeologisch onderzoek niet zorgvuldig genoeg zal kunnen plaatsvinden, gelet op de concrete aanwijzingen die voor het onderzoek zijn opgenomen in de voorwaarden. Het is aan verweerder om er toezicht op te houden dat de voorwaarden consequent zullen worden nageleefd. De beroepsgronden slagen daarom niet.

2.35 Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat hetgeen in beroep is aangevoerd, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen, ingediend door:

- [A]

- [B] en [C],

- [D],

- [E],

- [F] en [G],

- [H] en [I],

- [J],

- [K],

- [L],

- [M],

- [N],

- [O] en [P],

- [Q]

niet-ontvankelijk;

3.1 verklaart de overige beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011.

De griffier: De rechter:

mr. G.K. Heger mr. V.M.M. van Amstel

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature