< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het hof heeft het verweer van de verdediging, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu het heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, verworpen.

De verdachte wordt ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak



Parketnummer: 24-000100-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-606300-07

Arrest van 19 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van

9 januari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. B.M.J.C. van Lee, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis, en dat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe heeft zij - kort gezegd - aangevoerd dat er slechts vervolging tegen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] is ingesteld, terwijl uit het dossier blijkt dat er bij de vechtpartij meerdere (groepen) personen waren betrokken en ook [medeverdachte] aangifte heeft gedaan van mishandeling.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het in artikel 167 eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie bevoegd is op gronden aan het algemeen belang ontleend, af te zien van vervolging. Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsbepalingen of met beginselen van een goede procesorde - waaronder het gelijkheidsbeginsel - kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Van een dergelijke strijdigheid is het hof in de onderhavige zaak niet gebleken. Het verweer wordt dan ook verworpen en het openbaar ministerie wordt ontvankelijk geacht in de vervolging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 02 september 2007 te [plaats] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en/of [benadeelde], welk geweld bestond uit het slaan en/of schoppen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 september 2007 te [plaats] met een ander, aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en [benadeelde], welk geweld bestond uit slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 2 september 2007 samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde] en diens zoon [slachtoffer]. Hoewel dit handelen van verdachte kennelijk was ingegeven door het feit dat [medeverdachte] eerder die dag mishandeld was door een groep personen waar vader en/of zoon [benadeelde] mogelijk toebehoorden, en verdachte - naar zijn zeggen - zijn vriend [medeverdachte] wilde bijstaan, is dit gedrag onacceptabel. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben met hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van voornoemde personen en hebben gevoelens van onveiligheid opgewekt bij omstanders die van het gewelddadig gedrag van beiden getuige van zijn geweest.

Het hof neemt in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 9 februari 2011 niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gezien het tijdsverloop - de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep is met ongeveer drie maanden overschreden - en hetgeen de verdachte terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf in dit geval niet noodzakelijk. Hoewel het hof het handelen van verdachte als een incident beschouwt, zal het gezien de ernst van het feit en om verdachte ervan te weerhouden toch nogmaals in de fout te gaan, weliswaar een werkstraf opleggen, maar dat in de voorwaardelijke vorm doen.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Blijkens het voegingsformulier vordert de benadeelde partij vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 144,50.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij tot dat bedrag rechtstreeks schade is berokkend die aan verdachte kan worden toegerekend. Derhalve dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van vijftig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier, zijnde mr. Heins buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature