< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college ingestemd met het verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming , opgemaakt van de bodemsanering op het perceel Kalverringdijk 59 te Zaandam, gemeente Zaanstad.

Uitspraak



201010509/1/M2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college ingestemd met het verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming , opgemaakt van de bodemsanering op het perceel Kalverringdijk 59 te Zaandam, gemeente Zaanstad.

Bij besluit van 22 juli 2010, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 2 september 2010 en doorgezonden naar de Raad van State, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2011, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college vertegenwoordigd door mr. B.S. Abdoelkariem, werkzaam bij de gemeente, en mr. H. Aslander, zijn verschenen. Op de zitting heeft de Afdeling het college verzocht de gegeven toelichting op schrift te stellen. Deze schriftelijke uiteenzetting is op 17 maart 2011 ingekomen bij de Raad van State.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Het gaat hier om de sanering van het perceel Kalverringdijk 59 te Zaandam. De totale saneringsoppervlakte bedraagt 5.200 m2. Een deel, 4.000 m2, van het perceel is in eigendom van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sepeba B.V. Het overige deel, 1.200 m2, is in eigendom van [appellante]. In opdracht van Sepeba is voor de gehele locatie op 18 oktober 1994 een saneringsplan opgesteld.

Bij besluit van 5 januari 1995 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ingestemd met het saneringsplan voor het gehele perceel Kalverringdijk 59 met een totale saneringsoppervlakte van 5.200 m2.

Nadien is het perceel Kalverringdijk 59 kadastraal gesplitst en opnieuw genummerd. De Kalverringdijk 59 bestaat sedertdien alleen nog uit het deel van 1.200 m2 dat in eigendom is van [appellante]. Het deel dat in eigendom is van Sepeba is vernummerd tot Kalverringdijk 43 en Kalverringdijk 43A.

2.2. Met ingang van 1 januari 2001 is op grond van artikel 88, eerste en zevende lid, van de Wet bodembescherming en artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, in samenhang bezien, de gemeente Zaanstad gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van onder meer de artikelen 38, derde en vierde lid, 39, 39c en 39d, derde, vierde en vijfde lid van de Wet bodembescherming. De hierna vermelde besluiten zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

2.3. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het college ingestemd met de wijziging van het saneringsplan. De wijziging betreft het faseren van de sanering door het uitvoeren van een deelsanering op de percelen Kalverringdijk 43, 43A, de zogenoemde eerste en tweede fase, en het uitvoeren van een deelsanering op het perceel Kalverringdijk 59, de zogenoemde derde fase. De eerste en tweede fase van de sanering zijn reeds uitgevoerd en beschreven in de saneringsevaluaties van Landview van 1 oktober 1996 en 20 april 2006.

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het college het besluit van 31 januari 2007 gewijzigd door de formulering van het gestelde saneringsdoel aan te passen en door de toevoeging van een kadastraal nummer aan de opsomming van de kadastrale percelen waarop de beschikking betrekking heeft.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college ingestemd met het verslag, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming , dat is opgemaakt van de eerste en tweede fase van de sanering.

2.4. Op 8 maart 2010 heeft [appellante] het evaluatieverslag van de derde fase van de sanering naar het college verzonden. Het college heeft bij besluit van 18 maart 2010 ingestemd met dit evaluatieverslag en tevens vanwege de restverontreiniging die nog in de bodem aanwezig is, een beperking in het gebruik van de bodem vastgesteld. Deze beperking luidt als volgt: "de isolatielaag in de vorm van bebouwing en de leeflaag moeten in stand worden gehouden. Graafwerkzaamheden dieper dan 1 meter of onder de signaleringslaag moeten bij de gemeente worden gemeld. Deze beperking heeft uitsluitend betrekking op fase 3 van de bodemsanering".

2.5. Niet in geschil is dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het evaluatieverslag met betrekking tot de sanering van het perceel Kalverringdijk 59. Het beroepschrift is alleen gericht tegen de in het besluit van 18 maart 2010 gestelde gebruiksbeperking ten aanzien van het perceel Kalverringdijk 59, die in het bestreden besluit is gehandhaafd.

2.6. [appellante] betoogt allereerst dat ten onrechte een beperking in het gebruik van de bodem voor het perceel Kalverringdijk 59 is vastgesteld.

2.6.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier, als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39c, eerste lid, voor zover thans van belang, doet degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, na de uitvoering van de sanering daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan het bevoegd gezag.

Ingevolge artikel 39c, tweede lid, behoeft het verslag de instemming van het bevoegd gezag, die slechts met het verslag instemt indien is gesaneerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 3 8.

Ingevolge artikel 39d, eerste lid en eerste volzin, wordt, indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag bedoeld in artikel 39c is aangegeven dat beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door de degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die beperkingen in het gebruik of die maatregelen worden beschreven.

Ingevolge artikel 39d, derde lid, voor zover thans van belang, behoeft het nazorgplan instemming van het bevoegd gezag, die slechts met het nazorgplan instemt indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel 39d, vierde lid, kan bij de beschikking tot instemming met het nazorgplan het bevoegd gezag aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de bodem aan het bevoegd gezag dient te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding kan het bevoegd gezag bepalen dat een aanvullende sanering zal plaatsvinden.

2.6.2. Uit artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming vloeit voort dat, indien na de sanering nog een restverontreiniging in de bodem aanwezig is, de noodzaak van beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem dient te worden vermeld. Uit artikel 39d, eerste lid, van die wet vloeit voort dat in dat geval die beperkingen of maatregelen in het nazorgplan dienen te worden beschreven.

In het evaluatieverslag met betrekking tot de derde fase, de sanering van het perceel Kalverringdijk 59, wordt geconcludeerd dat, conform het saneringsplan van 18 oktober 1994, na de sanering nog verontreiniging in de bodem is achtergebleven. Op pagina 11 van het evaluatieverslag is ten aanzien van de nazorg beschreven dat de plicht bestaat de isolerende laag en de bebouwing te handhaven. Graafwerk in de originele laag is niet toegestaan zonder goedkeuring van het bevoegd gezag. Daarbij is vermeld dat als er toch graafwerkzaamheden tot in de originele grond op circa 1 - 1,5 meter zijn voorzien, een melding moet worden gedaan. Het college heeft onweersproken naar voren gebracht dat het evaluatieverslag in zoverre opgevat moet worden als een nazorgplan, als bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming en dat in het besluit van 18 maart 2010 tevens is ingestemd met dit nazorgplan. Het college kon onder deze omstandigheden in redelijkheid op grond van artikel 39d, derde en vierde lid, van de Wet bodembescherming een gebruiksbeperking stellen ten aanzien van het perceel Kalverringdijk 59 en daarbij vermelden dat graafwerkzaamheden dieper dan 1 meter of onder de signaleringslaag gemeld moeten worden bij de gemeente.

De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellante] betoogt verder dat, wanneer geoordeeld wordt dat de gebruiksbeperking voor haar perceel wel mocht worden gesteld, deze gebruiksbeperking ten onrechte niet in het besluit van 24 mei 2007 is gesteld voor de percelen Kalverringdijk 43 en 43A, terwijl aan de sanering van deze percelen hetzelfde saneringsplan van 18 oktober 1994 ten grondslag ligt waarvoor op 5 januari 1995 goedkeuring is verleend.

2.7.1. Het college heeft er ter zitting en in de brief van 16 maart 2011 op gewezen dat in het saneringsplan van 18 oktober 1994, dat ziet op de sanering van zowel het perceel van [appellante] als de percelen van Sepeba, is vermeld dat "om toekomstig contact met de nog resterende licht tot matige verontreiniging te voorkomen vervolgens een leeflaag zal worden aangebracht. De gehele locatie wordt hiertoe afgedekt met een schone laag zand of grond van 0,5 meter dikte. Ter plaatse van de toekomstige woningen is zo een schone leeflaag gecreëerd van 1 meter dikte. Tussen de schone en nog verontreinigde grond dient een signaallaag te worden aangebracht van waterdoorlatend wegendoek. Daarbij moet wel rekening worden gehouden dat de toekomstige kabels en leidingen in schone grond komen te liggen". Het college heeft daaraan de conclusie verbonden dat dit zowel voor de percelen van Sepeba als voor het perceel van [appellante] de gebruiksbeperking meebrengt dat de aangebrachte leeflaag in stand moet worden gehouden en dat, zonder melding, niet dieper dan 1 meter in de grond gegraven mag worden.

Het college heeft ter zitting voorts uiteengezet dat dergelijke gebruiksbeperkingen ten tijde van het nemen van het besluit van 24 mei 2007 niet uitdrukkelijk in de betrokken besluiten werden vermeld, maar dat het beleid op dit punt ter wille van de duidelijkheid is gewijzigd zodat er aanleiding was in het besluit van 18 maart 2010 de gebruiksbeperking wel te vermelden.

Gelet op die beleidswijziging levert de enkele omstandigheid dat de gebruiksbeperking in het besluit van 24 mei 2007 niet is vermeld, maar in het besluit van 18 maart 2010 wel, geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellante] voert voorts aan dat ten onrechte de gebruiksbeperking voor het perceel Kalverringdijk 59 is ingeschreven in het kadaster en het gemeentelijk beperkingenregister, terwijl voor de percelen Kalverringdijk 43 en 43A geen gebruiksbeperkingen in het kadaster en het gemeentelijk beperkingenregister zijn ingeschreven.

2.8.1. Een eventuele onjuistheid in de inschrijving van het besluit zou niet betekenen dat het besluit zelf onjuist is, maar alleen de wijze van inschrijving. Een dergelijke onjuistheid kan niet tot vernietiging van het besluit leiden.

De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante] voert in het nader stuk van 17 februari 2011 tevens aan dat de opgelegde gebruiksbeperking tot praktische uitvoeringsproblemen kan leiden, met name voor het geval de waterleiding dieper dan 1 meter in de grond zou liggen.

De Afdeling overweegt dat blijkens het saneringsplan van 18 oktober 1994 toekomstige kabels en leidingen in schone grond moeten liggen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waterleiding niet in de schone grond ligt en evenmin dat anderszins niet aan de gebruiksbeperking kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Voor zover [appellante] in het nader stuk van 17 februari 2011 stelt dat omliggende percelen evenzeer zijn verontreinigd en derhalve ook gesaneerd hadden moeten worden en aan dezelfde gebruiksbeperking hadden moeten worden onderworpen, overweegt de Afdeling dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om gelijke gevallen. Derhalve leidt het betoog, wat daar ook van zij, niet tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het recht is.

De beroepsgrond faalt.

2.11. Voor zover [appellante] in het nader stuk van 17 februari 2011 de Afdeling verzoekt te bewerkstelligen dat het college een regeling met haar treft om de waardedaling van het perceel, vanwege de gebruiksbeperking die is gesteld, te compenseren, overweegt de Afdeling dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van het bestreden besluit ter beoordeling van de Afdeling staat. Een regeling zoals [appellante] wenst kan daarom thans niet aan de orde komen.

2.12. Het beroep is ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

375-590.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature