< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft de minister aan [appellant] en Britt Horeca B.V. in totaal € 116.707,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2003 tot de dag van uitbetaling, aan schadevergoeding toegekend.

Uitspraak



201006536/1/H2.

Datum uitspraak: 20 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kruiningen, gemeente Reimerswaal,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) van 27 mei 2010 in zaak nr. 08/1079 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2008 heeft de minister aan [appellant] en Britt Horeca B.V. in totaal € 116.707,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2003 tot de dag van uitbetaling, aan schadevergoeding toegekend.

Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft hij, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herroepen, dat ook de na het conceptadvies en voorafgaand aan het nemen van dat besluit in redelijkheid gemaakte kosten voor deskundige bijstand in het kader van de schadevaststelling worden vergoed.

Bij uitspraak van 27 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door L.T. de Lange, adviseur te Nieuwerkerk a/d IJssel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. van der Weel-van der Neut, werkzaam in dienst van Rijkswaterstaat Zeeland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling) kent de minister aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Volgens het derde lid wordt de vergoeding bepaald in geld , maar kan de minister de vergoeding in andere vorm toekennen.

Volgens artikel 10 kunnen de kosten van rechts- dan wel andere deskundigenbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, indien bij de indiening en de behandeling van het verzoek, zowel het inroepen van rechts- dan wel andere deskundigenbijstand, als de kosten daarvan redelijk zijn te achten.

2.2. [appellant] exploiteerde op de [locatie] te Kruiningen een cafetaria annex wachtlokaal. Op 15 maart 2003 is de Westerscheldetunnel in gebruik genomen en is de autoveerdienst Kruiningen-Perkpolder gestaakt. [appellant] heeft kort daarna de exploitatie gestaakt wegens het wegvallen van klandizie. Bij brief van 4 juli 2003 heeft hij de minister verzocht om vergoeding van de schade die hij daardoor heeft geleden. De minister heeft dat verzoek aangemerkt als om nadeelcompensatie op de voet van de Regeling en het ter advisering aan de Schadecommissie Westerschelde Oeververbinding (hierna: de commissie) voorgelegd. Het advies van de commissie is aan het besluit van 20 juni 2008 ten grondslag gelegd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2005 in zaak nr. 200404817/1 (LJN: AT0572) te overwegen dat, nu het verzoek om schadevergoeding is behandeld als om vergoeding van planologische schade en daarbij is getoetst aan de criteria die voor de beoordeling van verzoeken om vergoeding van planschade gelden, in zoverre is tegemoetgekomen aan de grief, dat het planschadevergoedingsrecht van toepassing is, heeft miskend dat de minister ook de Regeling heeft toegepast en hij hierdoor is benadeeld.

2.3.1. Voor zover [appellant] aldus heeft beoogd te betogen dat de minister door toepassing van het planschadevergoedingsrecht een verkeerde peildatum voor het ontstaan en bepalen van de omvang van de schade heeft gehanteerd, kan dat betoog, gelet op hetgeen hierna onder 2.4. wordt overwogen, niet slagen.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank, door onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007 in zaak nr. 200609019/1 (LJN: BA8139) te overwegen dat de schade door een besluit van de ministerraad van 29 september 1995 is veroorzaakt en de minister die dag terecht als peildatum voor het ontstaan en bepalen van de omvang van de schade van het schadeveroorzakende besluit heeft gehanteerd, die uitspraak verkeerd heeft gelezen en miskend dat het besluit van de ministerraad slechts betekenis heeft voor het bepalen van de voorzienbaarheid van de schade. Uit die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan het betoog en de daarop gegeven toelichting niet afdoen, heeft de rechtbank met juistheid afgeleid dat, bij overeenkomstige toepassing van de voor het vergoeden van planschade geldende maatstaven, de dag van het schadeveroorzakende besluit tot het realiseren van de Westerscheldetunnel en niet die van het in gebruik nemen van die tunnel de in aanmerking te nemen peildatum is.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door onder verwijzing naar de uitspraak van 27 juni 2007 te overwegen dat de minister er bij het vaststellen van de schadevergoeding terecht rekening mee heeft gehouden dat hij zijn onderneming na 29 september 1995 nog geruime tijd heeft kunnen voortzetten en zich aan de nieuwe situatie heeft kunnen aanpassen, heeft miskend dat hij, gezien de voor het gebruikmaken van het Veerplein voor het houden van een cafetaria annex wachtlokaal verleende vergunning en de met de Dienst Domeinen gesloten huurovereenkomst, destijds geen andere keuze had dan de exploitatie tot het moment van opheffing van de autoveerdienst voort te zetten en die uitspraak geen betrekking heeft op een vergelijkbaar geval.

2.5.1. Dat betoog faalt evenzeer. Dat [appellant] de exploitatie na de peildatum heeft kunnen voortzetten, betekent niet dat hij geen andere keuze had. Dat hij, anders dan degene, wiens verzoek om schadevergoeding tot de uitspraak van 27 juni 2007 heeft geleid, de exploitatie eerst kort na het beëindigen van de autoveerdienst heeft gestaakt, laat onverlet dat hij het cafetaria van 29 september 1995 tot 15 maart 2003 heeft kunnen exploiteren en zich in die periode aan de nieuwe situatie heeft kunnen aanpassen.

2.6. [appellant] betoogt ook tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de minister bij het berekenen van de inkomensschade ten onrechte als kapitalisatiefactor niet 10 heeft gehanteerd. In de bij de brief van 4 juli 2003 behorende berekening heeft hij bij het stellen van de inkomensschade als kapitalisatiefactor 7 toegepast en de minister heeft dat in het besluit van 20 juni 2008, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de commissie, evenzeer gedaan. [appellant] heeft in bezwaar en beroep niet aangevoerd dat de minister dat ten onrechte heeft gedaan. Het betoog in hoger beroep kan onder deze omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat de rechtbank heeft miskend dat de inkomensschade op basis van een onjuiste kapitalisatiefactor is berekend.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat hij niet aan de criteria van het door de minister voor het aanbieden van een vervangende locatie gevoerde beleid voldoet en de minister het beroep op dat beleid in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, heeft miskend dat dat beleid ook ziet op gevallen als het zijne, zodat de minister gehouden was hem een vervangende locatie aan te bieden.

2.7.1. Ook dat betoogt faalt. [appellant] valt niet onder een doelgroep van door de minister met betrekking tot het aanbieden van een vervangende locatie gevoerde beleid. Verder heeft de minister zich in het besluit van 15 oktober 2008 op het standpunt gesteld dat er geen mogelijkheden zijn om hem een vervangende locatie aan te bieden. Nu [appellant] het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister hem ten onrechte geen vervangende locatie heeft aangeboden.

2.8. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister hem in voldoende mate is tegemoetgekomen door een vergoeding aan te bieden voor de in de periode tussen het conceptadvies van de commissie en het nemen van het besluit van 20 juni 2008 in redelijkheid gemaakte kosten voor deskundige bijstand, heeft miskend dat de minister daarmee het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, nu in een vergelijkbaar geval de kosten van deskundige bijstand volledig zijn vergoed.

2.8.1. Ten aanzien van het betoog dat de voorafgaand aan het conceptadvies van de commissie opgekomen kosten van deskundige bijstand in zijn geval ten onrechte niet zijn vergoed, wordt overwogen dat vergoeding van die kosten, gelet op artikel 10 van de Regeling, niet is uitgesloten. Dat, zoals de minister ter toelichting van het besluit van 15 oktober 2008 heeft gesteld, die kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, is derhalve niet juist. Dat besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. Het betoog slaagt.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 15 oktober 2008 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, doch slechts voor zover de voorafgaand aan het conceptadvies van de commissie opgekomen kosten van deskundige bijstand daarbij niet voor mogelijke vergoeding in aanmerking zijn genomen.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 mei 2010 in zaak nr. 08/1079;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober 2008, kenmerk 3376, voor zover de voorafgaand aan het conceptadvies van de Schadecommissie Westerschelde Oeververbinding bij [appellant] opgekomen kosten van deskundige bijstand daarbij niet voor mogelijke vergoeding in aanmerking zijn genomen;

V. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 369,00 (zegge: driehonderdnegenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011

452.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature