< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Hof wijst verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte alsnog toe. Het hoeft niet aannemelijk te zijn dat er voldoende baten aanwezig zijn of zullen zijn om (tenminste) de kosten van het faillissement te kunnen voldoen.

Uitspraak



Arrest d.d. 7 april 2011

Zaaknummer 200.083.927

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Arrest in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. P.T. Huisman, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste instantie

Bij beschikking van 8 maart 2011 heeft de rechtbank Groningen het verzoek tot faillietverklaring van [appellante] afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 maart 2011, heeft [appellante] verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende haar in staat van faillissement te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 30 maart 2011 is de zaak behandeld. Verschenen is [appellante], bijgestaan door mr. M.E. Derix (een kantoorgenote van mr. Huisman). Ter zitting heeft mr. Derix een lijst van schuldeisers van [appellante] en twee arresten overgelegd (Hof

's-Gravenhage, 10 mei 1974, NJ 1975, 267 en HR, 11 februari 1988, NJ 1989, 641).

De beoordeling

Inleiding

1. Op 4 maart 2011 is ter griffie van de rechtbank een verklaring opgemaakt van [appellante], inhoudende dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, op grond waarvan is verzocht haar in staat van faillissement te verklaren.

2. De rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2011 beslist zoals hiervoor, bij "Het geding in eerste instantie", staat vermeld.

3. De rechtbank is van oordeel dat met de faillietverklaring van [appellante] geen redelijk belang is gediend nu gebleken is dat [appellante] geen vermogen heeft, wat ten goede zou kunnen komen aan haar schuldeisers. De kosten van het faillissement zullen volgens de rechtbank niet voldaan kunnen worden.

4. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift geeft [appellante] aan dat zij na beëindiging van haar huwelijk is achtergebleven met een schuld van naar schatting in totaal

€ 160.000,-- aan verschillende schuldeisers. [appellante] wordt ervan verdacht dat zij verkeerde opgaven aan de gemeente Groningen heeft verstrekt tijdens de periode waarin zij een bijstandsuitkering genoot. Er loopt thans een strafrechtelijk onderzoek waarvan de uitkomst nog niet duidelijk is. Wel heeft de gemeente Groningen aangegeven dat een bedrag van ongeveer € 25.000,-- aan uitkering van haar zal worden teruggevorderd. [appellante] verklaart dat haar situatie het moeilijk maakt voor haar om een verzoek in te dienen tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het verzoek dat zij bij de Groninger Kredietbank had ingediend, is gelet op haar situatie als weinig kansrijk terzijde geschoven.

Nu zij verschillende schuldeisers heeft, zij niet in staat is deze te betalen en een schuldsaneringsregeling tot de onmogelijkheden lijkt te behoren, is volgens [appellante] haar faillissement de enige uitweg uit haar financieel deplorabele situatie.

Het oordeel

5. Op grond van artikel 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) wordt de schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer van zijn schuldeisers, in staat van faillissement verklaard.

6. Gelet op artikel 6, derde lid, Fw wordt in het geval dat de schuldenaar zelf het verzoek doet, de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden, welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

7. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] een lijst overgelegd waarop haar schuldeisers worden vermeld. Mr. Derix heeft een aantal van deze schulden toegelicht. Het hof is van oordeel dat op grond hiervan summierlijk is gebleken dat [appellante] verscheidene schuldeisers heeft. Tevens is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken dat [appellante] thans onvoldoende financiële middelen tot haar beschikking heeft om deze schulden te kunnen voldoen. Hiermee is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken dat [appellante] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

8. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat, wil een verzoek ex artikel 1 Fw kunnen worden toegewezen, niet aannemelijk hoeft te zijn dat er voldoende baten aanwezig zijn of zullen zijn om (tenminste) de kosten van het faillissement te kunnen voldoen. De wet stelt naar het oordeel van het hof niet een dergelijke eis. Evenmin kan gezegd worden dat de gedane aangifte geen redelijk, door de Faillissementswet beschermd belang dient. Nog daargelaten dat de wet imperatief voorschrijft dat de schuldenaar van wie aannemelijk is dat deze in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen, op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard wordt, is het belang bij een dergelijke aangifte ook daarin gelegen dat de te benoemen faillissementscurator niet alleen de stand van de boedel nader onderzoek, maar ook eventuele mogelijkheden kan bezien om door de gefailleerde (alsnog) een akkoord te doen aanbieden, dan wel om het faillissement op de voet van het bepaalde bij artikel 15b Fw in een schuldsanering te doen omzetten (vgl. ook hof Amsterdam, 23 juni 2009, LJN: BJ8512).

Slotsom

9. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verklaart [appellante] in staat van faillissement;

benoemt tot rechter-commissaris mr. A.L. Goederee, rechter in de rechtbank Groningen;

stelt aan tot curator mr. P. Lettinga, advocaat te Groningen;

geeft last aan de curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, voorzitter, B.J.H. Hofstee en J.P. Evenhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 april 2011 in bijzijn van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature