< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Projectbesluit voor een paardenfokkerij. Volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf. Criteria. Terughoudende toets.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/30

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

1. [naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

2. [naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

3. [naam] en [naam],

wonende te [woonplaats],

tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. G.B. de Jong, advocaat te Hoogezand,

en

1. de raad van de gemeente Achtkarspelen,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen,

verweerders,

gemachtigde: B.J.H. Zuur, werkzaam bij de gemeente Achtkarspelen.

Procesverloop

Op 7 oktober 2010 heeft de raad van de gemeente Achtkarspelen (hierna: de gemeenteraad) een projectbesluit genomen ten behoeve van de verwezenlijking van een paardenfokkerij met een bedrijfswoning op het perceel aan de [adres] (hierna: het perceel). Vervolgens heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen (hierna: het college) voor dit project op 28 oktober 2010 een reguliere bouwvergunning verleend aan [naam vergunninghouder] (hierna: [naam vergunninghouder]). Tegen deze besluiten hebben eisers beroep aangetekend. Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is de vergunninghouder [naam vergunninghouder] door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 4 maart 2011. De onder 2 en 3 genoemde eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens is namens eisers als deskundige verschenen T. Rijpma, werkzaam bij Kalkulatieburo Sneek B.V. te Sneek. De rechtbank heeft Rijpma, die de belofte heeft afgelegd, vragen gesteld. Tevens heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om Rijpma vragen te stellen. De gemeenteraad en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. [naam vergunninghouder] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H. Veldman, advocaat te Peize.

Motivering

Feiten

1.1 Op 1 april 2009 heeft [naam vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning aangevraagd ten behoeve van het onderhavige project. Hij heeft deze aanvraag vergezeld doen gaan van een rapport van 22 mei 2006 van [X], werkzaam bij de sectie paardenhouderij van DLV Bouw, Milieu en Techniek BV, dat onderdeel vormt van het adviesbureau DLV Dier Groep BV, gevestigd te Deventer. In dit rapport (hierna: het DLV-rapport) is geconcludeerd dat de door [naam vergunninghouder] beoogde paardenfokkerij een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf is.

1.2 Ingevolge het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" kan op het perceel, dat de bestemming "Agrarische doeleinden, categorie AG-E (agrarisch gebied met elzensingels)" heeft, geen paardenfokkerij worden gerealiseerd, niet vanwege de aard van het project, maar omdat op het perceel geen bebouwingsvlak aanwezig is. Omdat het project op dit punt in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, is de bouwaanvraag tevens opgevat als een verzoek om een projectbesluit te nemen.

1.3 Op 8 januari 2010 heeft het college eisers meegedeeld dat het kan instemmen met de conclusie in het DLV-rapport dat de paardenfokkerij een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf is en dat er ruimtelijk gezien geen belemmeringen bestaan om deze fokkerij te vestigen, zodat er geen belemmeringen bestaan om mee te werken aan dit project. Het college heeft eisers dan ook te kennen gegeven dat de daartoe benodigde procedure voortgezet zal worden, in welk kader alle op deze procedure betrekking hebbende stukken en de concept-bouwvergunning ter inzage gelegd zullen worden en belanghebbenden in de gelegenheid zullen worden gesteld hun zienswijze te geven.

1.4 Op 19 februari 2010 hebben eisers hun zienswijze gegeven op het voornemen om ten behoeve van het project een projectbesluit te nemen en vervolgens een bouwvergunning te verlenen. In dat kader hebben zij, ter betwisting van het DLV-rapport, een rapport van 16 april 2010 van [Y], werkzaam bij de GIBO Groep te Assen, overgelegd. In dit rapport (hierna: het GIBO-rapport) is geconcludeerd dat de paardenfokkerij geen bijdrage kan leveren aan het levensonderhoud van [naam vergunninghouder], zodat geen sprake is van een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf. Op 16 augustus 2010 heeft [naam vergunninghouder] deze conclusie betwist.

1.5 Op 7 oktober 2010 en 28 oktober 2010 zijn de thans bestreden besluiten genomen.

Beoordeling van het geschil

2.1 Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals die bepaling luidde ten tijde van de bouwaanvraag, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. Op grond van het tweede artikellid bevat een dergelijk besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project. Op grond van het derde artikellid kunnen aan een projectbesluit voorschriften en beperkingen worden verbonden, welke tevens kunnen strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project.

2.2 Vast staat dat het project in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en dat het nemen van een projectbesluit als het onderhavige noodzakelijk is voor het realiseren van het project. Artikel 3:10, eerste lid, van de Wro betreft een discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van de gemeenteraad om ten behoeve van de verwezenlijking van het project een projectbesluit te nemen terughoudend dient te toetsen. Aan de orde is of de gemeenteraad na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kon besluiten om het projectbesluit te nemen.

2.3 In de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit heeft de gemeenteraad aangegeven dat het perceel in het thans in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" ook de bestemming "Agrarische doeleinden, categorie AG-E (agrarisch gebied met elzensingels)" zal krijgen, maar dan met een bebouwingsvlak. Tussen partijen is niet in geding dat op het perceel op basis van het toekomstige bestemmingsplan "Buitengebied" in beginsel een paardenfokkerij is toegestaan. De raad heeft aangegeven dat hij, vooruitlopend op het toekomstige bestemmingsplan, alleen dan instemt met een project als het onderhavige indien aannemelijk wordt gemaakt dat er (op termijn) sprake is van een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf. Volgens de gemeenteraad is (op termijn) sprake van een volwaardige en duurzame paardenfokkerij indien dit bedrijf productieve werkgelegenheid voor tenminste één persoon oplevert en het bedrijf ten behoeve van de exploitatie feitelijk beschikt over tenminste tien hectare weidegrond. Met deze eisen wil de gemeenteraad voorkomen dat zich in het agrarische buitengebied hobbyboeren gaan vestigen. De rechtbank acht deze gedragslijn en de hiermee verband houdende eisen niet kennelijk onredelijk.

2.4 In paragraaf 6.1 van het DLV-rapport heeft [X] aangegeven dat de paardenfokkerij werk genereert voor meer dan één persoon, namelijk 1,75 VAK (Volwaardig Arbeids Kracht). Daarnaast is aangegeven dat [naam vergunninghouder] over tien hectare weidegrond beschikt, waarvan ruim zeven hectare bij het bedrijf. Gelet op deze gegevens, die eisers niet hebben betwist, heeft de gemeenteraad de door [naam vergunninghouder] gewenste paardenfokkerij als een (op termijn) volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf mogen beschouwen en mogen aannemen dat van hobbymatige activiteiten geen sprake is. Het door eisers ingebrachte GIBO-rapport geeft de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. In het GIBO-rapport heeft [Y] weliswaar uitvoerig uiteengezet wat volgens hem nodig is om een paardenfokkerij als het onderhavige in bedrijfseconomische zin tot een succes te maken, maar [Y] heeft bij de beoordeling of sprake is van een volwaardige en duurzame paardenfokkerij als uitgangspunt genomen dat een dergelijk bedrijf niet alleen een inkomen moet genereren voor [naam vergunninghouder], maar ook voor zijn echtgenote en zijn dochter. Deze eis (gezinsinkomen) wordt echter door de gemeenteraad niet gesteld. Reeds hierom komt aan het GIBO-rapport geen betekenis toe. Ook het op 10 januari 2011 door Rijpma opgestelde en door hem ter zitting toegelichte overzicht van de kosten die volgens hem gemoeid zijn met de bouw van de paardenfokkerij (inclusief bedrijfswoning) geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Met dit overzicht willen eisers, naar de rechtbank begrijpt, weliswaar aantonen dat [naam vergunninghouder] de bouwkosten van zijn project te laag heeft ingeschat waardoor het nog maar de vraag is of het project in bedrijfseconomische zin levensvatbaar is, maar ook dit overzicht en de daaraan door eisers verbonden conclusies gaan er ten onrechte van uit dat de paardenfokkerij een gezinsinkomen moet opleveren. In die zin komt geen betekenis toe aan het door Rijpma opgestelde overzicht.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de gemeenteraad heeft mogen aannemen dat op het perceel een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf gevestigd zal worden en dat van hobbymatige activiteiten geen sprake zal zijn. Van omstandigheden op grond waarvan de gemeenteraad geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om ten behoeve van het project van [naam vergunninghouder] een projectbesluit te nemen, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de gemeenteraad de woonbelangen van eisers had moeten laten prevaleren boven de bedrijfsbelangen van [naam vergunninghouder]. De gemeenteraad heeft dus in redelijkheid tot het projectbesluit kunnen komen.

2.6 Met het verleende projectbesluit is de strijdigheid van het project met het vigerende bestemmingsplan opgeheven. Verder is niet gesteld of gebleken van andere gronden om de bouwvergunning te weigeren. Dit betekent dat het college, gelet op het imperatief limitatief systeem van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet , gehouden was de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

2.7 Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

3.1 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.

w.g. J.R. Leegsma

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature