< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

7:317 BW

Schriftelijke vastlegging van pachtovereenkomst en pachtwijzigingsovereenkomst. Het hof draagt bewijs op aan pachter van instemming van verpachter met opvolging in de pacht van vader door zoon. Eigenrichting en bewijslast.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.074.435

(zaaknummer rechtbank 373215)

arrest van de pachtkamer van 22 maart 2011

inzake

1. [appellant A],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant B],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.K.E. Buysrogge.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 december 2009 en 1 september 2010, die de pachtkamer van de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Oude IJsselstreek, tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellant A] en [appellant B]) als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser in conventie en verweerder in reconventie heeft gewezen. Van genoemd vonnis van 1 september 2010 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

¦ de dagvaarding in hoger beroep van 21 september 2010;

¦ de memorie van grieven;

¦ de memorie van antwoord, onder meer blijkens haar conclusie tevens houdende incidenteel hoger beroep;

¦ de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mrs. Van Mierlo en Buysrogge.

2.2 Bij gelegenheid van de pleitzitting heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 [appellant A] en [appellant B] zijn thans eigenaar van respectievelijk het perceel kadastraal bekend [.....] ha en het aangrenzende perceel van dezelfde kadastrale gemeente en sectie, [.....] ha (hierna: de percelen). De percelen waren aanvankelijk beide eigendom van een of meer leden van de familie [C] (hierna: [C]). [appellant A] heeft in 2006 de percelen verkregen uit de nalatenschap van het laatst overgebleven lid van bedoelde familie. Bij akte van levering van 20 oktober 2009 is de eigendom van het perceel met [.....] door haar overgedragen aan [appellant B].

3.3 De vader van [geïntimeerde] (hierna: [D]) heeft in of omstreeks 1980 met toestemming van [C] de percelen ten behoeve van zijn melkveebedrijf in gebruik genomen, aanvankelijk als grasland. Vanaf 1991 heeft [D] samen met [geïntimeerde] zijn bedrijf in maatschapsverband voortgezet. Met ingang van 1 januari 1999 is de maatschap tussen [D] en [geïntimeerde] ontbonden en heeft [geïntimeerde] het bedrijf voortgezet.

3.4 [D] voldeed als tegenprestatie voor het gebruik jaarlijks een bedrag van ƒ 3.000,— aan [C]. Vanaf 1991 vonden de betalingen plaats door [geïntimeerde]. Vanaf 2006 tot 2009 heeft [geïntimeerde] jaarlijks € 1.362,— voldaan op het rekeningnummer van [appellant A].

3.5 In het voorjaar van 2009 heeft [appellant B] de percelen in gebruik genomen, gras ingezaaid, een afrastering geplaatst en beplantingen aangebracht.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In dit geding heeft [geïntimeerde] in conventie vastlegging van een pachtovereenkomst gevorderd en ontruiming van de percelen, met nevenvorderingen. Bij het vonnis van 1 september 2010 heeft de pachtkamer in eerste aanleg wat betreft beide percelen een pachtovereenkomst vastgelegd tussen [appellant B] als verpachter en [geïntimeerde] als pachter en heeft zij [appellant B] bevolen de percelen te ontruimen.

4.2 Met grief 1 stellen [appellant A] en [appellant B] zich op het standpunt dat (in ieder geval) niet juist is dat ook wat betreft het perceel met [.....] een pachtovereenkomst is vastgelegd tussen [appellant B] en [geïntimeerde], omdat immers niet [appellant B] maar [appellant A] eigenaar van dat perceel is. Deze grief slaagt, evenals de overeenkomstige grief in het incidenteel beroep (memorie van antwoord, reactie op grief 1 in het principaal beroep en conclusie op p. 5). Ook grief 3 slaagt. Bij het vonnis (of arrest) waarbij een pachtovereenkomst wordt vastgelegd, behoort de inhoud van de overeenkomst zo nauwkeurig mogelijk te worden omschreven, onder meer wat betreft het ingangstijdstip en de overeengekomen duur.

4.3 Vervolgens zal het hof de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] opnieuw beoordelen, met inachtneming van hetgeen partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren hebben gebracht.

4.4 In het licht van zijn stellingen bij memorie van antwoord onder 1 moet de vordering van [geïntimeerde] – overeenkomstig hetgeen het hof bij gelegenheid van de pleitzitting aan partijen reeds heeft voorgehouden – aldus worden uitgelegd dat hij (naast ontruiming) vastlegging vordert van een pachtovereenkomst met ingang van het seizoen 1980 en voor onbepaalde tijd tussen [C] als verpachter en [D] als pachter en van een pachtwijzigingsovereenkomst per 1 januari 1999 waarbij [geïntimeerde] in de plaats van zijn vader is gesteld.

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat [D] met toestemming van [C] de percelen ten behoeve van zijn melkveebedrijf in gebruik had en evenmin dat deze voor dat gebruik betaalde. Daarmee staat vast dat tussen [D] en [C] een pachtverhouding bestond. Tussen partijen is wel in geschil of [geïntimeerde] minnelijk in de plaats van zijn vader is gesteld. Zijn standpunt dat dit het geval is, grondt [geïntimeerde] zowel op de stelling dat alles altijd in goed overleg met [C] plaatsvond en dat [C] ook van de bedrijfsopvolging wist, als op de stelling dat [appellant A] in 2006 haar rekeningnummer aan hem heeft opgegeven, waaruit hij haar instemming met zijn positie van pachter afleidt.

4.6 [appellant A] en [appellant B] hebben zowel de ene als de andere stelling betwist. Wat betreft de door [geïntimeerde] gestelde instemming van [C] mogen aan die betwisting geen nadere eisen worden gesteld, omdat het immers feiten betreft uit de periode voordat zij zelf bij de pachtverhouding waren betrokken. Onvolledig bewijs van de instemming van [C] ligt besloten in de omstandigheid dat [geïntimeerde] vanaf 1999 de pachtprijs vanaf zijn bankrekening aan [C] voldeed. [geïntimeerde] dient dit onvolledig bewijs te vervolmaken door het horen van getuigen, bijvoorbeeld hemzelf en [D]

4.7 Indien [geïntimeerde] in het zojuist bedoelde bewijs niet zou slagen, is van belang zijn stelling dat [appellant A] in 2006 (met het oog op de betaling van de pachtprijs) haar rekeningnummer aan hem heeft opgegeven. Indien [appellant A], die volgens haar mededelingen ter gelegenheid van de pleitzitting in hoger beroep wist van het (voorafgaande) gebruik door [D], inderdaad haar rekeningnummer aan [geïntimeerde] heeft opgegeven, volgt daaruit haar instemming met een voortzetting van de pacht door [geïntimeerde] in plaats van [D] Door [appellant A] wordt echter betwist dat zij haar rekeningnummer aan [geïntimeerde] heeft gegeven; volgens haar heeft zij dat nummer aan [D] opgegeven en – zo begrijpt het hof – heeft zij vervolgens niet opgemerkt dat zij betalingen ontving van [geïntimeerde] in plaats van [D] Aldus is haar betwisting voldoende gemotiveerd. Het hof zal aan [geïntimeerde] (tegelijk met het onder 4.6 bedoelde bewijs) te bewijzen opdragen dat [appellant A] haar rekeningnummer aan hem heeft opgegeven.

4.8 [appellant A] en [appellant B] hebben in reconventie onder meer vergoeding gevorderd van de kosten van het aanbrengen van een afrastering, het inzaaien van gras en het uitdiepen van een sloot, door hen aangeduid als de kosten van herstel van de percelen in oorspronkelijke staat. Bovendien hebben zij gevorderd dat [geïntimeerde] de percelen zal ontruimen, ter vrije beschikking van hen (hun eis in reconventie onder 3). Zij hebben echter ten onrechte niet toegelicht op welke wijze de door hen erkende pachtovereenkomst met [D] tot een einde is gekomen. Ook indien [geïntimeerde] zowel in het onder 4.6 als het onder 4.7 bedoelde bewijs niet slaagt, kunnen [appellant A] en [appellant B] daarom op vergoeding van de door hen gemaakte kosten geen aanspraak maken. In dat geval kunnen zij evenmin aanspraak maken op oplevering van de dan aan [D] verpachte percelen. De vordering in reconventie is derhalve hoe dan ook niet toewijsbaar.

4.9 De memorie van antwoord van [geïntimeerde] bevat een vermeerdering van zijn eis. Hij vordert immers dat aan het bevel tot ontruiming de zinsnede wordt toegevoegd:

“onder meer door de door [appellant B] geplaatste afrasteringen en begroeiing te verwijderen”.

[appellant A] en [appellant B] hebben in dit verband aangevoerd dat op het gepachte oorspronkelijk een afrastering en beplantingen aanwezig zijn geweest, die door [geïntimeerde] (of [D]) zijn verwijderd en dat er in verband daarmee – zo begrijpt het hof – geen reden is om de door hen bij wijze van eigenrichting aangebrachte afrastering en beplantingen te doen verwijderen. [geïntimeerde] erkent dat een oude afrastering is verwijderd, maar voert aan dat dit met instemming van [C] heeft plaatsgevonden. Hij ontkent dat hij beplantingen heeft verwijderd, anders dan dode en een per ongeluk met de trekker geraakte boom. [appellant A] en [appellant B] dragen gelet op hun erkenning van het bestaan van een pachtverhouding (volgens hen met [D]) en de bedoelde eigenrichting de bewijslast van de door hen gestelde verwijdering door [geïntimeerde] van afrastering zonder instemming van [C] en van beplantingen, maar hebben geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Ingeval de vastleggingsvorderingen van [geïntimeerde] toewijsbaar zijn, zal het hof daarom tevens de verwijdering bevelen van de door [appellant B] geplaatste afrasteringen en begroeiingen.

4.10 Indien bij eindarrest vastlegging volgt, is sprake van een pachtprijs in één bedrag voor beide percelen. Anders dan waarvan [appellant A] en [appellant B] met hun grief 6 uitgaan, is het niet de taak van de pachtrechter om die prijs te splitsen in verband met de omstandigheid dat beide percelen thans niet langer in één hand zijn. Uiteraard hebben partijen in geval van vastlegging er wel belang bij om te weten welke pachtprijs door [geïntimeerde] aan [appellant A] respectievelijk aan [appellant B] dient te worden betaald. Het hof zal daarom in bedoeld geval aan de grondkamer in overweging geven om – ter vermijdering van een afzonderlijke procedure tot herziening van de pachtprijs in verband met gewijzigde omstandigheden als bedoeld in het tweede lid van artikel 7:333 Burgerlijk Wetboek – bij gelegenheid van de toetsing van de vastgelegde overeenkomsten een pachtprijs voor elk van de beide percelen te bepalen.

4.11 De slotsom is dat het hof aan [geïntimeerde] bewijs zal opdragen overeenkomstig hetgeen onder 4.6 en 4.7 is overwogen. Iedere verder beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe tot het onder 4.6 en 4.7 bedoelde bewijs;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, in aanwezigheid van het deskundige lid F.J.A. baron van Verschuer, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hun naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de rol van 5 april 2011, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, A.W. Steeg en P.H. Veling en de deskundige leden F.J.A. baron van Verschuer en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature