< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het verblijf van een burger van de Europese Unie kan op grond van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38 worden beëindigd. Ook bij de ongewenstverklaring van burgers van de Europese Unie wordt ingevolge het beleid van verweerder zoals neergelegd in Vc 2000 A5/6 getoetst aan het criterium van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38. Het moet gaan om het persoonlijk gedrag van betrokkene en dit gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Verzoeker heeft zich in de periode vanaf 21 januari 2008 tot aan 26 september 2010 veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven. Verzoeker is in ieder geval 11 keer door de politierechter veroordeeld vanwege winkeldiefstal en eenmaal diefstal in verenging. De opgelegde straffen variëren van één week tot - in een geval - van zes weken gevangenisstraf. Daarnaast is verzoeker in elk geval achtmaal veroordeeld en vijfmaal gedagvaard vanwege openbare dronkenschap. In aanvulling daarop heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat verzoeker op 20 december 2010 opnieuw is gedagvaard voor het plegen van winkeldiefstal. Aldus is voldoende naar voren gekomen dat het gedrag van verzoeker persoonlijk een actuele en werkelijke bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Onweersproken is dat verzoeker de strafbare feiten heeft gepleegd en ook nog vrij recent, zodat daarmee gegeven is dat de bedreiging reëel is en ook actueel. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bedreiging voldoende ernstig is. Hoewel verweerder er terecht op heeft gewezen dat verzoeker veelvuldig misdrijven heeft gepleegd, heeft verweerder, gezien de aard van deze misdrijven en de terzake door de strafrechter opgelegde straffen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat daarmee sprake is van een ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Van belang is dat het hier voornamelijk gaat om winkeldiefstallen en de politierechter in de aard en ook de frequentie van de door verzoeker gepleegde misdrijven kennelijk geen aanleiding heeft gezien verzoeker ook in de laatst bekende veroordeling van 28 september 2010 een hogere straf op te leggen dan twee weken gevangenisstraf, waarvan één voorwaardelijk, met daarnaast een geldboete. Overigens is evenmin gebleken dat het Openbaar Ministerie aanleiding heeft gezien om jegens verzoeker een straf te vorderen overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (w.o. vordering van de maatregel ISD bij stelselmatige daders) (Stcrt. 2009, nr. 10579), waarin het strafvorderingsbeleid bij stelselmatige daders en overige veelplegers is geregeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 maart 2011 (LJN: BP8895). Daarbij in aanmerking genomen dat verblijfsbeëindiging een vergaande inbreuk op een fundamenteel recht betekent, dat diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer, en waarmee terughoudend dient te worden omgegaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit in dit opzicht niet deugdelijk is gemotiveerd. Hoewel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 14 maart 2008 ( LJN: BC7784) heeft geoordeeld dat, gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring, de getroffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten, ziet de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen het unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming, in het onderhavige geval aanleiding het besluit tot ongewenstverklaring van verzoeker te schorsen. Schorsing van het gehele besluit.

Uitspraak



RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 11/1691

V-nummer: […]

Inzake: […], verzoeker,

gemachtigde mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. C. Brand.

I Procesverloop

1 Verzoeker is geboren op […] en bezit de Poolse nationaliteit. Bij besluit van 13 januari 2011 is het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en is verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) ongewenst verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt op

15 januari 2011.

2 Op 15 januari 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het besluit te schorsen en te bepalen de uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist. Daarnaast is verzocht te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 5000,- per dag zal verbeuren bij uitzettingshandelingen, dan wel gehouden is verzoeker weder toe te laten na uitzetting.

3 De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op

30 maart 2011. Ter zitting is verzoeker verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningen¬rechter toetst in dat kader of het bestreden besluit kennelijk rechtmatig dan wel kennelijk onrechtmatig is. Is van zodanige kennelijke (on)rechtmatigheid geen sprake, dan gaat de voorzieningenrechter over tot een belangenafweging. Voorzover deze toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

1.2 Ingevolge artikel 27, eerste lid, Richtlijn 2004/38 EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38) kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, moeten de om redenen van openbare orde genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en mogen die uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden gevoerd.

1.3 Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

1.4 Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 kan verweerder het rechtmatig verblijf ontzeggen of be ëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

1.5 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 , voor zover hier van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Het door verweerder gevoerde beleid ter zake van ongewenstverklaring van EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

2 Verweerder heeft het besluit van 13 januari 2011 als volgt gemotiveerd. Verzoeker heeft de Poolse nationaliteit en is derhalve Unie burger. Het verblijf van verzoeker kan op grond van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38 worden beëindigd nu het (persoonlijke) gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Uit een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 30 december 2010 is gebleken dat verzoeker in een relatief korte periode veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor diefstal en diefstal in vereniging. Daarnaast is verzoeker tienmaal veroordeeld voor delicten in de sfeer van openbare dronkenschap. Gelet op de aard en de frequentie van de misdrijven kan verzoeker als veelpleger worden aangemerkt. Verzoeker voldoet daarmee aan het criterium voor verblijfsbeëindiging. Bij het besluit heeft verweerder verzoeker tevens ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in verbinding met paragraaf A 5/6 van de Vc 2000. In het kader van de verblijfsbeëindiging is al geconcludeerd dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt in de zin van artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2004 /38. De overwegingen in het kader van de verblijfsbeëindiging dienen tevens als motivering van de ongewenstverklaring. De zogenoemde glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000 geldt als ondergrens, en die verzet zich in dit geval niet tegen ongewenstverklaring. De persoonlijke omstandigheden van verzoeker leiden niet tot een ander oordeel. Volgens verweerder is er daarom geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

3 Verzoeker stelt dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38. Verweerder maakt ten onrechte geen onderscheid tussen misdrijven en overtredingen en de aard, de ernst en de oorzaak daarvan. Van belang is de verhouding tussen de straf die maximaal kan worden opgelegd en de daadwerkelijke veroordeling. De aard en de ernst van de feiten zijn onvoldoende voor verblijfsbeëindiging. De persoonlijke omstandigheden van verzoeker zijn onvoldoende meegewogen. Verzoeker verblijft sinds 2007 in Nederland als medewerker en als zelfstandige in de bouw. Zijn sociale en economische bindingen met Nederland zijn sterker dan met Polen. De glijdende schaal is niet van toepassing en zo daaraan gewicht toekomt, is de berekening van verweerder onjuist. Bovendien moet de norm voor verzoeker als EU-onderdaan ruimer worden toegepast. Het besluit is in strijd met de artikelen 3 en 6 van het EVRM . De door verweerder bepaalde vertrektermijn van nul-uren is onjuist.

4.1 De voorzieningenrechter oordeelt het volgende.

4.2 Niet in geschil is dat verzoeker van Poolse nationaliteit is, zodat hij onderdaan is van een lidstaat en derhalve burger van de Europese Unie. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag komt verzoeker derhalve een recht toe om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Aan de uitoefening van dit recht kunnen de in die bepaling bedoelde beperkingen en voorwaarden worden gesteld, mits deze worden toegepast met inachtneming van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Niet in geschil is dat verzoeker tot op het moment van verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring op grond van artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag een recht van verblijf had.

4.3 Het verblijf van een burger van de Europese Unie kan op grond van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38 worden beëindigd. Ook bij de ongewenstverklaring van burgers van de

Europese Unie wordt ingevolge het beleid van verweerder zoals neergelegd in Vc 2000 A5/6 getoetst aan het criterium van artikel 27 van Richtlijn 2004 /38. Het moet gaan om het persoonlijk gedrag van betrokkene en dit gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen.

4.4 Niet in geschil is dat verzoeker vanaf 2007 in Nederland verblijft. Uit het uittreksel van het Justitiële documentatieregister van 30 december 2010 volgt dat verzoeker zich in de periode vanaf 21 januari 2008 tot aan 26 september 2010 veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan het plegen van misdrijven. Verzoeker is in ieder geval 11 keer door de politierechter veroordeeld. In de meeste gevallen betrof het winkeldiefstal en eenmaal diefstal in verenging. De opgelegde straffen variëren van één week tot - in een geval - van zes weken gevangenisstraf. Daarnaast is verzoeker in elk geval achtmaal veroordeeld en vijfmaal gedagvaard vanwege openbare dronkenschap. In aanvulling daarop heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat verzoeker op 20 december 2010 opnieuw is gedagvaard voor het plegen van winkeldiefstal.

4.5 Uitgangspunt bij de beoordeling of verweerder in dit geval tot verblijfsbeëindiging heeft kunnen overgaan is dat ingevolge de jurisprudentie de exceptie van openbare orde een afwijking van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen vormt, die strikt

moet worden opgevat en waarvan de draagwijdte door de lidstaten niet eenzijdig kan worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak veronderstelt het beroep van een nationale instantie op het begrip openbare orde, afgezien van de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, het bestaan van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het bestaan van een veelvoud van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf doet niet ter zake. (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese unie, van 4 oktober 2007, inzake Polat, LJN BC0057).

Zoals ook naar voren komt in de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38, 2 juli 2009, COM (2009) 313, kunnen onder bepaalde omstandigheden veelvuldig gepleegde lichte feiten een bedreiging vormen voor de openbare orde, niettegenstaande het feit dat elk strafbaar feit op zich geen voldoende ernstige bedreiging vormt voor die openbare orde.

4.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van hetgeen in overweging 4.4 is weergegeven voldoende naar voren komt dat het gedrag van verzoeker persoonlijk een actuele en werkelijke bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Onweersproken is dat verzoeker de strafbare feiten heeft gepleegd en ook nog vrij recent, zodat daarmee gegeven is dat de bedreiging reëel is en ook actueel. Verzoeker heeft deze elementen van de beoordeling niet overtuigend weten te weerleggen.

4.7 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de bedreiging voldoende ernstig is. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de aard en frequentie van de door verzoeker gepleegde misdrijven.

Hoewel verweerder er terecht op heeft gewezen dat verzoeker veelvuldig misdrijven heeft gepleegd, heeft verweerder, gezien de aard van deze misdrijven en de terzake door de strafrechter opgelegde straffen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat daarmee sprake is van een ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Verweerder geeft in het bestreden besluit aan dat de opgelegde onvoorwaardelijke straf, afgezet tegen de maximale straf, een indicatie is voor de ernst van de bedreiging. Indien die maatstaf in dit geval wordt aangelegd, leidt dat niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van een ernstige bedreiging. Van belang is dat het hier voornamelijk gaat om winkeldiefstallen en de politierechter in de aard en ook de frequentie van de door verzoeker gepleegde misdrijven kennelijk geen aanleiding heeft gezien verzoeker ook in de laatst bekende veroordeling van 28 september 2010 een hogere straf op te leggen dan twee weken gevangenisstraf, waarvan één voorwaardelijk, met daarnaast een geldboete. Overigens is evenmin gebleken dat het Openbaar Ministerie aanleiding heeft gezien om jegens verzoeker een straf te vorderen overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers (w.o. vordering van de maatregel ISD bij stelselmatige daders) (Stcrt. 2009, nr. 10579), waarin het strafvorderingsbeleid bij stelselmatige daders en overige veelplegers is geregeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 maart 2011 (LJN: BP8895). Daarbij in aanmerking genomen dat verblijfsbeëindiging een vergaande inbreuk op een fundamenteel recht betekent, dat diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer, en waarmee terughoudend dient te worden omgegaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit in dit opzicht niet deugdelijk is gemotiveerd.

4.8 De omstandigheid dat verzoeker minstens achtmaal is veroordeeld en nog vijfmaal is gedagvaard voor openbare dronkenschap mag verweerder, anders dan verzoeker stelt, meewegen. Het openbare orde criterium van artikel 27 van de Richtlijn 2004 /38 maakt immers, anders dan artikel 67 van de Vw 2000 , geen onderscheid tussen misdrijven en overtredingen, maar is in algemene termen geformuleerd.

4.9 De vraag of de verblijfsbeëindiging beoordeeld naar de normen van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000 mogelijk zou zijn, kan vooralsnog in het midden blijven. Niet in geschil is dat de glijdende schaal als zodanig niet van toepassing is op verzoeker. De stelling van verweerder dat de norm van artikel 3.86 van het Vb 2000 als ondergrens fungeert, kan door verweerder in zijn nadere motivering worden betrokken.

4.10 Nu de motivering van het besluit tot verblijfsbeëindiging als EU-onderdaan tevens ten grondslag ligt aan het besluit tot ongewenstverklaring, kleeft het geconstateerde motiveringsgebrek ook aan dit laatste besluit.

4.11 Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De overige gronden behoeven thans geen bespreking. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.

Hoewel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 14 maart 2008 ( LJN: BC7784) heeft geoordeeld dat, gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring, de getroffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten, ziet de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen het unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming, in het onderhavige geval aanleiding het besluit tot ongewenstverklaring van verzoeker te schorsen. Een tijdelijke schorsing van de mogelijkheid verzoeker uit te zetten verzekert immers onvoldoende de eerbiediging van de (verblijfs)rechten die verzoeker aan het unierecht ontleent. Voor het opleggen van een dwangsom, danwel te bepalen dat verweerder verzoeker weder toe zal laten indien hij is uitgezet, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

4.12 Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het indienen van het verzoek, vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

4.13 De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht van € 152,- door verweerder wordt vergoed.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

recht doende:

1 wijst het verzoek toe in die zin dat het besluit van 13 januari 2011 wordt geschorst;

2 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrage van € 874,-; en bepaalt dat, nu aan verzoeker een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald;

3 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 14 april 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature