< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het betoog van de minister dat de verplichting om de leges in persoon aan het IND-loket te voldoen ook reeds gold ten tijde van de indiening van de aanvraag door de vreemdeling, namelijk volgens paragraaf B1/9.6.1 van de Vc 2000, faalt, reeds omdat uit artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat de door de minister te stellen regels inzake het voldoen van de verschuldigde leges in een wettelijk voorschrift dienen te worden neergelegd. De minister voert weliswaar terecht aan dat, gelet op het ontbreken van overgangsrecht, artikel 3.34i, eerste lid, van het VV 2000 onmiddellijke werking heeft, maar dit neemt niet weg dat eerst met de inwerkingtreding van deze bepaling op 10 april 2009 een wettelijke grondslag bestaat voor het in persoon betalen van leges als vereiste voor het in behandeling nemen van een aanvraag, terwijl de vreemdeling zijn aanvraag vóór die datum heeft ingediend. Anders dan de minister betoogt, vloeit uit de bewoordingen noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.103 van het Vb 2000 voort dat in dit geval die bepaling niet van toepassing is, omdat de regels omtrent het betalen van leges niet behoren tot het materiële recht aan de hand waarvan de aanvraag dient te worden beoordeeld. Nu de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van artikel 3.34i, eerste lid, van het VV 2000 en daarenboven strekt ten nadele van de vreemdeling, in die zin dat het een beperking inhoudt van de wijze waarop hij de verschuldigde leges kan voldoen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die bepaling niet van toepassing is op de aanvraag van de vreemdeling.

Nu de vreemdeling voorts bij brieven van 2 februari 2009 en 10 juli 2009 de minister heeft verzocht hem een acceptgiro toe te sturen, dan wel een bankrekeningnummer te verstrekken waarnaar het verschuldigde legesbedrag kan worden overgeschreven, maar de minister hierop niet heeft gereageerd, heeft de minister de vreemdeling ten onrechte tegengeworpen dat hij de verschuldigde leges niet heeft voldaan.

Uitspraak



201009403/1/V1.

Datum uitspraak: 11 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 2 september 2010 in zaak nr. 09/29322 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 16 juli 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 september 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt in de overwegingen tevens verstaan diens rechtsvoorganger.

2.2. In zijn enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 3.34i van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000) niet op de vóór de inwerkingtreding van die bepaling ingediende aanvraag van de vreemdeling van toepassing is, omdat dit een bepaling is die het in behandeling nemen betreft, die naar inhoud niet anders kan meebrengen dan dat het recht van toepassing is dat ten tijde van het indienen van de aanvraag gold. Daartoe voert de minister aan dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat artikel 3.34i van het VV 2000 onmiddellijke werking heeft en dat de vreemdeling bij het indienen van zijn aanvraag noch daarna de verschuldigde leges heeft voldaan. Voorts heeft de rechtbank volgens de minister miskend dat artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet van toepassing is op een onvolledige aanvraag en bovendien uitsluitend ziet op het materiële recht. Voorzover artikel 3.103 van het Vb 2000 wel van toepassing zou zijn, is met de in artikel 3.34i van het VV 2000 opgenomen verplichting dat de desbetreffende vreemdeling de verschuldigde leges in persoon aan het IND loket moet voldoen geen wijziging opgetreden, nu deze verplichting gelet op artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en paragraaf B1/9.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) ook al gold toen de vreemdeling zijn aanvraag indiende, aldus de minister.

2.2.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 , voor zover thans van belang, is een vreemdeling, in door de minister te bepalen gevallen en volgens door de minister te geven regels, leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Ingevolge artikel 3.103 van het Vb 2000 wordt een aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Vw 2000 anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop het besluit wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Ingevolge artikel 3.34i, eerste lid, van het VV 2000, zoals in werking getreden op 10 april 2009, worden de in dit artikellid bedoelde leges door een vreemdeling in persoon aan het IND-loket voldaan.

Volgens paragraaf B1/9.6.1 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van de indiening van de aanvraag door de vreemdeling en voor zover thans van belang, wordt bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een vreemdeling in de gelegenheid gesteld de verschuldigde leges per kas of per pin ter plekke aan de kas te voldoen.

2.2.2. Het betoog van de minister dat de verplichting om de leges in persoon aan het IND-loket te voldoen ook reeds gold ten tijde van de indiening van de aanvraag door de vreemdeling, namelijk volgens paragraaf B1/9.6.1 van de Vc 2000, faalt, reeds omdat uit artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat de door de minister te stellen regels inzake het voldoen van de verschuldigde leges in een wettelijk voorschrift dienen te worden neergelegd. De minister voert weliswaar terecht aan dat, gelet op het ontbreken van overgangsrecht, artikel 3.34i, eerste lid, van het VV 2000 onmiddellijke werking heeft, maar dit neemt niet weg dat eerst met de inwerkingtreding van deze bepaling op 10 april 2009 een wettelijke grondslag bestaat voor het in persoon betalen van leges als vereiste voor het in behandeling nemen van een aanvraag, terwijl de vreemdeling zijn aanvraag vóór die datum heeft ingediend. Anders dan de minister betoogt, vloeit uit de bewoordingen noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.103 van het Vb 2000 voort dat in dit geval die bepaling niet van toepassing is, omdat de regels omtrent het betalen van leges niet behoren tot het materiële recht aan de hand waarvan de aanvraag dient te worden beoordeeld. Nu de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van artikel 3.34i, eerste lid, van het VV 2000 en daarenboven strekt ten nadele van de vreemdeling, in die zin dat het een beperking inhoudt van de wijze waarop hij de verschuldigde leges kan voldoen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die bepaling niet van toepassing is op de aanvraag van de vreemdeling.

Nu de vreemdeling voorts bij brieven van 2 februari 2009 en 10 juli 2009 de minister heeft verzocht hem een acceptgiro toe te sturen, dan wel een bankrekeningnummer te verstrekken waarnaar het verschuldigde legesbedrag kan worden overgeschreven, maar de minister hierop niet heeft gereageerd, heeft de minister de vreemdeling ten onrechte tegengeworpen dat hij de verschuldigde leges niet heeft voldaan.

De grief faalt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De minister voor Immigratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Groeneweg

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2011

32-660.

Verzonden: 11 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature