< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Trefwoorden: Somalië; Mogadishu; WBV 2010/18; vestigingsalternatief. Samenvatting: Verweerder heeft de zaak van eiser getoetst aan de voorwaarden van het beleid inzake het vestigingsalternatief (WBV 2010/18). De rechtbank heeft geoordeeld dat het gebied Centraal- en Zuid-Somalië op zichzelf kan worden aangemerkt als een gebied dat als vestigingsalternatief kan dienen voor Somaliërs, afkomstig uit Mogadishu, mits deze niet behoren tot de in het WBV 2010/18 genoemde uitzonderingsgroeperingen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verweerder niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat eiser op een veilige manier toegang kan verkrijgen tot Centraal- en Zuid-Somalië vanuit de luchthaven Aden-Adde te Mogadishu. Ter zitting is komen vast te staan dat deze luchthaven in het zogenoemde 15c-gebied in en rondom Mogadishu ligt. Om Centraal- en Zuid-Somalië (over land) te kunnen bereiken, zal eiser dan ook door dit gebied moeten reizen. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder niet heeft kunnen onderbouwen dat de reis vanaf het vliegveld naar het vestigingsalternatief Centraal- en Zuid-Somalië op een veilige manier kan plaatsvinden. Hoewel op zichzelf niet ondenkbaar is dat van eiser kan worden verlangd dat hij via het 15c-gebied in en rondom Mogadishu naar het gebied van het vestigingsalternatief reist, heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd geacht dat deze ‘doorreis’ door het 15c-gebied binnen een dusdanig kort tijdsbestek zal kunnen plaatsvinden dat eiser niet wordt blootgesteld aan de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

Uitspraak



RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 10 / 32823

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

In deze uitspraak worden de rechtsvoorgangers van de minister voor Immigratie en Asiel eveneens aangeduid als verweerder.

Bij besluit van 24 augustus 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) te verlenen.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij schrijven van 19 oktober 2010 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. De ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de meervoudige kamer van de rechtbank op 28 februari 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E.P. Pijnenburg. Als tolk was aanwezig de heer A.M. Maalim.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 27 juni 1982 en in het bezit van de Somalische nationaliteit.

Op 29 september 2009 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

2. Eiser woonde in Mogadishu. Op 31 mei 2009 kreeg eiser bezoek van zijn broer [broer] en diens vriendin [vriendin]. [broer] vertelde hem dat hij van plan was om met [vriendin] te trouwen, maar dat hij niet genoeg middelen had voor de bruidsschat en daarom had besloten om naar Baladweyne (Centraal-Somalië) te reizen om daar in het geheim te trouwen. Eiser heeft zijn broer hierop financieel ondersteund door de reis van Mogadishu naar Baladweyne te betalen. De avond na het bezoek van [broer] en [vriendin] werd het huis van eiser, waar ook zijn vader woonde, aangevallen door gewapende mannen, die familie bleken te zijn van [vriendin]. Bij die aanval werd eisers vader neergeschoten en werd eiser ontvoerd. De ontvoerders wilden van eiser weten waar [broer] en [vriendin] waren. Bij die ondervragingen werd eiser mishandeld. Na drie nachten werd eiser bevrijd door vrienden van hem. Deze vrienden vertelden hem dat zijn vader inmiddels overleden was. Vervolgens werd gezamenlijk besloten dat het beter was dat eiser zou vluchten.

3. Bij brief van 8 juli 2010 heeft verweerder aan eiser meegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser is in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren door middel van een zienswijze. Van deze mogelijkheid heeft eiser gebruik gemaakt bij schrijven van 3 augustus 2010. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder conform zijn voornemen beslist. Aan de afwijzing heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Hierbij heeft verweerder tevens het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 betrokken.

4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5. Voor zover hier van belang en zoals thans van toepassing luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict; (..)”.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij

het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan

hem is toe te rekenen.

8. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn reisverhaal. Eiser heeft verklaard dat hij de voor zijn reis gebruikte documenten, zijn paspoort en vliegticket, na aankomst in Nederland heeft afgegeven aan zijn reisagent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in eisers verklaring, dat hij zich in een afhankelijke positie van de reisagent bevond, geen grond hoeven te vinden om eiser de gevolgen daarvan niet aan eiser toe te rekenen.

Volgens onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2002 (LJN: AE6628) heeft eiser immers een eigen verantwoordelijkheid om zijn reisroute met documenten dan wel anderszins te staven. Niet gebleken is bovendien dat het niet overleggen van reisdocumenten het gevolg is geweest van dwang. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid aan eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kunnen tegenwerpen.

9. Om het relaas van eiser nog geloofwaardig te achten, mogen daarin geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet een positieve overtuigingskracht uitgaan. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiser de vereiste positieve overtuigingskracht mist. Hiertoe heeft verweerder onder meer kunnen betogen dat niet geloofwaardig is dat juist eiser, omdat zijn broer was weggelopen met [vriendin], vastgehouden en mishandeld is door familieleden van [vriendin]. Verweerder heeft in dit verband vreemd kunnen vinden dat eiser geen familienaam en hoofdstam kan noemen van [vriendin]. In het betoog dat eiser [vriendin] slechts van zien kende en zij onderling geen contact hadden, heeft verweerder geen verklaring hoeven vinden voor het feit dat eiser deze informatie niet heeft kunnen geven. Eiser heeft daarnaast immers verklaard dat hij een goede band had met zijn broer en zijn broer hem alles kon vertellen. Bovendien woonde eiser bij [vriendin] in de buurt. Dat eiser ten tijde van de zienswijze wel in staat is gebleken de naam van eiseres volledig te noemen, heeft verweerder buiten beschouwing kunnen laten, nu eiser – zoals hij zelf ook toegeeft –

deze informatie expliciet heeft opgevraagd bij derden en het dus geen spontaan verschafte informatie van eiser zelf betreft. Tevens heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen, dat degenen die eiser uiteindelijk bevrijd hebben, stamgenoten van [vriendin] waren en zij na de bevrijdingsactie met eiser hebben gesproken over het probleem met [vriendin]. Ook om die reden mocht verweerder van eiser verwachten dat hij meer informatie zou kunnen verschaffen over [vriendin] dan hij heeft gedaan. Voorts heeft verweerder vraagtekens kunnen plaatsen bij de omstandigheid dat eiser niet weet of de familie van [vriendin] al op de hoogte was van de relatie tussen eisers broer en [vriendin] vóórdat zij wegliepen. Eiser heeft hiervoor geen deugdelijke verklaring kunnen geven. Daarnaast heeft verweerder in redelijkheid aan zijn standpunt dat eisers relaas geen positieve overtuigingskracht heeft, ten grondslag kunnen leggen dat eiser niet heeft kunnen verklaren hoe zijn vrienden op de hoogte zijn geraakt van eisers ontvoering en hoe de onderhandelingen tussen die vrienden en [vriendin]’s familie over eisers vrijlating, tot stand zijn gekomen.

10. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders besluit om eiser niet aan te merken als verdragsvluchteling de aan de rechtbank toekomende afstandelijke toets kan doorstaan.

11. Daarnaast heeft eiser een beroep gedaan op de b grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

12. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser op individuele gronden bij gedwongen terugkeer naar Mogadishu een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zijn asielrelaas immers voor onwaar mogen houden.

13. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004 /83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn), dat hij eveneens heeft gedaan in het kader van zijn beroep op de zogenoemde b-grond, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

14. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in Mogadishu geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Bij brief van 10 februari 2011 heeft verweerder meegedeeld dat hij inmiddels van dit standpunt is teruggekomen. In dit verband heeft verweerder verwezen naar de inhoud van het Wijzigingsbesluit vreemdelingencirculaire (WBV) 20010/19 over het asielbeleid ten aanzien van Somalië. Zoals desgevraagd ter zitting is bevestigd, erkent verweerder hiermee dat aan het bestreden besluit in zoverre een motiveringsgebrek kleeft. Verweerder heeft evenwel gevraagd de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hierbij heeft verweerder gewezen op WBV 2010/18, waarin beleid is geformuleerd over het tegenwerpen van een vestigingsalternatief buiten een zogenoemd 15c-gebied.

15. Naar het huidige standpunt van verweerder als weergegeven in de hiervoor genoemde brief van 10 februari 2011, wordt voor asielzoekers afkomstig uit Mogadishu, van wie het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden, in beginsel uitgegaan van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië, mits de gevreesde dreiging voor een onmenselijke behandeling enkel een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in Mogadishu. Voor de niet-Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en/of alleenstaande minderjarigen wordt aangenomen dat er geen vestigingsalternatief is. Eiser komt uit de stad Mogadishu. Eiser behoort tot de clan Darod/Marehan, substam Wagardhac; hij behoort derhalve niet tot een niet-Somali minderheid. Evenmin behoort eiser tot de categorie alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen. Verweerder heeft de zaak van eiser daarom getoetst aan de voorwaarden van het beleid inzake het vestigingsalternatief.

16. Verweerder heeft onderzocht of een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië buiten Mogadishu daadwerkelijk en op legale en veilige wijze toegankelijk is vanuit Nederland. In dit verband heeft hij geconcludeerd dat er in het algemeen geen beletselen zijn om Somalië over land of via het luchtverkeer te bereiken. Ook is het niet bij voorbaat onmogelijk om door te reizen naar Centraal- en Zuid-Somalië. Toegang tot Somalië is mogelijk via het internationale vliegveld Aden-Adde te Mogadishu. Dit vliegveld staat onder controle van de Transitional Federal Government (TFG), gesteund door troepen van de African Union Mission in Somalia (AMISOM). Vanaf dat vliegveld kan volgens verweerder over land het verblijfsalternatief worden bereikt. Hiertoe heeft verweerder betoogd dat ‘de verbindingsweg van het vliegveld’ door AMISOM wordt beschermd en als relatief veilig kan worden beschouwd. Verder blijkt uit het rapport van de UK Home Office van 8 oktober 2010 (‘Somalia: report of fact finding mission’) dat het reizen binnen de door de Al Shabaab gecontroleerde gebieden van Centraal- en Zuid-Somalië mogelijk en relatief veilig is.

17. Voorts heeft verweerder beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarde dat het voor de vreemdeling mogelijk moet zijn zich in het gebied te vestigen en een leven te leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. Volgens verweerder is ook aan deze voorwaarde voldaan. Hiertoe heeft verweerder naar voren gebracht dat in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De humanitaire omstandigheden zijn er weliswaar slecht, maar er is geen sprake van een situatie dat deze slechte humanitaire omstandigheden op zichzelf al leiden tot de conclusie dat verblijf aldaar in strijd is met artikel 3 van het EVRM . Verder heeft verweerder in dit verband naar voren gebracht dat de door de clanbanden geboden veiligheid is afgenomen, maar dat dit niet wegneemt dat eiser zich in het als verblijfsalternatief beoogde gebied moet kunnen handhaven.

18. Volgens eiser is geen sprake van een vestigingsalternatief. Er bestaat immers een beletsel om te reizen naar en toegang te krijgen tot Centraal- en Zuid-Somalië vanwege het feit dat de luchthaven Aden-Adde, via welke eiser toegang zou kunnen krijgen tot dit deel van Somalië, is gelegen in Mogadishu en dus ligt in het gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het gebied dat verweerder aanmerkt als vestigingsgebeid is dan ook niet op een veilige wijze toegankelijk. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het niet reëel is om Centraal- en Zuid-Somalië te beschouwen als een gebied waar eiser zich zou moeten kunnen vestigen, nu Somalië volgens verweerders eigen beleid niet wordt beschouwd als veilig derde land en daarom niet wordt tegengeworpen als buitenlands vestigingsalternatief voor asielzoekers afkomstig uit andere landen dan Somalië. Het past dus niet, zo heeft eiser betoogd, om dit gebied wel als binnenlands vestigingsalternatief te beschouwen voor vreemdelingen uit Somalië, meer specifiek uit Mogadishu.

22. De rechtbank beoordeelt het standpunt van verweerder dat sprake is van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië als volgt.

23. Allereerst volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat Centraal- en Zuid-Somalië geen gebied is waar voor eiser gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat. Voorts blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling dat in dit gebied ten tijde hier van belang nergens sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Op zichzelf kan het gebied Centraal- en Zuid-Somali ë derhalve worden aangemerkt als een gebied dat als vestigingsalternatief kan dienen voor Somaliërs, afkomstig uit Mogadishu, mits deze niet behoren tot de eerder genoemde uitzonderingsgroeperingen. Dat Somalië, waaronder dus ook het gebied Centraal- en Zuid-Somalië kan worden geschaard, door verweerder volgens zijn landenbeleid niet wordt beschouwd als een veilig derde land, doet aan het voorgaande niet af. Of een gebied is aan te merken als een veilig derde land vergt een andere, minder vergaande beoordeling dan de hiervoor aan de dag gelegde beoordeling of een gebied is aan te merken als een gebied dat als vestigingsalternatief kan dienen.

24. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat eiser op een veilige manier toegang kan verkrijgen tot Centraal- en Zuid-Somalië vanuit de luchthaven Aden-Adde te Mogadishu. Ter zitting is komen vast te staan dat deze luchthaven in het zogenoemde 15c-gebied in en rondom Mogadishu ligt. Om Centraal- en Zuid-Somalië (over land) te kunnen bereiken, zal eiser dan ook door dit gebied moeten reizen. Aan de onderbouwing van het standpunt van verweerder dat van eiser desondanks mag worden verlangd dat hij door dit gebied reist om het vestigingsalternatief te bereiken, dienen dan ook hoge eisen te worden gesteld. De rechtbank constateert dat verweerder niet heeft kunnen onderbouwen dat de reis vanaf het vliegveld naar het vestigingsalternatief Centraal- en Zuid-Somalië op een veilige manier kan plaatsvinden. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde een plattegrond overgelegd van Somalië, afkomstig van de organisatie ‘critical threats’ en getiteld ‘SOMALIA: Areas of Control in Mogadishu’. Op deze kaart staat aangeduid welke delen van Mogadishu onder controle staan van de AMISOM en TFG en welke worden gecontroleerd door de Al Shabaab. Desgevraagd heeft verweerder als weg, die volgens hem wordt gecontroleerd door de AMISOM en TFG, geduid de ‘Makka al Mukarama’. Daarmee is niet vast komen te staan dat eiser op een veilige manier vanuit het vliegveld van Mogadishu kan reizen naar het vestigingsalternatief. De genoemde weg loopt immers niet van het vliegveld Aden-Adde naar het gebied van het vestigingsalternatief, maar naar het parlementsgebied in het centrum van Mogadishu. Verweerder heeft niet duidelijk weten te maken hoe eiser van daaruit op een veilige manier zijn reis zou moeten vervolgen door het door Al Shabaab gecontroleerde deel van Mogadishu. Hoewel op zichzelf niet ondenkbaar is dat van eiser kan worden verlangd dat hij via het 15c-gebied in en rondom Mogadishu naar het gebied van het vestigingsalternatief reist, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze ‘doorreis’ door het 15c-gebied binnen een dusdanig kort tijdsbestek zal kunnen plaatsvinden dat eiser niet wordt blootgesteld aan de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Hierbij overweegt de rechtbank tevens dat de bewijslast op dit punt – anders dan door verweerders gemachtigde ter zitting is betoogd – niet bij eiser, maar bij verweerder ligt. Het binnenlands vestigingsalternatief is immers een tegenwerping van de kant van verweerder, waarvoor de bewijslast bij verweerder ligt (zie een uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2005, LJN: AS5810).

25. Reeds gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen vestigingsalternatief heeft kunnen tegenwerpen en daarom geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

26. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 437, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

27. Met inachtneming van de aan de gemachtigde van eiser gerichte brief van de griffier van 29 oktober 2009 en gelet op de omstandigheid dat tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eiser geen toevoeging is verstrekt. Derhalve dient het bedrag van de proceskosten aan eiser te worden vergoed.

28. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 24 augustus 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 874,-- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzitter, mr. F.H. Machiels en

mr. A.W.P. Letschert, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2011.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 april 2011.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature