Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar verlening omgevingsvergunning bouw afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 11/21 PRBESL

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker A] en anderen

te [plaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

Woonstichting Triada

te Heerde,

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van 17 zorgappartementen op het perceel, plaatselijk bekend [adres te plaats] (hierna: het perceel).

Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 maart 2011, waar verzoeker [verzoeker A] namens verzoekers het woord heeft gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ING. G.J. Zwiggelaar en mr. drs. E.A. Beswerda, werkzaam bij Grinmans en Klabou advocaten. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en H.A. de Jong.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2 Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, (het bouwen van een bouwwerk ) geweigerd indien:

a. (…)

b. de aanvraag en de daarbij verstekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening (…);

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (...);

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, (…), zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet , (…);

e. (…).

2.3 Het bouwplan voorziet in het realiseren van 17 zorgappartementen voor de stichting Riwis Zorg & Welzijn, zorgverlener. De zorgwoningen zullen huisvesting gaan bieden aan mensen met een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg. De bewoners zullen met een lichte vorm van begeleiding en een grote mate van zelfstandigheid ter plaatse kunnen gaan wonen. Ten behoeve van het project worden voorts 11 parkeerplaatsen gerealiseerd.

2.4 Bij besluit van 22 april 2010 heeft de raad van verweerders gemeente, teneinde de realisatie van het onderhavige bouwplan mogelijk te maken, voor het perceel het bestemmingsplan “Oosterhof-Heggerenk 1e partiële herziening ([perceel])” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en hebben zij aan de Voorzitter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2010, nr. 201006844/2/R2, heeft de voorzitter het verzoek evenwel afgewezen. Dit brengt mee dat het bestemmingsplan op 16 november 2010 in werking is getreden. Dat de Afdeling thans nog geen uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het vaststellingsbesluit maakt dit niet anders.

2.5 Ter zitting is bevestigd dat niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan. Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat de vaststelling van het bestemmingsplan leidt tot een afname van verkeersveiligheid, sociale veiligheid en privacy en een toename van overlast zullen deze grieven worden beoordeeld door de Afdeling in het kader van het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en kunnen deze aspecten, gelet op het limitatieve en imperatieve stelsel van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo , niet worden betrokken in de beoordeling van de rechtmatigheid van de bouwvergunning.

2.6 Verzoekers betogen dat verweerder ten onrechte de parkeernormen voor aanleunwoning/serviceflat – 1,4 parkeerplaats per woning – heeft gehanteerd. Volgens hen had verweerder de normen voor ‘wonen in gestapelde bouw’ moeten toepassen. Verzoekers voeren in dit verband aan dat de hoofdbestemming van het perceel ‘wonen’ is en dat de 17 appartementen – op termijn – ook als starterwoningen kunnen en waarschijnlijk worden verhuurd. Hiervan uitgaande achten verzoekers op het perceel minimaal 24 parkeerplaatsen noodzakelijk, terwijl in het bouwplan slechts in 11 plaatsen wordt voorzien.

2.6.1 Ter zitting is toegelicht dat verweerder bij de vaststelling van de parkeerbehoefte toepassing heeft gegeven aan het Parkeerbeleidsplan van verweerders gemeente uit 2009. Hierbij is aansluiting gezocht bij de kencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek ‘182 parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering, 3e uitgave 2008’. Daar hier volgens verweerder sprake is van een zorgcomplex, is gerekend met de normen voor aanleunwoningen/serviceflats. Daarvoor geldt een parkeernorm van minimaal 0,3 en maximaal 0,6 parkeerplaats per woning, die voor alle stedelijkheidsgraden geldt. Bij 17 appartementen dient dan in 6 tot 10 parkeerplaatsen te worden voorzien. Met de voorgestane 11 parkeerplaatsen wordt voorzien in voldoende parkeerruimte, aldus verweerder.

2.6.2 De voorzieningenrechter acht voorshands geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet de parkeernormen voor aanleunwoning/serviceflats heeft mogen hanteren. Gelet op het aanvraagformulier en de daarbij behorende bouwtekeningen moet het er voorshands voor worden gehouden dat de appartementen, die alle bestaan uit één woonkamer en één slaapkamer en waarbij op de begane grond van het complex is voorzien in een gemeenschappelijke verblijfsruimte, als woon-zorgeenheden zullen worden gebruikt. De voorzieningenrechter acht niet zonder meer aannemelijk dat de eenheden zonder bouwkundige aanpassingen als reguliere woningen kunnen worden gebruikt. Indien en voor zover mocht blijken dat de wooneenheden als reguliere woonruimte wordt gebruikt en dat alsdan te weinig parkeerruimte beschikbaar is, kunnen verzoekers bij verweerder een verzoek indienen om handhavend op te treden.

2.7 Het betoog van verzoekers dat – kort gezegd – de situering van het gebouw op het perceel in strijd is met de voorschriften van de bouwverordening kan er, wat hiervan verder ook zij, niet aan afdoen dat die voorschriften, gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Woningwet , buiten toepassing dienen te blijven, nu het bestemmingsplan voorschriften bevat die hetzelfde onderwerp regelen, waarmee het bouwplan niet in strijd is.

2.8 De voorzieningenrechter beschikt thans niet over aanknopingspunten op grond waarvan verzoekers moeten worden gevolgd in hun betoog dat het bouwplan in strijd is met de algemene en omgevingscriteria uit de Welstandsnota. Verzoekers hebben niet aangegeven op welke onderdelen het bouwplan niet binnen die criteria past. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat verweerder ter zitting heeft medegedeeld dat alsnog een schriftelijke en gemotiveerd welstandsadvies zal worden uitgebracht. Evenmin is gebleken dat het welstandsadvies niet op juiste en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.9 De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, vooralsnog geen grond voor het oordeel dat verweerder de gevraagde bouwvergunning had moeten weigeren. Naar verwachting zal het bestreden besluit bij de beslissing op bezwaar in stand worden gelaten. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

2.10 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature