Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Nu de vreemdeling een documentloze Tibetaan is, die stelt uit China afkomstig te zijn, heeft de rechtbank, in navolging van de minister, terecht het hierboven in 2.1.2. weergegeven beleid van toepassing geacht. Dit beleid is, anders dan de vreemdeling betoogt, niet kennelijk onredelijk. De minister heeft, gelet op de in 2.1.3. weergegeven passages van het ambtsbericht 2008, in redelijkheid als uitgangspunt van zijn beleid kunnen hanteren dat documentloze Tibetanen die niets in het Mandarijn kunnen vertellen in beginsel worden geacht niet uit China afkomstig te zijn. Dat, zoals de vreemdeling betoogt, niet elke uit China afkomstige Tibetaan Mandarijn spreekt, is in het beleid verdisconteerd, nu uit de woorden "in beginsel" in voormelde paragraaf van de Vc 2000 volgt dat de mogelijkheid wordt opengelaten dat een vreemdeling aannemelijk maakt dat hij, ondanks het ontbreken van documenten en het niet beheersen van het Mandarijn, toch uit China afkomstig is.

In dit geval heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling gestelde herkomst ongeloofwaardig is, zodat haar asielrelaas reeds daarom positieve overtuigingskracht mist. Nog daargelaten dat de rechtbank hiertoe onbestreden heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de verplichting om in het bezit te zijn van een identiteitskaart en over haar directe herkomstomgeving, heeft de rechtbank in dit verband terecht overwogen dat de minister, ook gelet op de verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanvullend gehoor van 25 november 2008 dat zij geen Chinees spreekt en in het geheel niet kan communiceren met de aanwezige Chinese tolk, de door de vreemdeling gestelde herkomst in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

Uitspraak



201008219/1/V1.

Datum uitspraak: 4 april 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 3 augustus 2010 in zaak nr. 09/26590 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) heeft desgevraagd een nader stuk ingediend en de vreemdeling heeft hierop desgevraagd gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen worden onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.1.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, onder verwijzing naar het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2008/22 (hierna: het WBV 2008/22), in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook een Tibetaan die in het dagelijks leven Tibetaans spreekt iets in het Mandarijn moet kunnen vertellen en dat documentloze Tibetanen die niets over het Mandarijn kunnen vertellen in beginsel niet uit China komen. De vreemdeling voert hiertoe aan dat het beleid van de minister ter zake kennelijk onredelijk is, nu uit verschillende bronnen naar voren komt dat niet elke Tibetaan Mandarijn spreekt en onduidelijk is waarop de minister zijn conclusie baseert dat dit wel zo zou zijn. Voorts betoogt de vreemdeling dat uit het beleid onvoldoende naar voren komt in hoeverre een vreemdeling iets in het Mandarijn moet kunnen vertellen en of een vreemdeling deze taal ook moet kunnen schrijven. In dit verband voert de vreemdeling aan dat, hoewel zij nauwelijks Mandarijn spreekt, zij wel iets in deze taal kan vertellen.

2.1.2. Paragraaf C24/6.3.4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals op 27 augustus 2008 ingevoerd bij het WBV 2008/22, luidde ten tijde van belang als volgt:

"Verhoogde aandacht wordt besteed aan de vraag of betrokkene daadwerkelijk een Tibetaan uit China is. Indien betrokkene Tibetaans spreekt, is dit een vrij sterke aanwijzing dat hij daadwerkelijk Tibetaan is. Indien betrokkene geen documenten heeft, wordt extra aandacht besteed aan de vraag of betrokkene daadwerkelijk afkomstig is uit China.

Aanknopingspunt hiervoor is dat Tibetanen uit China Chinees (Mandarijn) moeten kunnen spreken en schrijven. Deze taal is de officiële taal in China en wordt op alle openbare scholen in China gedoceerd. Overal in China zijn er Chinezen die steeds in het Mandarijn spreken. Hoewel het mogelijk is dat betrokkene in het dagelijks leven Tibetaans spreekt, moet hij iets in het Mandarijn kunnen vertellen. Documentloze Tibetanen die niets over de Chinese taal (Mandarijn) kunnen vertellen komen in beginsel niet uit China."

2.1.3. In het WBV 2008/22 is te lezen dat deze beleidsconclusies mede zijn gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake China van april 2008 (hierna: het ambtsbericht 2008). Het ambtsbericht 2008 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

"Naast Mandarijn zijn, het Tibetaans, het Mongools, het Zhuang Zu en het Oeigoers de voertalen in de provincies waar genoemde bevolkingsgroepen voornamelijk wonen, te weten: Tibet, Binnen Mongolië, Guangxi, Yunnan en Xinjiang. Daarnaast is het Mandarijn sinds 1955 de officiële gestandaardiseerde vorm van het gesproken Chinees in China. In 2001 is het Mandarijn de voertaal in het onderwijs geworden. Dit houdt in dat het Mandarijn officieel in heel China wordt gesproken op scholen, in de media en door overheidsfunctionarissen. Er zijn ook tweetalige scholen. Praktisch gezien kan men met Mandarijn overal in China terecht.

[…]

Het Mandarijn en het Tibetaans (Lhasa standaard Tibetaans) zijn de officiële talen van de Tibetan Autonomous Region (TAR). Het Mandarijn wordt vanaf de lagere school aan kinderen onderwezen en wordt door het overheidspersoneel gesproken. Echter, zowel het Tibetaans als het Mandarijn wordt in TAR door de media gebruikt. In de provincie Tibet spreekt men het zogenaamde Lhasa-dialect van het Tibetaans. Daarnaast spreken de meeste Tibetanen die uit de stad komen en onderwijs hebben genoten ook redelijk Mandarijn.

Naast het Lhasa-dialect worden ook het Amdo en Kham Tibetaans dialect door Tibetanen gesproken. Het Amdo Tibetaans wordt gesproken door Tibetanen die uit de Tibetaanse regio's van de provincies Sichuan, Qinghai en Gansu komen. De meeste jongeren uit deze regio's spreken naast het Amdo-dialect ook goed Mandarijn. Overige Tibetanen uit deze regio's zullen ook redelijk Mandarijn spreken als zij een paar jaar naar school zijn geweest of in één van de Chinese steden hebben gewoond. Het Kham-dialect wordt veel gesproken door Tibetanen van de Kham-stam uit Qinghai, Sichuan en Yunnan. Ook voor hen geldt, dat als zij onderwijs hebben genoten, naast het Tibetaans ook Mandarijn kunnen spreken."

2.1.4. Bij brief van 31 januari 2011 heeft de minister desgevraagd toegelicht dat het niet langer tegenwerpen van het niet beheersen van het Mandarijn in een zaak van een andere Tibetaanse vreemdeling ten onrechte is geschied en dat hij onverkort vasthoudt aan het uitgangspunt dat iedere uit China afkomstige Tibetaan in meer of mindere mate het Mandarijn beheerst.

2.1.5. Niet in geschil is dat de minister de vreemdeling in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft kunnen tegenwerpen, nu zij ter staving van haar aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn ter beoordeling van haar aanvraag, heeft overgelegd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan haar kan worden toegerekend, zodat van het asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

2.1.6. Nu de vreemdeling een documentloze Tibetaan is, die stelt uit China afkomstig te zijn, heeft de rechtbank, in navolging van de minister, terecht het hierboven in 2.1.2. weergegeven beleid van toepassing geacht. Dit beleid is, anders dan de vreemdeling betoogt, niet kennelijk onredelijk. De minister heeft, gelet op de in 2.1.3. weergegeven passages van het ambtsbericht 2008, in redelijkheid als uitgangspunt van zijn beleid kunnen hanteren dat documentloze Tibetanen die niets in het Mandarijn kunnen vertellen in beginsel worden geacht niet uit China afkomstig te zijn. Dat, zoals de vreemdeling betoogt, niet elke uit China afkomstige Tibetaan Mandarijn spreekt, is in het beleid verdisconteerd, nu uit de woorden "in beginsel" in voormelde paragraaf van de Vc 2000 volgt dat de mogelijkheid wordt opengelaten dat een vreemdeling aannemelijk maakt dat hij, ondanks het ontbreken van documenten en het niet beheersen van het Mandarijn, toch uit China afkomstig is.

In dit geval heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling gestelde herkomst ongeloofwaardig is, zodat haar asielrelaas reeds daarom positieve overtuigingskracht mist. Nog daargelaten dat de rechtbank hiertoe onbestreden heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de verplichting om in het bezit te zijn van een identiteitskaart en over haar directe herkomstomgeving, heeft de rechtbank in dit verband terecht overwogen dat de minister, ook gelet op de verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanvullend gehoor van 25 november 2008 dat zij geen Chinees spreekt en in het geheel niet kan communiceren met de aanwezige Chinese tolk, de door de vreemdeling gestelde herkomst in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

De grief faalt.

2.1.7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt Schouten en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Prins

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2011

363-660.

Verzonden: 4 april 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature