< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzekeringsrecht, levensverzekeringsovereenkomst met winstaandeel. Eiser heeft een motorongeluk gehad. Gedaagde gaat niet tot uitkering over met een beroep op uitsluitingsclausules in de polisvoorwaarden. In haar tussenvonnis van 24 januari 2007 heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat gedaagde arbeidsongeschiktheidsuitkering mag weigeren. Daarna hebben partijen met elkaar onderhandeld. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen wilsovereenstemming over een regeling is bereikt. Dit standpunt wordt door de rechtbank op grond van de in het geding gebrachte correspondentie verworpen. Voor zover eiser stelt, naast de volledige premievrijstelling als gevolg van de regeling, nog uitkering te willen vorderen op grond van andere arbeidsongeschiktheidsoorzaken, is deze stelling juridisch onhoudbaar.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 279442 / HA ZA 09-2911

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. A.D.J. van Ruyven,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. E.J. Wervelman.

Partijen zullen hierna [eiser] en REAAL genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 november 2010;

- de conclusie van antwoord in het incident van REAAL met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In 1985 is tussen [eiser] en (de rechtsvoorganger van) REAAL een levensverzekeringsovereenkomst met winstaandeel (hierna: Overeenkomst) tot stand gekomen die jaarlijks stilzwijgend is verlengd. Aanleiding tot deze procedure is – kort samengevat – de omstandigheid dat REAAL niet tot betaling wil overgaan van (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van de Overeenkomst naar aanleiding van het motorongeluk dat [eiser] op 9 maart 2002 is overkomen. Hiertoe beroept zij zich op uitsluitingsclausules in de polisvoorwaarden.

2.2. In haar tussenvonnis van 24 januari 2007 heeft de rechtbank – kort gezegd – overwogen dat REAAL op grond van het bepaalde in artikel 7 van de “Aanvullende voorwaarden voor de bijverzekering van arbeidsongeschiktheidsrente” de uitkering van (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsuitkering mag weigeren, voor zover de arbeidsongeschiktheid is ontstaan of toegenomen door het besturen van een motorrijwiel met een cilinderinhoud van 50cc of meer.

2.3. Na dit vonnis hebben partijen voor repliek en dupliek geconcludeerd. [eiser] heeft een incidentele conclusie ex artikel 843a en b van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering genomen waarna de rechtbank op 24 november 2010 een tussenvonnis heeft gewezen, waarbij zij een nieuwe comparitie heeft gelast. Vervolgens heeft REAAL in het incident geantwoord.

2.4. In de kern komen de stellingen van REAAL erop neer dat partijen naar aanleiding van het tussenvonnis van 24 januari 2007 een regeling hebben getroffen. Dat er geen ondertekende vaststellingsovereenkomst is, doet hieraan volgens REAAL niet af. Zij beroept zich in dit licht in het bijzonder op haar aanbod van 8 februari 2007, de fax van 13 maart 2007 van de advocaat van [eiser] aan REAAL, de brief van REAAL van 18 april 2007 aan de advocaat van [eiser] en de brief van laatstgenoemde van 5 december 2007. Deze (grotendeels) confraternele correspondentie is door REAAL bij conclusie van dupliek en bij haar antwoordconclusie in het incident in het geding gebracht.

2.5. [eiser] betwist dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over een regeling. Hij voert daartoe aan dat partijen nog in onderhandeling waren en dat hij steeds het voorbehoud heeft gemaakt dat hij een volledige uitkering wenst voor nieuwe oorzaken in de toekomst.

2.6. In haar tussenvonnis van 24 november 2010 heeft de rechtbank onder meer een comparitie gelast met als doel nadere informatie te verkrijgen over de door REAAL gestelde regeling.

2.7. Bij haar beoordeling van de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt over de afwikkeling van de onderhavige kwestie, betrekt de rechtbank in het bijzonder de volgende correspondentie.

In zijn brief van 8 februari 2007 aan de raadsman van [eiser] schrijft de advocaat van REAAL onder meer:

“Ook u zult inmiddels kennis hebben genomen van het tussenvonnis dat de Rechtbank Utrecht op 24 januari jl. tussen partijen heeft gewezen.

U vindt cliënte naar aanleiding daarvan bereid om in der minne uit te gaan van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid uit hoofde van het ongeval van 9 maart 2002. Dit percentage geldt tot 1 juni 2012. In de praktijk wordt uw cliënt aldus vrijgesteld van de verplichting tot premiebetaling. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat uw cliënt uit hoofde van het ongeval geen uitkering toekomt.

Een uitkering krachtens de hoogste mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is het maximale dat mogelijk is krachtens deze polis. Een eventuele uitkering uit hoofde van de schademelding met ingang van 3 mei 2005 is dan ook verder niet aan de orde.”

In zijn fax van 13 maart 2007 schrijft de raadsman van [eiser] onder meer:

“Uw brief van 8-2-2007 besprak is met cliënt. (…) Hij voelt wel voor acceptatie van Uw voorstellen maar hij heeft nog enkele voorbehouden te maken. (…)

Zijn Vita/Zürich Polis no. [nummer] was een levensverzekeringspolis met AOV clausules die gekoppeld was aan zijn pensioenopbouw. (…)

Voor hem speelt thans de vraag of die pensioenopbouw in die polis thans geen breuk oploopt door de premievrijstelling die U voorstelt. En blijft de opbouw van de pensioenpolis gewoon doorlopen tot de einddatum?

(…)

Indien hij inderdaad zijn pensioenpolis tot de einddatum verder opbouwt en de AOV polis met de clausules blijft gewoon tot de einddatum 1-6-2012 doorlopen gaat hij accoord met Uw voorstellen. Het kan namelijk zijn dat zijn Dupuytrenziekte progressieve vormen aanneemt in de toekomst waardoor hij geheel zonder werk komt te zitten.”

In zijn brief van 18 april 2007 aan de raadsman van [eiser] schrijft de advocaat van REAAL onder meer:

“Uw brief van 13 maart jl. heb ik inmiddels met cliënte besproken. De door cliënte voorgestelde premievrijstelling ziet op vrijstelling van alle premies van deze verzekering. (…) De opbouw van de pensioenpolis loopt door.

(…)

Naar aanleiding van uw opmerking in de laatste alinea van uw brief dat het kan zijn dat de Dupuytren progressieve vormen aanneemt in de toekomst waardoor uw cliënt geheel zonder werk komt te zitten, wijs ik u erop dat een eventuele uitkering uit hoofde van de schademelding van 3 mei 2005 niet aan de orde is. Nu uw cliënt immers blijvend 80-100% arbeidsongeschikt is uit hoofde van het (voor wat betreft de uitkering) niet gedekte ongeval, is verdere uitkering uit dien hoofde niet aan de orde. Daartoe verwijs ik u naar mijn brief van 8 februari jl.

Alvorens ik mij zet aan de redactie van een concept vaststellingsovereenkomst die dan door beide partijen wordt getekend en gedateerd, verneem ik graag van u dat uw cliënt zich in de door cliënte voorgestelde regeling kan vinden.”

Nadat [eiser] diverse malen om uitstel heeft verzocht en REAAL daarmee akkoord is gegaan, schrijft de advocaat van [eiser] in zijn brief van 5 december 2007 aan de raadsman van REAAL:

“Namens cliënt kan ik U thans mededelen dat het aanbod van Uw cliënte REAAL thans wordt geaccepteerd.

Cliënt werd arbeidsongeschikt beschouwd vanaf 9-3-2002 voor 80-100%.

Cliënt wenst wel de garantie dat de premievrijstelling tot 1-6-2012 duren zal en cliënt verzoekt om een afrekening van alle door hem teveel betaalde premies over de afgelopen jaren vanaf 1996. De pensioenverzekering dient eveneens in stand te blijven en inclusief bedrijfswinst uit te keren na juni 2012.

Wilt U de vaststellingsovereenkomst redigeren? Na tekening kan de procedure bij de Rb Utrecht gecancelled worden.”

Op 16 januari 2008 schrijft de advocaat van [eiser] aan REAAL onder meer het volgende:

“De terug te betalen premies ontvangt cliënt graag op de bankrekening (…). Daarna zal cliënt de vaststellingscontracten ondertekenen en retourneren.”

In zijn fax van 17 januari 2008 reageert de advocaat van REAAL als volgt:

“U stelt in uw brief aan cliënte dat uw cliënt pas na betaling zal ondertekenen. Dat is niet de afspraak. U bevestigde mij dat telefonisch ook en zegde toe die omissie te willen herstellen. Ik noteer hierbij in ieder geval dat uw cliënt na ontvangst van het overzicht van de in het verleden teveel betaalde premie, de vaststellingsovereenkomst zal ondertekenen en één exemplaar daarvan zal retourneren. De betalingen van de teveel ontvangen premie zullen plaatsvinden op het door u aangegeven rekeningnummer.”

In zijn eveneens 17 januari 2008 gedateerde fax aan de raadsman van [eiser] schrijft de advocaat van REAAL dat REAAL een bedrag van EUR 4.764,20 zal restitueren.

Op 18 februari 2008 schrijft de raadsman van [eiser] aan die van REAAL:

“Cliënt is niet bereid de vaststellingsovereenkomst zoals die thans voor ons ligt te tekenen om de volgende redenen:

1. Het is onjuist dat cliënt vanaf 9-3-2002 voor 80-100% blijvend tot de verzekerde eindleeftijd arbeidsongeschikt is. Dat was voor wat betreft het been, (…) Cliënt accepteert dus wel de redigering van het vaststellingscontract in * nummer 5: vanaf 9-3-2002 op 65-80% maar niet op 80-100%.

2. Indien cliënt dit contract zou tekenen zou dat betekenen dat hij geen enkele arbeidsongeschiktheidsrente meer kan vorderen op basis van de polis (boven 65%-80% a.o.) bij het ontstaan van andere oorzaken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. (…)

3. Inmiddels is cliënt vanwege de toegenomen handenproblematiek, psychische nasleep en een rughernia 80-100% arbeidsongeschikt verklaard voor de WAZ vanaf 21-12-2004. (…)

Wat betreft de toename van arbeidsongeschiktheid tot 80-100% maakt cliënt dus wel weer aanspraak op de arbeidsongeschiktheidsrente vanaf 21-12-2004 boven de 65-80%, omdat de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet is gelegen in het motorongeval maar in de rest van de gezondheidsklachten die daarna hem volledig arbeidsongeschikt hebben doen geraken. (…)

Met de premievrijstelling vanaf 9-3-2002 kan cliënt wel akkoord gaan.

(…)”

Vervolgens heeft REAAL zich meermalen schriftelijk op het standpunt gesteld dat tussen partijen een schikking tot stand is gekomen.

2.8. Uit deze correspondentie kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt over een regeling van de kwestie. Zij overweegt daartoe als volgt.

Een overeenkomst komt ingevolge artikel 6:217 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand door aanbod en aanvaarding. In haar brief van 8 februari 2007 doet REAAL een aanbod voor een regeling. Dit aanbod houdt in dat tussen partijen wordt vastgesteld dat [eiser] als gevolg van het motorongeval van 9 maart 2002 – conform diens eerder ingenomen standpunt – 80 tot 100% (volledig) arbeidsongeschikt is. Dit percentage geldt tot het einde van de Overeenkomst, zijnde 1 juni 2012. Door deze vaststelling zal [eiser] volledig vrijgesteld worden van premiebetaling. In dit aanbod wijst REAAL erop dat een uitkering uit hoofde van de schademelding van 3 mei 2005 (op welke datum [eiser] meldde dat hij lijdt aan onder meer de ziektes van Peyronie en Dupuytren; zie r.o. 2.6 van het tussenvonnis van 24 januari 2007) wat haar betreft verder niet aan de orde is.

Uit zijn fax van 13 maart 2007 kan worden afgeleid dat [eiser] als voorwaarde voor aanvaarding van het aanbod van REAAL stelt dat hij in aanmerking kan komen voor een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid als gevolg van Dupuytren. Gelet op deze voorwaarde moet de fax van 13 maart 2007 aangemerkt worden als een van het oorspronkelijke aanbod afwijkende aanvaarding in de zin van artikel 6:225 lid 1 BW . Verder vraagt [eiser] zich af of de pensioenopbouw door de premievrijstelling die het gevolg is van de volledige arbeidsongeschiktheid, doorloopt.

In haar brief van 18 april 2007 herhaalt REAAL haar standpunt dat zij in verband met onder meer de ziekte van Dupuytren niet zal uitkeren. Verder licht zij haar aanbod in die zin toe dat zij bevestigt dat de opbouw van de pensioenpolis doorloopt. Mede gelet op de verwijzing naar het aanbod van 8 februari 2007, moet deze brief naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt worden als een afwijzing door REAAL van het aanbod van [eiser] onder handhaving van haar eerdere aanbod.

In zijn brief van 5 december 2007 aanvaardt [eiser] uiteindelijk het (oorspronkelijke en enige) aanbod van REAAL. Hij voegt daar weliswaar aan toe dat hij de garantie wil dat de premievrijstelling tot 1 juni 2012 zal doorlopen en wenst dat de pensioenverzekering zal voortduren, maar deze toevoeging heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis, omdat REAAL in haar brief van 18 april 2007 al heeft bevestigd dat de premievrijstelling geldt tot het einde van de Overeenkomst en de pensioenopbouw zal doorlopen.

2.9. Gelet op deze correspondentie tussen partijen is de rechtbank van oordeel dat [eiser] bij brief van 5 december 2007 het aanbod van REAAL van 8 februari 2007 heeft aanvaard. Er is, anders gezegd, wilsovereenstemming tussen partijen tot stand gekomen over een schikking. Dat ook [eiser] er overigens van uitgaat dat sprake is van wilsovereenstemming, blijkt al uit zijn brief van 16 januari 2008 aan REAAL waarin hij schrijft dat hij de vaststellingsovereenkomst zal ondertekenen nadat de terug te betalen premies zijn ontvangen. Voor de volledigheid wijst de rechtbank er verder op dat uit de door REAAL als productie 5 bij haar conclusie van dupliek in het geding gebrachte overzichten blijkt dat zij door restitutie van de premies reeds uitvoering heeft gegeven aan de vaststellingsovereenkomst.

De ter zitting namens [eiser] toegelichte stelling dat geen wilsovereenstemming is bereikt over het voorbehoud dat hij heeft gemaakt over een uitkering voor nieuwe oorzaken, wordt gepasseerd. Immers blijkt uit de brief van REAAL van 18 april 2007 – mede beschouwd in het licht van haar brief van 8 februari 2007 – dat haar aanbod uitdrukkelijk inhield dat geen uitkering zou kunnen volgen in verband met andere arbeidsongeschiktheidsoorzaken dan het motorongeluk. Dit aanbod is, zoals gezegd, door [eiser] aanvaard.

Het ook namens [eiser] ingenomen standpunt dat hij niet wist dat het aanbod van REAAL dekking tegen nieuwe oorzaken uitsloot en er daarom van uitging dat een uitkering ter zake van de gevolgen van Dupuytren nog steeds tot de mogelijkheden behoorde, wordt eveneens gepasseerd. Zoals hierboven onder r.o. 2.8 al is aangenomen, blijkt uit (de toelichting op) het aanbod van REAAL voldoende duidelijk dat andere arbeidsongeschiktheidsoorzaken dan het motorongeval van dekking uitgesloten zijn.

Voor zover [eiser] dit miskent door naast de volledige premievrijstelling, die in het aanbod van REAAL onlosmakelijk verbonden is aan de door partijen veronderstelde volledige arbeidsongeschiktheid als gevolg van het motorongeval, nog uitkering te willen vorderen op grond van andere arbeidsongeschiktheidsoorzaken, is een dergelijke stelling juridisch onhoudbaar.

Voor de volledigheid voegt de rechtbank hieraan toe dat [eiser] het aanbod niet had moeten aanvaarden, als hij voorafgaand aan het aanvaarden van het aanbod van REAAL serieus van mening was dat hij niet volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van het motorongeluk.

2.10. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak worden afgewezen, omdat tussen partijen ter beëindiging van het geschil een regeling tot stand is gekomen. Bovendien verdragen [eiser]s vorderingen zich niet met het gegeven dat geen arbeidsongeschiktheidsuitkering gevraagd kan worden als tussen partijen vaststaat dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is waarvoor volledige premievrijstelling is verleend.

2.11. De incidentele vordering van [eiser] tot het door REAAL in het geding brengen van correspondentie zal eveneens worden afgewezen, omdat zij deze correspondentie bij haar conclusie van antwoord in het incident in het geding heeft gebracht.

2.12. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van REAAL worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.056,00

De kosten in het incident zullen, in overeenstemming met het verzoek van REAAL, worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van REAAL tot op heden begroot op EUR 2.056,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident

3.4. wijst het gevorderde af,

3.5. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature