Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing ter effectuering van een indicatiebesluit dat strekt tot een 24 uur plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg, terwijl de raad voor de kinderbescherming ter zitting heeft toegelicht dat de minderjarige, indien de machtiging zal worden verleend, feitelijk drie dagen per week in de leefgroep zal zijn en voor het overige thuis bij zijn ouders zal verblijven.

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 5 april 2011

Zaaknummers: 159296 / OT RK 11-391, 159297 / OT RK 11-392 en

159299 / OT RK 11-393

BESCHIKKING OP VERZOEK ONDERTOEZICHTSTELLING EN

MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarigen:

[de minderjarige A], geboren te [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige A],

[de minderjarige B], geboren te [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige B],

[de minderjarige C], geboren te [geboortegegevens],

verder te noemen [de minderjarige C],

kinderen van:

[de moeder], wonende te [adres],

verder te noemen de moeder,

en

[de vader], wonende te [adres],

verder te noemen de vader.

1. Verloop van de procedure

Op 1 maart 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen de raad, drie verzoekschriften tot ondertoezichtstelling en een verzoekschrift tot machtiging tot uithuisplaatsing ingediend.

Bij brief van 7 maart 2011 heeft de raad de rechtbank zijn rapportage en een indicatiebesluit ten behoeve van [de minderjarige A] doen toekomen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 25 maart 2011.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige A], [de minderjarige B] en [de minderjarige C] zijn geboren uit het huwelijk van de ouders.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige A], [de minderjarige B] en [de minderjarige C] uit. De kinderen verblijven bij de ouders.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

De raad heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige A], [de minderjarige B] en [de minderjarige C] uit te spreken voor een periode van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige A] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raad verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering en rapportage en het navolgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

Bij [de minderjarige A] en [de minderjarige B] is sprake van forse gedragsproblematiek. Zij zijn gediagnosticeerd met PDD-NOS en hebben hierdoor een extra grote behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. Zowel bij [de minderjarige A] als bij [de minderjarige B] was recent nog sprake van veelvuldig schoolverzuim en bij [de minderjarige A] was tevens sprake van drugsgebruik. [de minderjarige C] kampt met sociaal-emotionele problematiek. De ouders worden overvraagd door de problematiek van de kinderen. Hierdoor zijn zij onvoldoende in staat om hun de structuur en begrenzing te bieden die zij nodig hebben. De ouders hebben reeds hulp gezocht bij de verzorging en opvoeding van de kinderen, maar de samenwerkingsrelatie tussen de ouders en de hulpverlening verloopt moeizaam. De hulpverlening heeft hierdoor tot op heden onvoldoende effect gesorteerd. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige A], [de minderjarige B] en [de minderjarige C] is daarom noodzakelijk.

Met betrekking tot het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige A] heeft de raad gesteld dat deze noodzakelijk is om hem de structuur en duidelijkheid te bieden waar hij behoefte aan heeft. Aangezien het gedrag van [de minderjarige A] de afgelopen periode is verbeterd en hij thans geen drugs meer gebruikt, acht de raad het afdoende dat [de minderjarige A] feitelijk drie dagen per week in de leefgroep verblijft. Dit biedt [de minderjarige A] tevens de mogelijkheid om deel te blijven nemen aan het gezinsleven.

3.3

De ouders hebben ingestemd met de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige A] en [de minderjarige B] en met het verzoek om machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige A] in een accommodatie voor geïndiceerde jeugdzorg te verlenen.

Met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige C] heeft de moeder gesteld dat zij de ondertoezichtstelling van [de minderjarige C] niet noodzakelijk acht, aangezien bij hem geen sprake is van gedragsproblematiek.

3.4

[de minderjarige A] heeft naar voren gebracht dat hij het niet eens is met het verzoek tot uithuisplaatsing.

[de minderjarige B] heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling.

4. Beoordeling

Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling is voldaan. [de minderjarige A] vertoont fors zelfbepalend gedrag in de thuissituatie en de ouders zijn onvoldoende in staat om gezag over hem uit te oefenen. Daarnaast baart het veelvuldig schoolverzuim en het drugsgebruik van [de minderjarige A] waarvan tot voor kort sprake was, de kinderrechter zorgen. [de minderjarige B] vertoont in de thuissituatie eveneens zelfbepalend gedrag en ook bij [de minderjarige B] was zeer recent nog sprake van veelvuldig schoolverzuim. Daar komt bij dat de ouders onvoldoende in staat zijn om [de minderjarige A] en [de minderjarige B] in hun gedrag te begrenzen en hun de structuur en duidelijkheid te bieden die zij nodig hebben. Dit brengt de kinderrechter tot het oordeel dat [de minderjarige A] en [de minderjarige B] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hoewel in het vrijwillig kader reeds geruime tijd begeleiding en ondersteuning van de hulpverlening is geboden, heeft deze tot op heden onvoldoende verbetering in de opvoedingssituatie van [de minderjarige A] en [de minderjarige B] kunnen bewerkstelligen. Hierop gelet dient de begeleiding en ondersteuning van de hulpverlening thans binnen het kader van een ondertoezichtstelling te worden geboden.

Gelet op het voorgaande zullen de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige A] en [de minderjarige B] worden toegewezen.

Hoewel de moeder heeft gesteld dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige C] niet noodzakelijk is aangezien bij hem geen sprake is van gedragsproblematiek, zal ook het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige C] worden toegewezen. [de minderjarige C] vertoont weliswaar geen gedragsproblematiek, maar uit het raadsonderzoek blijkt dat bij [de minderjarige C] sprake is van sociaal-emotionele problematiek. Vanwege de ernst van deze problematiek, zoals blijkt uit het raadsonderzoek, in combinatie met de opvoedingssituatie waarin [de minderjarige C] verkeert, is de kinderrechter van oordeel dat ook [de minderjarige C] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel ook bij [de minderjarige C] hulpverlening in het vrijwillige kader is ingezet, is deze tot op heden onvoldoende op gang gekomen. Daarom dient de hulpverlening thans binnen het kader van een ondertoezichtstelling plaats te vinden.

Met betrekking tot het verzoek om machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige A] te verlenen, overweegt de kinderrechter dat zowel het verzoek van de raad als het door de raad overgelegde indicatiebesluit, ter effectuering waarvan de te verlenen machtiging ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek strekt, zien op een vierentwintig uur plaatsing van [de minderjarige A] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg. In zijn rapportage alsook ter zitting heeft de raad toegelicht dat [de minderjarige A], indien een machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verleend, feitelijk drie dagen per week in de leefgroep zal verblijven. Voor het overige zal hij thuis bij de ouders verblijven.

De kinderrechter overweegt in dit verband dat het huidige systeem van de wet ertoe strekt dat de kinderrechter enkel nog een beslissing neemt op verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is, anders dan voorheen, niet meer in handen van de kinderrechter, maar is opgedragen aan de gezinsvoogdijinstelling. Aldus staat het de gezinsvoogdijinstelling, in dit geval bureau jeugdzorg, vrij om de feitelijke uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing binnen de grenzen van de verleende machtiging naar eigen inzicht uit te oefenen. Het is dan ook niet in strijd met de wet om binnen het kader van een machtiging die strekt tot een verblijf in een accommodatie voor geïndiceerde jeugdzorg gedurende zeven dagen per week, [de minderjarige A] feitelijk drie dagen per week in de leefgroep te plaatsen en hem voor het overige thuis bij de ouders te laten verblijven.

Voor alle belanghebbenden en niet in het minst voor de betrokken minderjarige zelf, dient echter wel duidelijkheid te bestaan omtrent de grenzen van de te verlenen machtiging, zodat oneigenlijk gebruik van de machtiging wordt voorkomen. In onderhavige zaak bestaat die duidelijkheid. De door de raad verzochte machtiging ziet enkel op een verblijf van [de minderjarige A] in een accommodatie voor geïndiceerde jeugdzorg, meer in het bijzonder in een leefgroep voor jongeren met autisme zoals blijkt uit het indicatiebesluit. De ouders van [de minderjarige A] hebben ter zitting verklaard dat zij instemmen met het verzoek tot uithuisplaatsing. Nu voorts uit de stukken alsook uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige A] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding, zal het verzoek worden toegewezen.

5. Beslissing

De rechtbank:

Stelt voornoemde minderjarigen met ingang van 5 april 2011 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor de termijn van één jaar, derhalve tot en met 4 april 2012.

Verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige A] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg met ingang van 5 april 2011 voor de termijn van één jaar, derhalve tot en met 4 april 2012.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar op 5 april 2011 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N.H.J. Lafghani, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature