< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Tussenuitspraak. Toekenning militair invaliditeits-pensioen naar een mate van invaliditeit van 20%. Eerdere ingangsdatum niet aan de orde. Invaliditeit is niet onderschat. Het is niet bij voorbaat onaannemelijk dat appellant ook al ten tijde van de ingangsdatum van zijn militair invaliditeitspensioen voor een bijzondere invaliditeitsverhoging in aanmerking komt. De Raad draagt de minister op hierover alsnog te beslissen.

Uitspraak



09/4134 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juni 2009, nr. 08/5209, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Namens appellant is verschenen mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM, CNV-bond van militairen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is als beroepsmilitair voor onbepaalde tijd vanaf 6 januari 1995 tot en met 30 juli 1995 uitgezonden geweest naar het voormalig Joegoslavië. Bij besluit van 30 januari 2002 is aan hem met ingang van 1 maart 2002 met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder m, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) ontslag verleend. Dit ontslag is naar aanleiding van tijdens de behandeling van het beroep van appellant bij deze Raad met betrekking tot dit ontslag aan de minister bekend geworden medische stukken, bij besluit van 30 oktober 2008 ingetrokken. Appellant is hierbij in de positie gebracht als ware het ontslagbesluit van 30 januari 2002 nooit genomen. Met ingang van 1 december 2006 is aan hem ontslag verleend wegens het einde van zijn contract.

2.2. In april 2007 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeits-pensioen. Bij besluit van 30 mei 2007 is aan hem met ingang van 1 december 2006 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 20%. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij besluit van 13 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de mate van invaliditeit op goede gronden is vastgesteld op 20% en dat de ingangsdatum terecht is bepaald op 1 december 2006, zijnde de datum van het laatste ontslag van appellant.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat appellant door de nadere besluitvorming zoals onder 2.1 beschreven uiteindelijk onafgebroken in dienst is geweest tot zijn ontslag per 1 december 2006 en dat hij ook zijn volledige bezoldiging tot die datum heeft ontvangen. Op grond van artikel 7, eerste lid, in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (verder: Besluit) heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan, recht op een invaliditeitspensioen. De Raad ziet geen enkele grondslag voor het namens appellant naar voren gebrachte standpunt dat het onderhavige pensioen met ingang van een eerdere datum dan zijn ontslagdatum van 1 december 2006 zou moeten worden toegekend.

4.2. Met betrekking tot de mate van invaliditeit kan de Raad de rechtbank volgen in het oordeel dat deze met 20% niet is onderschat. Uit de beschikbare medische gegevens, waaronder twee psychiatrische rapporten, blijkt dat het psychisch functioneren van appellant in 2007 duidelijk was verbeterd ten opzichte van 2004. Op 2 juni 2004 is appellant op grond van de bevindingen van het militair geneeskundig onderzoek ongeschikt geacht voor het vervullen van de militaire dienst en werd de mate van invaliditeit met dienstverband vastgesteld op 40%. Bij appellant was toen sprake van een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) met verlaat begin, welke op dat moment enigermate in remissie was. Er was een onzeker arbeidsperspectief. Bij het militair geneeskundig onderzoek in maart 2007 was appellant werkzaam in een volledige baan, gaf hij twee avonden per week les in salsadansen, leidde hij regelmatig workshops op bijvoorbeeld bedrijfsfeesten en had hij een vaste relatie. Wel had hij bij dit onderzoek nog steeds psychische klachten als gevolg van de PTSS, die in verband stonden met zijn uitzending naar het voormalig Joegoslavië. Die klachten maakten hem nog steeds dienstongeschikt, maar deze werden gedeeltelijk in remissie geacht. Er zijn geen medische gegevens die de Raad doen twijfelen aan de juistheid van het bij deze keuring ingenomen standpunt.

4.3. Ten slotte is namens appellant in hoger beroep nog aangevoerd dat ten onrechte aan hem niet is toegekend de bijzondere invaliditeitsverhoging van 5% op basis van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit, nu op grond van de medische gegevens mag worden aangenomen dat daling van de mate van invaliditeit onder de 20% niet aannemelijk is. Met betrekking tot deze invaliditeitsverhoging is in het bestreden besluit niets overwogen. Het bestreden besluit schiet in zoverre tekort en komt om die reden wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Ter zitting is nog naar voren gebracht dat de minister inmiddels een nieuw beleid hanteert, waarbij de bijzondere invaliditeitsverhoging reeds wordt toegekend als vóór 1 juli 2008 één militair geneeskundig onderzoek en één herbeoordeling hebben plaatsgevonden. Nu het de Raad niet bij voorbaat onaannemelijk voorkomt dat appellant ook al ten tijde van de ingangsdatum van zijn militair invaliditeitspensioen voor deze bijzondere invaliditeitsverhoging in aanmerking komt, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet , de minister op te dragen hierover alsnog te beslissen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de minister op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature