< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De gemachtigde van het College heeft erkend dat met het aan appellanten toegekende PGB geen HV1 bij een instantie kan worden ingekocht. Vervolgens is gesteld dat met het toegekende PGB gebruik kan worden gemaakt van een zzp-er of een alfahulp voor HV1, zodat geen administratiekosten behoeven te worden gemaakt. Deze zienswijze van het College, waarbij eventuele administratiekosten voor rekening van appellanten blijven, deelt de Raad niet omdat deze inbreuk maakt op de in artikel 6 van de Wmo neergelegde keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een PGB. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat met het toegekende uurtarief voor het PGB wordt voldaan aan de verplichting van het College om appellanten een zodanige voorziening aan te bieden dat hun beperkingen om daarin zelf te voorzien in het concrete individuele geval worden gecompenseerd. Tussenuitspraak.

Uitspraak



09/2347 WMO-T + 09/2348 WMO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 maart 2009, 08/589 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft M.L. Starkenburg, juridisch adviseur te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door Starkenburg. Voor het College zijn verschenen mr. J.J. de Muinck en mr. C.M. Hovingh, beiden werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn in de periode van 7 november 2006 tot 7 november 2007 in aanmerking gebracht voor huishoudelijke hulp ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) op basis van klasse vier (7-9,9 uur per week).

1.2. Bij besluit van 2 november 2007 heeft het College appellanten gedurende de (overgangs)periode van 8 november 2007 tot 1 januari 2008 in aanmerking gebracht voor huishoudelijke verzorging op niveau 1 (hierna HV1) voor 7 uur per week. Met ingang van 1 januari 2008 tot 8 november 2010 zijn appellanten in aanmerking gebracht voor 4,5 uur HV1 per week.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College de bezwaren van appellanten gegrond verklaard, onder overneming van het advies van CIZ van 20 maart 2008. Appellanten worden in aanmerking gebracht voor huishoudelijke verzorging op niveau 2, (verder: HV2) gedurende 2,5 uur per week en voor HV1 gedurende 6,5 uur per week voor de periode van 8 november 2007 tot 8 november 2010. De uurtarieven blijven gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 29 mei 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het College, door appellanten in aanmerking te brengen voor een persoonsgebonden budget (verder: PGB) waarvan de hoogte aan de hand van de in artikel 7 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Drenthe (verder: Bmo) vastgestelde uurtarieven is bepaald, een toereikende invulling heeft gegeven aan de ingevolge artikel 4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (verder: Wmo) op hem rustende compensatieplicht. Er zijn geen omstandigheden op basis waarvan appellanten in aanmerking hadden moeten worden gebracht voor een hoger uurtarief dan in artikel 7 van het Bmo voor HV1 is neergelegd.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g sub 6, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

4.2. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo - voor zover hier van belang - bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6 °, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen om een huishouden te voeren.

4.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een PGB.

4.4. Artikel 6 van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar PGB, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.5. Artikel 26 van de WMO luidt:

1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

2. Bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en een beslissing op het beroep als bedoeld in artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4.6. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Midden-Drenthe uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Drenthe (hierna: Verordening).

4.7. Ingevolge artikel 12 van de Verordening worden de bedragen die per klasse in de vorm van een PGB worden verstrekt jaarlijks door het College vastgesteld en vastgelegd in het Bmo.

4.8. Ingevolge artikel 7 van het Bmo wordt bij de vaststelling van een PGB voor hulp in de huishouding een bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 11,53 voor huishoudelijke verzorging niveau 1 (HV1), welk bedrag 75% is van het adviestarief van het College Tarieven Gezondheidszorg (verder: CTG).

4.9. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het door het College gehanteerde uurtarief voor het PGB voor HV1 van € 11,53 per

8 november 2007 en € 11,71 per 1 januari 2008 in rechte stand houdt.

4.10. Uit de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo neergelegde compensatieplicht vloeit voort dat het College gehouden is om personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging een zodanige voorziening aan te bieden dat hun beperkingen om daarin zelf te voorzien in het concrete, individuele geval worden gecompenseerd. Dit geldt zowel voor voorzieningen in natura als voor PGB’s.

4.11. Het College heeft in het kader van artikel 6 van de Wmo bij de vaststelling van de hoogte van het uurtarief voor het PGB, conform het bepaalde in artikel 7 van het Bmo, het adviestarief van CTG als uitgangspunt gehanteerd. De Raad is van oordeel dat het College daarmee een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Aangezien het CTG sinds 2007 geen uurtarieven voor huishoudelijke verzorging vaststelt is de gehanteerde vergelijkingsmaatstaf immers fictief geworden.

4.12. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 17 november 2009 (onder meer LJN BK4603) kan wel als uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van het uurtarief voor het PGB worden genomen het uurtarief waarvoor de gemeente huishoudelijke verzorging in de zin van de Wmo krachtens aanbesteding heeft gecontracteerd. Dit onverminderd de mogelijkheid voor een persoon die op huishoudelijke verzorging is aangewezen om zich in het concrete geval op het (onderbouwde) standpunt te stellen dat de door de gemeente gecontracteerde zorg zich in zijn geval niet kwalificeert als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo en dat het college van burgemeester en wethouders zich in dat geval daarover gezien artikel 26 van de Wmo een gemotiveerd oordeel zal moeten vormen.

4.13. Het door het College vastgestelde uurtarief voor het PGB in 2007 en 2008 is gelegen onder het in r.o. 4.12 bedoelde uurtarief waarvoor de huishoudelijke verzorging in de zin van Wmo krachtens aanbesteding door het College is gecontracteerd. Appellanten hebben gemotiveerd betwist dat zij met het toegekende PGB HV1 kunnen inkopen van vergelijkbaar niveau met de door de gemeente gecontracteerde zorg. Onder die omstandigheden dient het College aannemelijk te maken dat de zorg wel voor het toegekende uurtarief kan worden ingekocht. Het College is hierin niet geslaagd. De gestelde omstandigheid dat op de markt van vraag en aanbod eenvoudig schoonmaakwerk kan worden ingekocht voor lagere tarieven dan het toegekende PGB, rechtvaardigt niet zonder meer dat het uurtarief van het PGB op een lager bedrag dan het uurtarief van de door de gemeente gecontracteerde huishoudelijke verzorging wordt vastgesteld. Deze door het College bedoelde tarieven geven immers als zodanig onvoldoende inzicht in de vraag of voor deze tarieven zorg kan worden ingekocht van dezelfde kwaliteit als de gecontracteerde zorg. Onduidelijk blijft immers of voor deze lagere tarieven zorg kan worden ingekocht die in termen van kwaliteitswaarborgen, arbeidsvoorwaarden, scholingsfaciliteiten, continuïteit en uren waarop de gecontracteerde zorg al dan niet moet worden geleverd, vergelijkbaar is met de door de gemeente gecontracteerde zorg.

4.14. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het College erkend dat met het aan appellanten toegekende PGB geen HV1 bij een instantie kan worden ingekocht. Vervolgens is gesteld dat met het toegekende PGB gebruik kan worden gemaakt van een zzp-er of een alfahulp voor HV1, zodat geen administratiekosten behoeven te worden gemaakt. Deze zienswijze van het College, waarbij eventuele administratiekosten voor rekening van appellanten blijven, deelt de Raad niet omdat deze inbreuk maakt op de in artikel 6 van de Wmo neergelegde keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een PGB. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat met het toegekende uurtarief voor het PGB wordt voldaan aan de verplichting van het College om appellanten een zodanige voorziening aan te bieden dat hun beperkingen om daarin zelf te voorzien in het concrete individuele geval worden gecompenseerd.

4.15. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het besluit van 29 mei 2008 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van de Wmo niet in stand kan blijven. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 29 mei 2008 niet in stand blijven. De Raad kan evenmin zelf in de zaak voorzien, nu het tot de discretionaire bevoegdheid van het College behoort om het uurtarief van het PGB vast te stellen. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen het hiervoor aangeduide gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 29 mei 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

ew


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature