< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een lening ter voldoening van een belastingschuld in verband met teveel betaalde tegemoetkoming kinderopvang. Appellante beschikte ten tijde van het ontstaan van de belastingschuld over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in haar geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB .

Uitspraak



09/1615 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5 maart 2009, 07/1182 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 22 februari 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het College appellantes aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een lening ter voldoening van een belastingschuld van € 3.654,--, in verband met teveel betaalde tegemoetkoming kinderopvang over het jaar 2005, afgewezen.

1.2. Bij besluit van 22 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

22 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het ontstaan van de belastingschuld beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde in beginsel dan ook een beletsel voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.

4.2. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in haar geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB . De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat, ongeacht of en in hoeverre het ontstaan van de belastingschuld is toe te rekenen aan appellante, appellante haar schuld blijkens de stukken kan voldoen via een betalingsregeling met de Belastingdienst. Aldus kan appellante in wezen hetzelfde effect bereiken als is beoogd met de in geding zijnde aanvraag om leenbijstand.

4.4. Het voorgaande brengt mee dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellante dient daarom te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

SG


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature