< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een loods op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Westerveld (hierna: het perceel).

Uitspraak



201009164/1/H1.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Westerveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 juni 2010 in zaak nr. 09/54 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een loods op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Westerveld (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 december 2008 heeft het college de door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 29 april 2008 herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij uitspraak van 24 juni 2010, aan [appellante] verzonden op 6 september 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de bezwaren van [wederpartijen] beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Groningen, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door J.G. de Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartijen], vertegenwoordigd door [drie wederpartijen], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rusten ingevolge het bestemmingsplan "Uffelte 1992" de bestemmingen "Boerderijwoningen" en "Agrarisch gebied". Het bouwplan voor de loods met een nokhoogte van 6,60 m en een bruto vloeroppervlak van 300 m² is voorzien op een plek met de bestemming "Agrarisch gebied". Het bouwplan is met die bestemming in strijd. Het college heeft voor het bouwplan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. Voor zover [wederpartijen] betogen dat [appellante] geen belang meer heeft bij de behandeling van haar hoger beroep, omdat zij inmiddels elders bedrijfsbebouwing heeft gerealiseerd, slaagt dit betoog niet. Zoals ter zitting is komen vast te staan, wenst [appellante] het bouwplan nog steeds te realiseren ten behoeve van het onder 2.3.3 te vermelden gebruik.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde bedrijfsactiviteiten zijn aan te merken als kleinschalige activiteiten, heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat de loods zal worden gebruikt voor kleinschalige activiteiten ten dienste van het hoveniersbedrijf en dat dit in overeenstemming is met de door de raad van de gemeente Westerveld in 2003 vastgestelde structuurschets Uffelte (hierna: de structuurschets). Zij wijst er in dit verband op dat in de structuurschets het begrip 'kleinschalig' niet is gedefinieerd, dat aan beide zijden van de Rijksweg gebouwen staan van dezelfde of grotere omvang dan het bouwplan en dat het bouwplan vanwege de relatief geringe omvang niet past op een bedrijventerrein.

2.3.1. Ingevolge artikel 19, lid A, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "agrarisch gebied" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 19, lid B, onderdeel 1, mogen op de tot "agrarisch gebied" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken - niet zijnde voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest - ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte ten hoogste 1,50 m bedraagt.

2.3.2. In de ruimtelijke onderbouwing van oktober 2008, die aan het besluit van 15 december 2008 ten grondslag ligt, is vermeld dat de hoofdactiviteiten van [appellante] bestaan uit het aannemen van werk in grootschalig groen en dat een klein deel van het werk bestaat uit aanleg en onderhoud van tuinen van particulieren. Voorts is vermeld dat bedrijfsvestiging in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing past binnen gemeentelijk en provinciaal beleid. Zo wordt in de structuurschets Uffelte het combineren van wonen en werken aanbevolen, omdat het levendigheid in de buurt geeft en aansluit bij de wens vanuit de bevolking om kleinschalige bedrijvigheid, passend bij de schaal en behoefte van Uffelte, te stimuleren. In de structuurschets worden drie varianten onderscheiden voor het combineren van werken en wonen. Een voorbeeld van één daarvan is het hebben van een bedrijfsruimte in de vorm van een bijgebouw. Daarvan is in dit geval sprake, aldus de ruimtelijke onderbouwing. Voorts is vermeld dat het perceel grenst aan het buitengebied.

2.3.3. In de structuurschets is het begrip 'kleinschalige bedrijvigheid' niet gedefinieerd. Het college heeft ter zitting in aanvulling op de ruimtelijke onderbouwing erop gewezen dat in de structuurschets is vermeld dat Uffelte vanwege de ligging aan de Rijksweg N371 goed bereikbaar is en interessant is voor de vestiging van kleinschalige bedrijvigheid die is verbonden met de regio. Volgens het college liggen de mogelijkheden voor bedrijvigheid in Uffelte met name langs de Rijksweg. Het college heeft voorts nader toegelicht dat het beoogde gebruik van de schuur niet intensief is, omdat op het perceel geen bedrijfsactiviteiten zullen worden verricht, omdat die - zoals gebruikelijk in de groenvoorziening - op locatie elders plaatsvinden. De schuur zal volgens het college worden gebruikt voor het stallen van machines. [appellante] heeft in aanvulling hierop ter zitting medegedeeld dat de loods slechts zal worden gebruikt voor de opslag van seizoensmateriaal in de seizoenen waarin dat materiaal niet wordt gebruikt.

2.3.4. Nu in de structuurschets niet nader wordt toegelicht wat moet worden verstaan onder kleinschalige bedrijvigheid, heeft de rechtbank in de omvang van de loods en het beoogde gebruik daarvan ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het college niet kon worden gevolgd in zijn uitleg van kleinschaligheid als bedoeld in de structuurschets. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het voorgenomen gebruik van de loods, zoals vermeld in de aan de vrijstelling ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing en ter zitting door het college en [appellante] nader toegelicht, niet intensief is en mede om die reden als kleinschalig kan worden aangemerkt. Evenmin kan uitsluitend op grond van de afmetingen van de schuur worden geoordeeld dat het voorgenomen gebruik daarvan niet valt onder het begrip kleinschalige bedrijvigheid. Uit het vorenstaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat het college het bouwplan ten onrechte niet strijdig heeft geacht met het in de structuurschets neergelegde streven om op beperkte schaal de combinatie van wonen en werken mogelijk te maken.

Het betoog slaagt.

2.4. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overgebleven beroepsgronden beoordelen, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.

2.5. [wederpartijen] hebben in beroep betoogd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen voor het bouwplan zoals het heeft gedaan, omdat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Volgens hen past een bouwplan met een omvang als thans aan de orde niet achter hun woonwijk, maar hoort dit op een bedrijventerrein.

2.6. Voor zover [wederpartijen] betogen dat het bouwplan vanwege de omvang niet passend is op de plek waar het is voorzien, overweegt de Afdeling dat het perceel is gelegen aan de rand van het dorp en niet in de woonwijk, en dat - zoals ook in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld - ter plaatse geen sprake is van een open landschap, maar dat het gebied langs de Rijksweg, waar het perceel is gelegen, een afwisselend beeld geeft van zowel bebouwing (wonen, bedrijvigheid) als open stukjes land zoals weiland. Gelet hierop en op het ter zitting overgelegde fotomateriaal van de directe omgeving, geeft het door [wederpartijen] aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college het bouwplan niet passend in de omgeving kon achten.

Voor zover [wederpartijen] beogen te betogen dat de te realiseren loods hun uitzicht belemmert vanwege de omvang ervan, neemt de Afdeling in aanmerking dat het college terecht in het besluit op bezwaar heeft vermeld dat geen recht bestaat op onbeperkt vrij uitzicht. Voorts heeft het college gewezen op de bedrijfseconomische belangen van [appellante] en op de economische belangen van het dorp Uffelte bij bevordering van de kleinschalige bedrijvigheid. Onder deze omstandigheden en nu het bouwplan niet pal naast de woningen van [wederpartijen] is voorzien, maar op ongeveer 25 m afstand daarvan, heeft het college in redelijkheid aan de belangen die zijn gemoeid bij realisering van het bouwplan een groter gewicht kunnen toekennen dan aan die van [wederpartijen] bij afzien daarvan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 december 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu het besluit van 15 december 2008 rechtmatig is.

2.9. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellante] betaalde griffierecht door de gemeente Westerveld moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht, naar analogie van artikel 52, vijfde lid, van die wet, door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 juni 2010 in zaak nr. 09/54;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

488.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature