< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Scherpenisse, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Uitspraak



200906521/1/T1/M3.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Tholen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Scherpenisse, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing . J. van Dijk, en de raad, vertegenwoordigd door ing. P.A. Quist en R. Hoogervorst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet, voor zover hier van belang, in de bouw van 21 woningen. Ten zuiden en westen van de beoogde woningbouw is het loon- en grondverzetbedrijf van [appellant] gevestigd op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] met een ontsluitingsmogelijkheid in oostelijke richting naar de Langeweg.

2.3. De raad voert aan dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het is gericht tegen de vaststelling van plandelen binnen de milieuzonering van andere bedrijven dan dat van [appellant], waaronder [hoveniersbedrijf], omdat [appellant] ter zake geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening , gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht , kan een belanghebbende slechts beroep instellen tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] in zijn zienswijzen de plandelen heeft bestreden die zijn gelegen binnen de milieuzonering van zijn loon- en grondverzetbedrijf alsmede van het [hoveniersbedrijf] aan de [locatie 3]. Anders dan de raad stelt, bestaat dan ook geen grond het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. [appellant] voert aan dat het plan de vestiging van woningen mogelijk maakt op een te korte afstand van zijn bedrijf. Hij stelt dat niet wordt voldaan aan de in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) genoemde afstandseis van 50 meter. Op grond van de milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Deze afwijking is volgens [appellant] in de plantoelichting ontoereikend gemotiveerd. [appellant] betoogt dat zijn bedrijf wordt belemmerd in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering. Voorts zal hierdoor zicht ontstaan vanuit de woningen op zijn bedrijf en zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen volgens hem niet aanvaardbaar zijn. De belangen van hem en derden, waaronder die van [hoveniersbedrijf], zijn volgens [appellant] onvoldoende meegewogen in het besluit. [appellant] verwijst bij het voorgaande naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009, in zaak nr. 200804800/1/R2.

2.4.1. Volgens de plantoelichting is bij het opstellen van het bestemmingsplan als eerste globaal toetsingskader de VNG-brochure gebruikt. Op grond van de milieuzoneringslijsten moet zonder afschermende maatregelen rekening worden gehouden met een richtafstand van 50 meter tussen het loonbedrijf en woningen. Deze afstand wordt in de huidige en toekomstige situatie niet gehaald, aldus de plantoelichting. In een concrete situatie is volgens de plantoelichting de milieuwetgeving echter bepalend. In de directe omgeving van de [locatie 2] is de dichtstbijzijnde bestaande woning (Platteweg 13) gelegen op ongeveer 8 meter van het bouwvlak, terwijl ten opzichte van het bouwvlak aan de [locatie 1] de dichtstbijzijnde bestaande woning ([locatie 3]) is gelegen op ongeveer 13 meter. De dichtstbij geprojecteerde nieuw te bouwen woning komt te liggen op een afstand van ongeveer 25 meter van de rand van het bedrijfsperceel aan de [locatie 2]. De nieuw te bouwen woningen komen op een afstand van ruim 50 meter te liggen vanaf het bouwblok aan de [locatie 1]. Met deze planologische opzet is volgens de plantoelichting de milieutechnische of bedrijfseconomische situatie van [appellant], dan wel het milieuhygiënische belang van het geprojecteerde woongebied niet in het geding. In verweer heeft de raad hierbij aangevoerd dat gelet op artikel 4, zesde lid, van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw), dit Besluit van toepassing blijft op het bedrijf van [appellant], nu de afstanden tot woningen niet afnemen.

2.4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit landbouw is dit besluit van toepassing op een gemechaniseerd loonbedrijf.

Ingevolge artikel 4, zesde lid, is dit besluit van toepassing op een inrichting waarin geen landbouwhuisdieren worden gehouden, die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V, die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de afstand die moet worden aangehouden op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven of het Besluit bedekte teelt milieubeheer tot het dichtstbijzijnde object categorie I, II, III, IV of V, niet is afgenomen.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat, nu in de bestaande situatie reeds woningen zijn gelegen op 8 en 13 meter van de locaties van het bedrijf van [appellant], verwezenlijking van de in het plan voorziene woningen er niet toe leidt dat de afstand van het bedrijf van [appellant] tot het dichtstbijzijnde object categorie I, II, III, IV of V afneemt. Verwezenlijking van de in het plan voorziene woningen leidt er derhalve niet toe dat er ten aanzien van het bedrijf van [appellant] niet langer een bestaande situatie is zoals bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het Besluit landbouw. Dit brengt mee dat het bedrijf ook na de verwezenlijking van de woningen onder het Besluit landbouw in werking mag zijn.

Voor zover [appellant] zich beroept op de uitspraak van 24 juni 2009, in zaak nr. 200804800/1/R2, overweegt de Afdeling dat het onderhavige geval daarmee niet vergelijkbaar is, aangezien het plan in dat geval voorzag in de bouw van nieuwe woningen op een geringere afstand van het bedrijf dan in de bestaande situatie het geval was, zodat na de realisering daarvan artikel 4, zesde lid, van het Besluit landbouw niet meer van toepassing was.

Ter plaatse van zowel de bestaande als de nieuwe woningen moet het bedrijf van [appellant] reeds aan de voorschriften van het Besluit landbouw, waaronder die ten aanzien van geluid, voldoen.

Ook indien ter plaatse van de bestaande woningen aan de geluidgrenswaarden van het Besluit landbouw kan worden voldaan, betekent dit niet dat zonder nader onderzoek kan worden aangenomen dat ter plaatse van de nieuwe woningen, die zijn gelegen aan een andere zijde van het bedrijf, eveneens aan deze waarden kan worden voldaan. De Afdeling is van oordeel dat gezien de beperkte afstand tussen het bedrijf van [appellant] en de voorziene woningen, een akoestisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd om aan te tonen dat ter plaatse van die woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw kan worden voldaan. De raad heeft dan ook bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. Het besluit is gelet hierop in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht .

De beroepsgronden zijn in zoverre terecht voorgedragen.

2.4.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zicht vanuit de woningen op zijn bedrijf, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de desbetreffende woningen in verband met dit zicht een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat.

[appellant] heeft zijn beroepsgrond dat de belangen van andere bedrijven, waaronder [hoveniersbedrijf], onvoldoende zijn meegewogen, niet onderbouwd.

De beroepsgronden falen in zoverre.

2.5. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.4.3 alsnog te onderzoeken of het bedrijf van [appellant] ter plaatse van de nieuwe woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw kan voldoen en zo nodig, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, het bestreden besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt.

2.6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Tholen op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 2.4.3 het besluit van 9 juli 2009 te herstellen door alsnog te onderzoeken of het bedrijf van [appellant] ter plaatse van de nieuwe woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw milieubeheer kan voldoen en zo nodig dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

271-690.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature