< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Aan eiser, die boer is en eigenaar van landbouwgrond, is een aanslag watersysteemheffing opgelegd. Op grond van artikel 117 van de vernieuwde Waterschapswet zijn eigenaren van landbouwgrond, zoals ook al reeds was bepaald in het oude artikel 117, vijfde lid, van de Waterschapswet , voor wat betreft de kostentoedeling ingedeeld in dezelfde categorie als eigenaren van wegen en andere infrastructuur. Voor eigenaren van natuurterreinen is wel een aparte - gunstige - categorie vastgesteld door de formele wetgever. Die indeling is niet in strijd met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM . Dat artikel 6.6, tweede lid, van het Waterschapsbesluit afwijkt van het in artikel 120, vierde lid, van de Waterschapswet gehanteerde uitgangspunt dat toedeling van kosten plaatsvindt op basis van de waarde in het economische verkeer, noopt voorts niet tot het oordeel dat de aanslag onrechtmatig is opgelegd, nu waardebepaling van wegen en andere infrastructuur op basis van de - gecorrigeerde - vervangingswaarde wel in lijn is met de uitdrukkelijke bedoeling van de formele wetgever. De overige voorgedragen beroepsgronden, die betrekking hebben op de tariefstelling, nopen evenmin tot het oordeel dat sprake is van onredelijke of willekeurige belastingheffing. De door eiser ingeroepen uitlatingen van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat binden verweerder niet. De aanslag is rechtmatig opgelegd. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nr.: 09/1438 WATOM

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [plaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van Tricijn Belastingen te Harderwijk

verweerder.

1. Procesverloop

Aan eiser is voor het jaar 2009 door het Waterschap Zuiderzeeland een aanslag watersysteemheffing opgelegd ten bedrage van € 6.116,69 (aanslagnummer [nummer]).

Bij uitspraak op bezwaar van 29 juli 2009 heeft verweerder het door eiser tegen deze aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft bij brief van 7 september 2009 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 januari 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van Veenendaal en J.E. de Bondt-van de Poll.

2. Overwegingen

2.1 In geschil is of de door verweerder aan eiser opgelegde aanslag watersysteemheffing 2009 juist is vastgesteld, voor zover het betreft de watersysteemheffing ter zake van ongebouwde onroerende zaken.

2.2 De bestreden aanslag is gebaseerd op de Verordening op de watersysteemheffing Waterschap Zuiderzeeland 2009 (hierna: de Verordening), vastgesteld door de Algemene Vergadering van het Waterschap Zuiderzeeland op 18 november 2008, en de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Zuiderzeeland 2009 (hierna: de Kostentoedelingsverordening), vastgesteld door de Algemene Vergadering van het Waterschap Zuiderzeeland op 28 oktober 2008.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

Volgens het tweede lid, aanhef, onder b, wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.

Volgens het tweede lid, aanhef, onder d, wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.

Ingevolge artikel 117 van de Waterschapswet (hierna: Wsw) wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:

a. ingezetenen zijn;

b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen;

d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 118, vijfde lid, van de Wsw worden, voor zover van belang, voor de heffing, bedoeld in artikel 117, openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken, aangemerkt als ongebouwde eigendommen, niet zijnde natuurterreinen.

Ingevolge artikel 120, vierde lid, van de Wsw wordt de toedeling van het kostendeel voor de categorie ën, bedoeld in artikel 117, onderdelen b tot en met d, bepaald op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hiertoe nadere regels gesteld.

Ingevolge artikel 122, derde lid, van de Wsw kan, voor zover van belang, de heffing maximaal 100 % hoger worden vastgesteld voor verharde openbare wegen.

Ingevolge artikel 6.3 van het Waterschapsbesluit (hierna: Wsb) is de waarde van de ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, de som van de waarden in het economische verkeer van de:

a. agrarische gronden;

b. openbare landwegen, inclusief kunstwerken;

c. banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;

d. bouwpercelen; en

e. overige ongebouwde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 6.4, tweede lid, van het Wsb is de waarde van de categorie ongebouwde zaken, bedoeld in artikel 6.3, onderdeel b, het product van de oppervlakte in hectaren en het gewogen gemiddelde van de waarden per hectare van de:

a. autosnelwegen;

b. hoofd- en regionale wegen;

c. lokale wegen en wegen binnen bebouwde kom;

d. overige verharde wegen, inclusief kunstwerken, binnen het gebied van het waterschap.

Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Wsb omvat de gemiddelde waarde per hectare en de in aanmerking te nemen oppervlakte van de categorieën ongebouwde zaken, bedoeld in artikel 6.3, onderdelen b en c, de waarde en de oppervlakte van de kadastrale percelen waarin zij zijn gelegen, met uitzondering van de delen van die percelen die ingevolge de wet worden aangemerkt als gebouwde onroerende zaken of als natuurterreinen of die niet dienstbaar zijn aan de verkeersfunctie van deze ongebouwde zaken.

In het tweede lid wordt vervolgens de waarde van elk van de categorieën ongebouwde zaken, bedoeld in artikel 6.3, onderdeel c, en artikel 6.4, tweede lid, onderdelen a tot en met d, gesteld op 75 % van de vervangingswaarde.

2.3 Eiser, die agrariër en eigenaar van landbouwgrond is, stelt – kort samengevat – dat de nieuwe Waterschapswet in zijn geval leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Eiser is van mening dat onevenredig veel kosten worden toegerekend aan eigenaren van agrarische onbebouwde grond. Daarbij wijst eiser erop dat voor eigenaren van natuurterreinen wel een aparte – gunstige – categorie is vastgesteld, terwijl eigenaren van landbouwgrond zijn ingedeeld bij eigenaren van wegen en andere infrastructuur. Volgens eiser is de uit artikel 117 van de Wsw in verbinding met artikel 120 van de Wsw voortvloeiende kostentoedeling aan diverse categorie ën van belastingplichtigen in strijd met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM . Voorts mist volgens hem artikel 6.6, tweede lid, van het Wsb verbindende kracht, omdat het in strijd is met artikel 120, vierde lid, van de Wsw . Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de Kostentoedelingsverordening onverbindend is. Eiser heeft daartoe naar voren gebracht dat het Waterschap Zuiderzeeland geen inzicht heeft gegeven in de aan de aanslag ten grondslag liggende cijfers en berekeningen, dat het tarief voor eigenaren van natuurterreinen niet in verhouding staat tot de kosten die voor die terreinen worden gemaakt en dat het Waterschap Zuiderzeeland de oppervlakte en waarde van verharde wegen en natuurterreinen niet juist heeft vastgesteld. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder de aanslag, die volgens hem onevenredig hoog is, ten onrechte niet heeft gematigd.

2.4 Verweerder stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de aanslag rechtmatig is opgelegd.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is te oordelen over de innerlijke waarde of billijkheid van een wet in formele zin, zoals de Wsw. Voor ingrijpen door de rechter is slechts plaats indien de wet niet verenigbaar is met enige Verdragsbepaling of algemeen rechtsbeginsel.

2.5.1 Volgens eiser is sprake van strijdigheid van de Wsw met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM , aangezien de wetgever ongelijke gevallen gelijk behandelt door onder meer wegen en andere infrastructuur net als landbouwgrond aan te merken als ongebouwde eigendommen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.5.2 Volgens vaste rechtspraak verbieden artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd, en in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Deze rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op gelijke behandeling van ongelijke gevallen.

2.5.3 De rechtbank stelt vast dat in artikel 117, vijfde lid, van de Wsw (oud) reeds was bepaald dat, voor zover van belang, wegen en andere infrastructuur dienen te worden aangemerkt als ongebouwde eigendommen. In het Verslag van wetgevingsoverleg van 22 november 2006 (TK, 2006-2007, 30 601, nr. 24, p. 14) over de wijziging van de Wsw is voorts de volgende verklaring van de Minister van Verkeer en Waterstaat vermeld:

“Dan kom ik bij de vragen over de infrastructuur, ongebouwd en gebouwd. De heer [naam] heeft een opmerking gemaakt over de onevenredig hoge heffing voor de boeren. De vraag was of het indelen van wegen, spoorwegen en vaarwegen bij de categorie ongebouwd niet leidt tot onevenredig hoge heffingen voor de andere eigenaren in deze categorie en of de landbouw daar niet met name de dupe van is. Eigenaren van wegen en andere infrastructuur moeten net als ieder ander waterschapsheffing betalen. Omdat er in het verleden discussie was over de vraag of wegen behoren tot de categorie gebouwd of ongebouwd is in de wet vastgelegd dat infrastructuur beschouwd moet worden als ongebouwd. Dat blijft ongewijzigd, dus er is niets nieuws onder de zon. Sommige partijen hebben echter aangevoerd dat de classificatie afgeschaft is, waardoor andere eigenaren in de categorie ongebouwd er meer last van hebben dat de infrastructuur in dezelfde categorie zit. Dat klopt. Daarom zal in de AMvB bepaald worden dat de waarde van de wegen voor maximaal 75% van de herbouwwaarde meegeteld mogen worden. Tot nu toe zijn daar geen regels voor gesteld. Ik ben wel bereid de waterschappen de gelegenheid te geven om de pijn voor de boeren een beetje te verzachten door de wegen toe te voegen aan de regeling voor tariefdifferentiatie. Overigens gaat de landbouw er met deze nieuwe wet financieel behoorlijk op vooruit door de daling van 116 mln. tot 60 mln. per jaar. Om de positie van de landbouwsector niet helemaal te marginaliseren – vooral als het gaat om de trits belang, betaling en zeggenschap – is er een bestuurlijke afweging gemaakt om de infrastructuur in deze categorie te laten. Zoals het nu is, betaalt de landbouw 4% van de kosten. Als je dit zou veranderen, gaat de landbouw naar 2% van de kosten. Dan staat de financiële bijdrage van de landbouw niet meer in verhouding tot de inspanningen van de waterschappen voor die sector. Het gaat dan niet alleen om waterkwantiteitsbeheer maar ook om waterkwaliteitsbeheer. De landbouw is ook een belangrijke veroorzaker van diffuse verontreiniging. Diffuse bronnen vallen, zoals bekend, niet onder de heffingen. Dat is te gecompliceerd. Een substantiële bijdrage van de sector is dan zonder meer terecht. De wegen zijn niet de enige bron van diffuse verontreiniging, ook de landbouw is een bron.”

2.5.4 Voor zover al sprake is van gelijke behandeling van ongelijke gevallen, overweegt de rechtbank dat blijkens de wordingsgeschiedenis van artikel 117 van de Wsw voor de indeling van eigenaren van landbouwgrond, die een belangrijke bron van verontreiniging zijn en bovendien bijzonder belang hebben bij de watersysteemzorg, in dezelfde categorie als eigenaren van wegen en andere infrastructuur, een objectieve en niet onredelijke rechtvaardiging bestaat. In de voorgedragen beroepsgronden ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat zich een door artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM verboden discriminatie voordoet. Evenmin is gebleken van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die noopt tot ingrijpen door de rechter. De beroepsgrond faalt dan ook.

2.6 Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat artikel 6.6, tweede lid, van het Wsb verbindende kracht mist, omdat daarin is bepaald dat van onder meer wegen de vervangingswaarde moet worden vastgesteld, hetgeen in strijd is met artikel 120, vierde lid, van de Wsw , dat voorschrijft dat kostentoedeling plaatsvindt op basis van de waarde in het economische verkeer, overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.1 In de Memorie van Toelichting (TK, 2005-2006, 30 601, nr. 3, pp. 6, 24 en 25) is vermeld:

“LTO Nederland maakt bezwaar tegen de fictiebepaling die wegen tot de categorie ongebouwd rekent. Deze bepaling staat echter ook al in de huidige wet. Nieuw is slechts het voornemen om de waarde bij algemene maatregel van bestuur te beperken tot maximaal 75% van de herbouwwaarde. Daarmee wordt de waardering geüniformeerd en doorberekening tegen volledige herbouwwaarde onmogelijk gemaakt.

(…)

c. het profijtdeel van de watersysteemheffing

Nadat eerst bepaald is welk aandeel van de kosten door de ingezetenen opgebracht moet worden, blijft het profijtdeel over. Dit zijn de kosten die door de specifieke categorieën opgebracht moeten worden. Zoals hiervoor al gesteld, wordt het kostenaandeel per specifieke categorie bepaald op basis van de onderlinge waardeverhouding van de onroerende zaken behorende bij de verschillende categorieën van belastingplichtigen. (…) Aparte aandacht verdient de waardebepaling van wegen, spoorwegen en vaarwegen. Deze vallen van oudsher voor de heffing via wetsfictie onder de categorie ongebouwd. Dit blijft ongewijzigd in dit wetsvoorstel, en wel onder categorie agrarische en overige ongebouwde gronden. De waardebepaling van deze gronden is echter lastig omdat er de facto geen transacties van wegen of spoorwegen plaatsvinden, en er dus geen waarde in het economisch verkeer beschikbaar is. Voor de waardebepaling van deze objecten ten behoeve van de kostentoedeling bevat de huidige Waterschapswet geen bepalingen. Uit een oogpunt van uniformiteit en transparantie is dit nu wel wenselijk. Aansluitend bij de voorschriften van de Wet WOZ en bij de gangbare praktijk van de waterschappen zal de waarde daarom worden bepaald aan de hand van de vervangingswaarde, waarop correcties kunnen worden toegepast voor technische en functionele veroudering. Teneinde niet voortdurend de technische en functionele veroudering te moeten bepalen, is er uit doelmatigheidsoverwegingen voor gekozen bij algemene maatregel van bestuur een correctiefactor vast te leggen. Het voornemen bestaat om in de genoemde algemene maatregel van bestuur de gecorrigeerde vervangingswaarde vast te stellen op 75% van de vervangingswaarde. In de kostentoedelingsverordening van het waterschap zal de concrete uitwerking voor het bepalen van de kostenaandelen voor de verschillende categorieën worden vastgelegd. Deze verordening behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten, zoals dat nu ook het geval is.”

In de Nota van Toelichting (Stb. 2007, nr. 497, pp. 130,133 en 134) is voorts vermeld:

“Artikel 6. 2

Voor de berekening van de onderlinge waardeverhoudingen tussen de categorieën ongebouwd, natuurterreinen en gebouwd dient per categorie de gezamenlijke waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken te worden vastgesteld. In dit besluit wordt aan het begrip waarde in het economische verkeer een ruime invulling gegeven.

(…)”

“Artikel 6. 6

Eerste lid. (…)

Tweede lid. De waarde van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief verkeersvoorzieningen, wordt bepaald op de vervangingswaarde. Onder de vervangingswaarde wordt in dit verband verstaan de kosten die herbouw van een identiek vervangend object zouden vergen. (…). Op de aldus verkregen waarden wordt een correctiefactor toegepast voor technische en functionele veroudering. Uit doelmatigheidsoverwegingen is deze in het besluit gesteld op 25% van de vervangingswaarde. Aldus wordt voorkomen dat de correctie voor technische en functionele veroudering van geval tot geval moet worden vastgesteld.”

2.6.2 Hoewel met eiser moet worden vastgesteld dat artikel 6.6, tweede lid, van het Wsb afwijkt van het in artikel 120, vierde lid, van de Wsw gehanteerde uitgangspunt dat toedeling van kosten plaatsvindt op basis van de waarde in het economische verkeer, kan eisers beroepsgrond niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat waardebepaling van wegen en andere infrastructuur op basis van de

– gecorrigeerde – vervangingswaarde, zoals in dit geval op de voet van artikel 6.6, tweede lid, van het Wsb heeft plaatsgevonden, in lijn is met de uitdrukkelijke bedoeling van de formele wetgever.

2.7 Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat de Kostentoedelingsverordening onverbindend is, overweegt de rechtbank als volgt.

2.7.1 Volgens vaste rechtspraak (arresten van de Hoge Raad van 22 juli 1997, LJN: AA2259 en 15 maart 2000, LJN: AA5135) zijn geschillen over de Kostentoedelingsverordening niet (langer) aan de beoordeling van de belastingrechter onttrokken. De in de Kostentoedelingsverordening opgenomen tariefstelling als vrucht van wetgevende arbeid staat echter op zichzelf niet ter beoordeling van de belastingrechter. Voor ingrijpen door de rechter is slechts plaats indien met de gekozen tariefstelling sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

2.7.2 In de artikelen 6.2 tot en met 6.11 van het Wsb zijn regels gegeven voor de toedeling van kosten aan de diverse categorieën van belastingplichtigen en de daarbij te hanteren waardepeildatum.

In de Nota van Toelichting (Stb. 2007, nr. 497, p. 134) bij artikel 6.6, eerste lid, van het Wsb, dat betrekking heeft op de waardebepaling van wegen en andere infrastructuur, is vermeld:

“Bij de waardebepaling van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per rail worden behalve de landwegen en spoorbanen als zodanig ook verkeersvoorzieningen en kunstwerken, zoals bruggen, viaducten en tunnels, betrokken. Delen van het kadastrale perceel buiten de rijbanen, die dienstbaar zijn aan het verkeer over de weg, worden tot de weg gerekend. Het gaat hierbij om grond die een bijdrage levert aan de verkeerskundige functionaliteit van de weg. Dit betekent dat ook tussenbermen, obstakelvrije zones buiten de verharding, die worden aangehouden met het oog op de verkeersveiligheid, geluidswerende voorzieningen en bermsloten die een functie vervullen bij de afvoer van hemelwater, bij de waardebepaling in aanmerking dienen te worden genomen. Voor stroken grond langs spoorbanen die dienstbaar zijn aan het verkeer over het spoor geldt mutatis mutandis hetzelfde.”

2.7.3 In artikel 2, eerste lid, van de Kostentoedelingsverordening zijn de kosten voor het watersysteembeheer als volgt toegedeeld:

a. 25% aan de ingezetenen;

b. 23.6% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

c. 0,4% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;

d. 51% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, ter inzage. In het tweede lid is bepaald dat artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing is.

2.7.4 De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat de Kostentoedelingsverordening van 11 september 2008 tot 8 oktober 2008 voor een ieder ter inzage heeft gelegen. Voorts is niet in geschil dat de Kostentoedelingsverordening op

28 oktober 2008 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van het waterschap Zuiderzeeland, waarin alle categorieën van belastingplichtigen zijn vertegenwoordigd, en dat het college van Gedeputeerde Staten van Flevoland bij besluit van 2 december 2008 (BO.13408) daaraan zijn goedkeuring heeft verleend.

2.7.5 In de voorgedragen beroepsgronden ziet de rechtbank, mede gelet op de in artikel 6.2 e.v. van het Wsb gegeven voorschriften, geen grond voor het oordeel dat met de onderhavige kostentoedeling, als onder meer gebaseerd op de waarde van wegen en natuurterreinen, sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet op het oog gehad kan hebben. De enkele, onvoldoende onderbouwde, stelling dat de aan de tariefstelling ten grondslag liggende cijfers en berekeningen ondoorzichtig en onjuist zijn, is, mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Kostentoedelingsverordening, onvoldoende voor de conclusie dat met de in de Kostentoedelingsverordening opgenomen tariefstelling, die berust op afwegingen en keuzen die uitsluitend ter beoordeling staan van de wetgever, sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

2.7.6 Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat het tarief had moeten worden gematigd ten gunste van eigenaren van landbouwgrond, met gebruikmaking van de in artikel 122, derde lid, van de Wsw gegeven bevoegdheid tot tariefdifferentiatie voor verharde wegen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.7.7 De belastingrechter stelt zich bij toetsing van een verordening aan de wet en aan algemene rechtsbeginselen afstandelijk op bij de beoordeling van de keuzes die het bestuur bij de totstandkoming daarvan heeft gemaakt. Voor ingrijpen door de rechter is, zoals reeds in rechtsoverweging 2.7.1 is overwogen, slechts plaats indien met de gekozen tariefstelling sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

2.7.8 In de Memorie van Toelichting (TK, 2005-2006, 30 601, nr. 3, p. 26) is vermeld:

“Bij dit wetsvoorstel is besloten de classificatie te laten vervallen. De relatie tussen de mate van belang en de omvang van de betaling is in de nieuwe kostentoedelingssystematiek een globale, hetgeen past bij het collectieve karakter van het watersysteembeheer. Classificatie, welke veelal is gebaseerd op kostenveroorzaking, past daar niet bij en verhoudt zich ook niet goed met het streven naar een eenvoudige, transparante en fiscaal-juridisch robuuste bekostigingsstructuur.

Er is echter wel reden de tarieven van de heffing van gebouwde en ongebouwde onroerende zaken niet in alle gevallen gelijk te stellen. Voor bepaalde onroerende zaken is het belang bij het watersysteembeheer duidelijk afwijkend van andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief opgesomd in de wet. Om dezelfde reden is de bandbreedte van de tariefdifferentiatie wettelijk begrensd.

Afwijkende tarieven kunnen alleen worden vastgesteld voor buitendijks gelegen onroerende zaken, voor onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden en voor onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden. De regeling is bedoeld voor uitzonderingssituaties waar het toepassen van het normale tarief evident onredelijk zou zijn. De verwachting is dan ook dat van de regeling spaarzaam gebruik zal worden gemaakt. De provincie dient het besluit tot toepassing van tariefdifferentiatie goed te keuren via de kostentoedelingsverordening.”

In de toelichting op de Kostentoedelingsverordening (p. 4) is over tariefdifferentiatie vermeld:

“Het algemeen bestuur is niet tot het differentiëren verplicht. Gelet op de situatie binnen het beheersgebied van Waterschap Zuiderzeeland is besloten niet tot differentiatie over te gaan.”

2.7.9 In de uitspraak op bezwaar, nader toegelicht bij verweerschrift, heeft verweerder gemotiveerd waarom in de Verordening niet is gekozen voor de mogelijkheid het tarief voor wegen te differentiëren. Volgens verweerder is niet gebleken van een evident onredelijk tarief voor eigenaren van landbouwgrond en geeft de enkele hogere waarde van verharde wegen geen aanleiding voor tariefdifferentiatie. Volgens verweerder brengt het systeem van kostentoedeling ook logischerwijs mee dat de evidente onredelijkheid gerelateerd zou moeten worden aan het belang van de desbetreffende groep belastingplichtigen, te weten eigenaren van wegen. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van tariefdifferentiatie ten gunste van eigenaren van landbouwgrond. Dat de aanslag voor eigenaren van landbouwgrond in het gebied van het waterschap Zuiderzeeland, zoals eiser, met 34% procent is gestegen, hoewel bij de totstandkoming van de Wsw een lastenverlichting voor agrariërs is beoogd, kan daaraan niet afdoen.

De door eiser ingeroepen brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 19 juni 2009 (kenmerk: VenW/DGW-2009/680) noopt evenmin tot een ander oordeel. Er is immers geen sprake van uitlatingen die het Waterschap Zuiderzeeland of verweerder kunnen binden, nog daargelaten dat de Staatssecretaris in de brief aangeeft dat de uitkomsten van de evaluatie van het door eiser gewraakte belastingstelsel - waaronder een analyse van de lastenverschuivingen - geen aanleiding geven voor wijziging van dat stelsel.

2.8 Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslag rechtmatig is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten of vergoeding van het griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.T. Rademaker, voorzitter, mr. E.G. de Jong en

mr. L.J. Bosch, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature