< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellante voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Ook de lichamelijke klachten hebben hem geen aanleiding gegeven de FML te wijzigen. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. De Raad heeft geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de functies, gelet op de specifieke voor appellante geldende beperkingen, ongeschikt zijn te achten.

Uitspraak



10/3047 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april 2010, 09/4740 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Adriaansen, juridisch adviseur te Breda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1979, is op 5 juli 2001 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Sinds het ongeval heeft appellante last van diverse lichamelijke en psychische klachten. Ten tijde van het ongeval volgde zij een opleiding. In januari 2004 heeft appellante een MBO-opleiding afgerond. Nadien heeft zij enige tijd werkzaamheden in loondienst verricht via uitzendbureaus of voor bepaalde tijd. Zij heeft die werkzaamheden enige keren wegens ziekte moeten staken.

1.2. Op 13 februari 2009 heeft appellante een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend bij het Uwv.

1.3. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het Uwv geweigerd een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 25% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling van een verzekeringsarts ten grondslag, volgens welke er bij appellante sprake is van beperkingen als gevolg van een whiplash trauma. Hierop is een arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die beperkingen sprake is van geschiktheid voor een aantal functies. Het verlies aan verdiencapaciteit in die functies is volgens de arbeidsdeskundige op 13 februari 2008, zijnde de datum gelegen één jaar voor de aanvraag, nihil.

1.4. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts die, na kennisneming van uitgebreide informatie uit de behandelend sector, tot de slotsom is gekomen dat de verzekeringsarts in ruim voldoende mate rekening heeft gehouden met het geconstateerde beeld, zijnde een psychische stoornis en geen duidelijke geobjectiveerde lichamelijke afwijkingen.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank met het Uwv ten onrechte is uitgegaan van verschillende voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijnde tijdstippen, te weten 4 juli 2002, 4 juli 2007 en 13 februari 2008. Verder is opgemerkt dat de psychiater J.L.M. Schoutrop in zijn rapport van 18 december 2005 heeft vastgesteld dat de huidige klachten van appellante een rechtstreeks gevolg zijn van het ongeval in 2001. Appellante is van mening dat haar beperkingen in de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) sterk zijn onderschat.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Voorop moet worden gesteld dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

4.2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.3. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken blijkt dat de Wajong-beoordeling van appellante heeft plaatsgevonden per 13 februari 2008, zijnde één jaar voorafgaande aan het aanvragen van de Wajong-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt volgens het Uwv (ook) per 13 februari 2008 minder dan 25%. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat de belastbaarheid van appellante op 13 februari 2008 gelijk was aan de belastbaarheid op 4 juli 2002, zijnde het einde van de wachttijd na het verkeersongeval.

4.4. De Raad is van oordeel dat de gekozen datum van beoordeling juist is omdat appellante op 13 februari 2009, toen zij 29 jaar was, een (laattijdige) aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong . Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om uitkering kan naar vaste jurisprudentie geen bijzonder geval opleveren. De uitkering kan dus niet eerder ingaan dan op 13 februari 2008.

4.5. In geding is vervolgens de vraag of de beperkingen en mogelijkheden van appellante per 13 februari 2008 ten aanzien van arbeid juist zijn beoordeeld en vastgelegd in de FML en of appellante op en na deze datum geschikt was te achten voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellante voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft bij de vaststelling van de FML op 25 maart 2009 al rekening gehouden met onder meer de rapportage van psychiater Schoutrop en heeft ook enkele beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren voor appellante aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens kennis genomen van uitgebreide informatie vanuit de behandelend sector, waaronder brieven van de psychiaters C. Meiering en

G. Gras. Onder verwijzing naar deze brieven heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aangegeven dat er geen aanleiding is meer psychische beperkingen aan te nemen. Ook de lichamelijke klachten hebben hem geen aanleiding gegeven de FML te wijzigen. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Ook het namens appellante overgelegde arbeidsdiagnostisch rapport van 21 januari 2011 vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, nu daarin geen medische gegevens worden vermeld die bij de verzekeringsartsen nog niet bekend waren.

4.7. Voorts heeft de Raad in de beschrijvingen van de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies en in de belasting in die functies geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de functies, gelet op de specifieke voor appellante geldende beperkingen, overigens ongeschikt zijn te achten voor haar.

4.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature