< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het bestreden besluit is ten onrechte genomen namens de Staatssecretaris van Justitie, nu ten tijde van het nemen daarvan diens bevoegdheden waren overgenomen door de Minister van Justitie. Niet gebleken of gesteld is dat de medewerker die het besluit heeft ondertekend op dat moment niet bevoegd was namens de Minister van Justitie besluiten te nemen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit bevoegd is genomen en dat daarbij slechts ten onrechte als bestuursorgaan de Staatssecretaris van Justitie is aangeduid. Gesteld noch gebleken is dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad, zodat de rechtbank aanleiding ziet het gebrek dat aan het besluit kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Niet in geschil is dat eiser rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80. Op grond van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 worden de bepalingen van dat besluit toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat bij de uitleg van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 aansluiting moet worden gezocht bij het openbare orde criterium dat geldt voor burgers van de Unie.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde oplevert.

Ten aanzien van eisers standpunt dat de afschaffing van de artikel 10 lid 2- status in strijd moet worden geacht met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1 /80 overweegt de rechtbank dat de vaststelling van maatregelen die op dezelfde wijze op Turkse staatsburgers van toepassing zijn als op burgers van de Unie, niet in tegenspraak is met de standstillbepaling. Nu het aan eiser tegengeworpen openbare orde criterium op dezelfde wijze aan burgers van de Unie kan worden tegengeworpen, kan de afschaffing van de artikel 10 lid 2-status naar het oordeel van de rechtbank niet beschouwd worden als een ongeoorloofde nieuwe beperking die in strijd is met de standstillbepaling.

Uitspraak



RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 10/29346

Datum uitspraak: 31 maart 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. C.T.G. van Schie,

tegen

de Minister van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Eiser is met ingang van 25 augustus 2000 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote [naam]’, met een geldigheidsduur tot 25 augustus 2001. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 27 mei 2007.

Op 15 december 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van

12 mei 2009, uitgereikt op 18 mei 2009, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tevens is eiser bij dat besluit ongewenst verklaard.

Daartegen heeft eiser op 19 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 27 januari 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 13 juli 2010 heeft verweerder het besluit van 26 januari 2010 ingetrokken.

Bij uitspraak van 5 augustus 2010 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, gegrond (AWB 10/3499).

Bij besluit van 17 augustus 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser op 19 augustus 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

31 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.M.A. Hansen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb , dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om de ongewenstverklaring van eiser ongedaan te maken en aan eiser verblijf hier te lande toe te staan. Daartoe wordt het volgende – kort samengevat – aangevoerd. Eiser kan rechten ontlenen aan Besluit 1/80 van de Associatieraad van

19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit 1/80), zodat moet worden uitgegaan van het gemeenschapsrechtelijke openbare orde criterium. Eiser vormt door zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De afschaffing van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965 (hierna: de artikel 10 lid 2- status ) kan niet worden beschouwd als een nieuwe beperking die in strijd is met artikel 13 van het Besluit 1 /80 (hierna: de standstillbepaling). In het kader van het beroep op artikel 28, eerste lid van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) stelt verweerder zich op het standpunt dat alle specifieke aspecten zijn afgewogen en dat het belang van de samenleving in casu zwaarder dient te wegen dan belang van eiser. Weliswaar is sprake van inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven, maar deze is gerechtvaardigd te achten omdat aan het algemeen belang meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van eiser.

3. Eiser heeft in de gronden van het beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Ten eerste is het besluit onbevoegd genomen, hetgeen in strijd is met artikel 6:22 van de Awb . Voorts zou eiser ten tijde van de inwerkingtreding van Besluit 1/80 recht hebben gehad op een artikel 10 lid 2-status. Verblijf van vreemdelingen die in het bezit waren van die status kon niet worden beëindigd op grond van een inbreuk op de openbare orde. De afschaffing van de artikel 10 lid 2- status betekent dan ook een verslechtering van de rechtspositie van Turkse vreemdelingen en levert strijd op met de standstillbepaling. Tevens heeft een onjuiste beoordeling plaatsgevonden van de vraag of sprake is van een actuele, voldoende en werkelijke bedreiging. Deze beoordeling valt ten onrechte uit in het nadeel van eiser. Daarnaast zijn de relevante aspecten, in het kader van artikel 28 van de Richtlijn 2004 /38/EG niet juist weergegeven. Ten slotte moet de ongewenstverklaring in strijd worden geacht met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en heeft verweerder in zijn beoordeling de belangen van eiser onjuist weergegeven. Bovendien is sprake van een objectieve belemmering om terug te keren naar Turkije.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Niet in geschil is dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen namens de Staatssecretaris van Justitie, nu ten tijde van het nemen daarvan diens bevoegdheden waren overgenomen door de Minister van Justitie. De rechtbank stelt echter vast dat het bestreden besluit is ondertekend door F.B.M. Diepstraten, medewerker bij de IND. Niet gebleken of gesteld is dat F.B.M. Diepstraten op dat moment niet bevoegd was namens de Minister van Justitie besluiten te nemen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit bevoegd is genomen en dat daarbij slechts ten onrechte als bestuursorgaan de Staatssecretaris van Justitie is aangeduid. Gesteld noch gebleken is dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad, zodat de rechtbank aanleiding ziet het gebrek dat aan het besluit kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Beoordeling van het beroep inzake de ongewenstverklaring

6. Niet in geschil is dat eiser rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80.

7. Op grond van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 worden de bepalingen van dat besluit toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde.

8. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie), onder meer de uitspraak van 10 februari 2000 in de zaak Nazli tegen Duitsland (C-340/97, JV 2000/81), volgt dat bij de uitleg van artikel 14, eerste lid, van Besluit 1 /80 aansluiting moet worden gezocht bij het openbare orde criterium dat geldt voor burgers van de Unie.

9. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 november 2008 (JV 2009, 470), de daarin genoemde regelgeving en de daarin genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie overweegt de rechtbank dat het aan de nationale autoriteiten en eventueel aan de nationale rechterlijke instanties is in elk afzonderlijk geval te oordelen over het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt, gelet op de bijzondere rechtspositie van de onder het gemeenschapsrecht vallende personen en op het fundamentele karakter van het beginsel van het vrij verkeer van personen. De specifieke omstandigheden die een beroep op het begrip openbare orde zouden kunnen rechtvaardigen, kunnen naar land en tijd verschillen. Mitsdien moet ten deze aan de bevoegde nationale autoriteiten een beoordelingsmarge worden toegekend binnen de door het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen gestelde grenzen.

Het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen doet daarbij slechts terzake voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordelingen hebben geleid blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat ten tijde van het bestreden besluit nog steeds een actuele bedreiging van de openbare orde vormde. Rechtvaardigingsgronden die niet rechtstreeks verband houden met het betrokken individuele geval of die zijn ingegeven door overwegingen van algemene preventie kunnen niet worden aanvaard.

10. Ter onderbouwing van het standpunt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, heeft verweerder, onder verwijzing naar het arrest van 20 september 2007 van het Gerechtshof Arnhem (hierna: het hof), gemotiveerd overwogen dat eiser is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar wegens het plegen van ernstige misdrijven, te weten twee verkrachtingen, één gepleegd in 2003 en één in 2005, zodat sprake is van recidive. Daarbij is opgemerkt dat uit voornoemd arrest van het hof is gebleken dat eiser ter terechtzitting geen enkele empathie heeft getoond ten opzichte van de slachtoffers. Tevens heeft verweerder van belang geacht dat eiser ook na zijn detentie, tijdens de hoorzitting van 5 november 2009 in het kader van onderhavige ongewenstverklaring, heeft verklaard onschuldig te zijn aan de misdrijven waarvoor hij veroordeeld is. Zelfs nadat de voorzitter hem had gewezen op de onherroepelijke veroordeling, is eiser bij zijn verklaring gebleven dat hij de misdrijven niet had gepleegd. Ten aanzien van de brief van 6 november 2009, waarin hij te kennen geeft dat hij tijdens de hoorzitting van 5 november 2009 heeft verklaard onschuldig te zijn uit compassie voor zijn echtgenoot en vanwege een taboe- en schaamtecultuur binnen de Turkse gemeenschap, heeft verweerder overwogen dat daarmee totaal niet wordt onderkend dat verkrachting in de samenleving grote gevoelens van onveiligheid oplevert. Eiser heeft het enkel over het feit dat hij heeft moeten boeten voor de door hem begane misdrijven, alsmede over de gevolgen die dit voor zijn gezin heeft gehad. Van een positieve gedragsverandering is derhalve nog niet gebleken.

11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde oplevert. Dat de gepleegde feiten dateren uit 2003 en 2005 heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven brengen nu het plegen van twee gelijke, ernstige, misdrijven met een dergelijk tussenpoos, reeds duidt op recidivegevaar. De stelling van eiser dat zijn houding tijdens de hoorzitting past binnen de taboe-en schaamtecultuur waarin hij is opgegroeid, is in tegenspraak met zijn stelling dat hij goed is geïntegreerd en doet er niet aan af dat hij nimmer de gevolgen voor de slachtoffers heeft onderkend. Aan de omstandigheid dat eiser tijdens zijn detentie blijk heeft gegeven van goed gedrag, zoals blijkt uit het rapport van 2 maart 2009 van de Penitentiaire Inrichting Oosterhoek te Grave, hoefde verweerder in dit verband evenmin doorslaggevende betekenis toe te kennen.

12. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerders standpunt inzake de belangenafweging als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn 2004 /38/EG de toetsing in rechte kan doorstaan. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de duur van zijn verblijf in Nederland, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland gemotiveerd in overweging genomen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat verweerder het belang van de samenleving niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dat het belang van eiser. Dat de door verweerder genoemde detentieperiode niet juist is weergegeven, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging.

13. Ten aanzien van eisers standpunt dat de afschaffing van de artikel 10 lid 2- status in strijd moet worden geacht met artikel 13 van Besluit 1 /80 overweegt de rechtbank als volgt.

14. Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

15. In het arrest van 29 april 2010 (de Europese Commissie tegen Nederland), LJN: BM3843, heeft het Hof van Justitie onder punt 62 geoordeeld dat de vaststelling van maatregelen die op dezelfde wijze op Turkse staatsburgers van toepassing zijn als op burgers van de Unie, niet in tegenspraak is met de standstillbepaling. Het Hof van Justitie achtte daartoe redengevend dat indien maatregelen van toepassing waren op burgers van de lidstaten en niet ook op Turkse staatsburgers, en laatstgenoemden gunstiger zouden worden behandeld dan burgers van de Unie, dit kennelijk in strijd zou zijn met het vereiste in artikel 59 van het aanvullend protocol dat de behandeling van de Republiek Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het EG-Verdrag.

16. Nu het aan eiser tegengeworpen openbare orde criterium op dezelfde wijze aan burgers van de Unie kan worden tegengeworpen, kan de afschaffing van de artikel 10 lid 2-status naar het oordeel van de rechtbank niet beschouwd worden als een ongeoorloofde nieuwe beperking die in strijd is met de standstillbepaling.

17. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 8 van het EVRM , ingevolge welk artikel een ieder recht heeft op respect voor zijn priv éleven en zijn familie- en gezinsleven, overweegt de rechtbank als volgt.

18. Niet in geschil is dat de handhaving in bezwaar van de ongewenstverklaring een inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM , betekent. De rechtbank dient, gezien de beroepsgronden, te beoordelen of deze inmenging proportioneel is. Zoals het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM) heeft overwogen in onder meer de arresten Boultif van 2 augustus 2001 (LJN: AD3516) en Üner van 18 oktober 2006 (LJN: AZ2407), dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Deze belangenafweging moet ingevolge vaste rechtspraak van het EHRM worden verricht met inachtneming van de “guiding principles”, zoals genoemd in het Boultif-arrest.

19. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangen van de samenleving niet ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan die van eiser en zijn gezin. Eiser heeft zich immers twee maal schuldig gemaakt aan een verkrachting, hetgeen een zeer ernstig vergrijp betreft. Voorts is van belang dat eisers familie grotendeels in Turkije woonachtig is. Niet is gebleken van een objectieve belemmering voor eiser en zijn gezin om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Eisers echtgenote en kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit, zodat de toegang tot Turkije geen problemen zal opleveren. Hoewel wordt erkend dat eisers echtgenote haar hele leven in Nederland heeft gewoond en het oudste kind in Nederland naar school gaat en dat dit de nodige aanpassingsproblemen met zich zal brengen, wordt overwogen dat het hun keuze is om eiser al dan niet te volgen naar Turkije. Ook in het geval eiser alleen naar Turkije terug zou keren is niet gebleken van een onmogelijkheid om het gezinsleven, bijvoorbeeld middels telefonisch contact, uit te kunnen oefenen.

Voor zover eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Turkije vreest voor represailles van zijn familie heeft te gelden dat deze stelling niet is voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Ten aanzien van de gestelde eerwraak is niet onderbouwd waarom eiser en zijn vrouw in Turkije een groter risico zouden lopen dan in Nederland.

20. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ongewenst heeft kunnen verklaren.

Beoordeling van het beroep inzake de afwijzing van het verzoek om verlenging van de verblijfvergunning

21. Het gevolg dat artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 aan de ongewenstverklaring verbindt, is dat de desbetreffende vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring voortduurt. Bij een beroep van een vreemdeling tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan heeft hij, zolang hij ongewenst is verklaard, derhalve geen belang, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Nu het beroep inzake de ongewenstverklaring ongegrond zal worden verklaard, heeft eiser geen belang bij het door hem ingestelde beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2010, voor zover dit ziet op de ongewenstverklaring, ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2010, voor zover dit ziet op de weigering de verblijfsvergunning te verlengen, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. D.S.M. Bak en mr. E. Horsthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature