< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WW-uitkering. Appellant kan niet worden aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 3 van de WW .

Uitspraak



10/503 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 december 2009, 08/3137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. B. Leemhuis, kantoorgenoot van mr. Schröder. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

Na de behandeling ter zitting is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Leemhuis. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft als koerier werkzaamheden verricht ten behoeve van [naam werkgever B.V.] Nadat [werkgever] de samenwerking met appellant had beëindigd heeft appellant het Uwv verzocht hem een WW-uitkering toe te kennen.

1.2. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het Uwv WW-uitkering geweigerd omdat appellant niet verzekerd was. Hij was geen werknemer want er bestond geen gezagsverhouding tussen hem en [werkgever].

1.3. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 13 oktober 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Op 8 augustus 2007 heeft de kantonrechter te Utrecht de door appellant ingediende vordering om voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [werkgever] afgewezen.

2.2. Gedateerd 3 februari 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd (LJN BH4194).

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen aanleiding te zien om anders te oordelen dan de kantonrechter en het Gerechtshof hebben gedaan. Appellant kan dus niet worden aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 3 van de WW .

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel degelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst. Hij heeft daartoe verwezen naar de in de bij het Gerechtshof ingediende memorie van grieven genoemde omstandigheden. Voorts heeft hij - subsidiair - gesteld dat hij op grond van artikel 5 sub d van de WW in verbinding met artikel 1 van het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd van 24 december 1986 (Stb. 1986, 655) als verzekerde voor de WW moet worden aangemerkt.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Het Gerechtshof heeft (evenals de kantonrechter) voorop gesteld dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijze kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, moeten daarbij in hun onderlinge verband worden bezien. Het Gerechtshof heeft vervolgens geoordeeld dat appellant onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij en [werkgever] bij het sluiten van de overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor ogen hebben gehad. Daarbij heeft het Gerechtshof onder meer van belang geacht dat [werkgever] persé geen dienstverband wilde, dat appellant zich moest inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat hij een VAR-verklaring moest overleggen. Het Gerechtshof is verder van oordeel dat ook uit de wijze waarop uitvoering werd gegeven aan de overeenkomst onvoldoende volgt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De manier van werken bevestigt veeleer dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het Gerechtshof heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant met een eigen bedrijf stond ingeschreven in het handelsregister en dat dat bedrijf beschikte over twee bedrijfsauto’s en facturen stuurde met BTW. Voorts had appellant gedurende een aantal maanden een werknemer in dienst. Ziekte en vakantie kwamen financieel voor risico van appellant. Het feit dat [werkgever] bepaalde aanwijzingen gaf past in beginsel ook bij een overeenkomst van opdracht. Ten slotte is door appellant onvoldoende gesteld dat hij op grond van zijn maatschappelijke of sociaal-economische positie gedwongen was in te stemmen met een contractskeuze die voor hem nadelig was. Het Gerechtshof is dan ook van oordeel dat appellant onvoldoende heeft gesteld om tot de conclusie te komen dat tussen hem en [werkgever] een arbeidsovereenkomst bestaat of heeft bestaan.

5.3. Evenals de rechtbank ziet de Raad ziet geen enkele reden om tot een andere conclusie te komen dan de kantonrechter en het Gerechtshof. Hetgeen appellant heeft aangevoerd is onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een dienstbetrekking. Ook zijn stelling dat hij op grond van artikel 1 van het in rechtsoverweging 4 vermelde Besluit als verzekerde moet worden aangemerkt treft geen doel. Artikel 1 van dit Besluit ziet namelijk op de arbeidsverhouding van de thuiswerker en zijn hulp en heeft dus geen betrekking op de rechtsverhouding tussen appellant en [werkgever].

5.4. Het hoger beroep slaagt, gelet op de overwegingen 5.2 en 5.3, niet.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en C.W.J. Schoor en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.

(get.) J. Brand.

(get.) T. Dolderman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,

2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

GdJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature