< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Besluit 1: Op basis van de medische gegevens hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante voortkomt uit een andere ziekteoorzaak. Besluit 2: Niet is gebleken dat het Uwv op onjuiste gronden aan appellante een WIA-uitkering heeft toegekend. Niet wordt voldaan aan (een van) de voorwaarden van artikel 43a van de WAO . Overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak



10/188 WIA en 10/190 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2009, 08/2054 en 08/2055 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 23 september 2009, 07/5218 (LJN BJ8449) in een eerder geding tussen partijen. Daarin heeft de Raad, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het besluit van het Uwv, waarbij aan appellante is geweigerd met ingang van 21 oktober 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.

1.2. Op 17 januari 2005 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met knieklachten. Na het einde van de wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2007 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 15 januari 2007 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 augustus 2008, AWB 07/1884, heeft de rechtbank het besluit van 16 oktober 2007 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij gelet op de systematiek van artikel 120, aanhef en onder b, van de Wet WIA dient te worden beoordeeld of appellante naar aanleiding van haar ziekmelding op 17 januari 2005 in aanmerking dient te komen voor een uitkering op grond van de WAO in plaats van een uitkering op grond van de Wet WIA.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2008 heeft het Uwv bij primair besluit van 6 oktober 2008 aan appellante meegedeeld dat zij naar aanleiding van haar ziekmelding op 17 januari 2005 op grond van artikel 43a van de WAO niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, omdat haar arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit van 5 december 2008 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2008, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 14 november 2008, ongegrond verklaard.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 5 augustus 2008 heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2008 (hierna: bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2007 tot toekenning van een WIA-uitkering, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 14 november 2008, opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat zij, gezien de bevindingen van de diverse (bezwaar)verzekeringsartsen en de medische informatie, van oordeel is dat het Uwv zijn standpunt dat duidelijk is komen vast te staan dat de oorzaak van de ziekmelding op 17 januari 2005, te weten knieklachten, een andere oorzaak is dan die ten grondslag lag aan de arbeidsongeschiktheid voor haar eigen werk, te weten nek- en schouderklachten, voldoende heeft onderbouwd. Mitsdien heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv appellante terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WAO-uitkering omdat niet voldaan wordt aan (een van) de voorwaarden van artikel 43a van de WAO . Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is gebleken dat het Uwv op onjuiste gronden aan appellante een WIA-uitkering heeft toegekend. Voorts heeft de rechtbank aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen tot het betalen van vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-- in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat sprake was van verergering van de bestaande problematiek uit dezelfde ziekteoorzaak en dat zij daarom recht heeft op een WAO-uitkering. Voort heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 6 van het EVRM , omdat het traject voorafgaande aan de ziekmelding van 17 januari 2005 geheel buiten beschouwing is gelaten.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot hetgeen appellante tegen het bestreden besluit 1 heeft aangevoerd, onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Op basis van de voorhanden medische gegevens hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 17 januari 2005 voortkomt uit een andere ziekteoorzaak. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat er in de periode 2002/2003 sprake was van chronische nek- en schouderklachten en bij de ziekmelding in 2003 van klachten van depressieve aard. Bij de hier in geding zijnde ziekmelding van 17 januari 2005 was sprake van knieklachten, die niet eerder waren gemeld. Nu appellante in hoger beroep haar standpunt dat deze klachten reeds langer bestonden niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit 1 in rechte stand kan houden.

4.2. Wat betreft het bestreden besluit 2, waarbij de toekenning van de WIA-uitkering per 15 januari 2007 is gehandhaafd, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad eveneens terecht geoordeeld dat dit besluit op juiste gronden berust. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, is komen vast te staan dat appellante na een verkorte wachttijd vanaf 17 januari 2005 geen recht heeft op een WAO-uitkering en dat met ingang van genoemde datum een wachttijd van 104 weken is aangevangen. Per einde van die wachttijd is appellante mitsdien nu appellante hiertegen in hoger beroep geen specifieke gronden heeft aangevoerd, terecht in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering.

4.3. Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de toepassing van artikel 6 van het EVRM kan eveneens niet tot een ander oordeel leiden. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld vangt de redelijke termijn aan met ingang van de dag waarop het bezwaarschrift is ontvangen. Het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 7 maart 2007 is op 23 april 2007 ontvangen. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 april 2009, LJN BI2044, terecht geoordeeld dat ten tijde van de uitspraak door de rechtbank de redelijke termijn met bijna negen maanden is overschreden en dat aan appellante mitsdien een vergoeding van

€ 1.000,-- toekomt.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dan ook dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

KR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature