< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak diefstal met geweld. Twee weken gevangenisstraf wegens niet opvolgen ambtelijk bevel. Artikel 2:3, lid 1, APV Utrecht 2010 is geen lex specialis ten opzichte van artikel 184, lid 1, Sr .

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-600069-11 en 16-504069-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] op Curaçao (Nederlandse Antillen),

gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

Raadsman: mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 februari 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 16-600069-11

samen met anderen een mobiele telefoon heeft gestolen waarbij geweld is gebruikt en/of is bedreigd met geweld;

parketnummer 16-504069-11

op twee data opzettelijk een ambtelijk bevel niet heeft opgevolgd.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie dient verdachte van het onder parketnummer 16-600069-11 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 16-504069-11 ten laste gelegde heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat verdachte van het feit dat onder parketnummer 16-600069-11 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder parketnummer 16-504069-11 ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraak

Parketnummer 16-600069-11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich op 18 januari 2011 met [betrokkene 1] en een derde jongen (hierna te noemen: jongen 3) in de gemeentelijke tuin van het conservatorium aan de Mariaplaats te Utrecht bevond. Daar stond ook een groepje van vier jongens. Verdachte is naar dat groepje gelopen om een sigaret te vragen die hij ook kreeg van één van de vier jongens. Verdachte raakte met de jongens in gesprek waarna [betrokkene 1] en jongen 3 er ook bij kwamen staan. Verdachte vroeg de jongens van het groepje om een telefoon. [betrokkene 1] zei tegen verdachte dat hij zijn telefoon mocht gebruiken maar verdachte wilde een telefoon van één van de jongens van het groepje gebruiken. Jongen 3 liep onrustig rond en zwaaide met zijn armen.Vervolgens heeft verdachte een mobiele telefoon van één van de jongens, te weten [aangever 1], afgepakt. Verdachte heeft de telefoon aan [aangever 1] teruggegeven omdat het hem niet lukte om een telefoonnummer in te toetsen. Verdachte wilde dat [aangever 1] dit voor hem zou doen. [aangever 1] heeft het nummer ingetoetst en de mobiele telefoon vervolgens aan verdachte gegeven. Nadat verdachte hoorde dat de telefoon niet over ging heeft de jongen 3 de telefoon uit zijn hand gepakt. Jongen 3 had iets glinsterends in zijn zak en zei: “Wie bij me in de buurt komt prik ik”. Jongen 3 is weggelopen waarna [betrokkene 1] aan hem vroeg: “Wat doe je nou?”. Verdachte heeft [aangever 1] toen gevraagd of hij voor hem moest regelen dat hij zijn mobiele telefoon terug zou krijgen.

Deze ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring vindt steun in de aangifte van [aangever 1] bij de politie en diens verklaring bij de rechter-commissaris.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich de mobiele telefoon wederrechtelijk toe te eigenen zodat verdachte van het onder parketnummer 16-600069-11 zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op het moment dat verdachte de mobiele telefoon van [aangever 1] voor het eerst in zijn handen neemt, is hij in de buurt van [aangever 1] gaan zitten. Hij heeft de telefoon vervolgens aan [aangever 1] teruggegeven zodat deze een telefoonnummer in kon toetsen. Nadat [aangever 1] een nummer had ingetoetst heeft verdachte dit nummer gebeld en de telefoon over laten gaan. Uit voorgaande gedragingen leidt de rechtbank af dat verdachte de bedoeling heeft gehad om met de mobiele telefoon te bellen en niet het oogmerk had om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Verdachte is immers niet met de mobiele telefoon weggelopen zodra hij deze in handen kreeg. De vraag van verdachte aan [aangever 1] of hij moest regelen om zijn telefoon terug te krijgen duidt eveneens niet op het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voorts niet gebleken dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met jongen 3 die met de mobiele telefoon is weggelopen.

Toen jongen 3 met de telefoon wegliep riep [betrokkene 1]: “Wat doe je nou?”, hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet op wijst dat sprake was van een gezamenlijk vooropgezet plan om de mobiele telefoon te stelen.

4.3.2. De bewijsmiddelen

Parketnummer 16-504069-11

[verbalisant 1], brigadier bij de politie Utrecht, heeft verdachte op 20 november 2010 omstreeks 05.03 uur op de Lange Lauwerstraat te Utrecht aangehouden. Verbalisant [verbalisant 1] deelde verdachte mee dat hij werd verdacht van het niet voldoen aan een bevel .

Op 23 november 2010 hoorde [verbalisant 2], hoofdagent bij de politie Utrecht, vanaf de Voorstraat het geluid van een schreeuwend manspersoon. Hierop is [verbalisant 2] gaan kijken wie dit betrof en hij zag toen verdachte op de Hardebollenstraat te Utrecht staan. [verbalisant 2] was ambtshalve bekend dat verdachte een gebiedsontzegging had voor het desbetreffende gebied. [verbalisant 2] zag dat verdachte verder liep in het gebied waarvoor hem een gebiedsontzegging was uitgereikt. Op 23 november 2010 omstreeks 21.30 uur hielden [verbalisant 2] voornoemd, en [verbalisant 3], brigadier bij de politie Utrecht, verdachte op het Vredenburg te Utrecht aan. Zij deelden verdachte mede dat hij werd verdachte van het overtreden van een gebiedsontzegging .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 20 en 23 november 2010 een gebiedsontzegging had voor het gebied Breedstraatbuurt en omgeving. Verdachte heeft op 20 november 2010 shoarma in het desbetreffende gebied gegeten. Bij de politie heeft verdachte op 24 november 2010 verklaard dat hij zich op de Hardebollenstraat te Utrecht bevond .

In het dossier bevindt zich een verblijfsontzegging waarin de burgemeester van Utrecht aan [verdachte] met ingang van 18 november 2010 te 01.58 uur tot en met 25 november 2010 te 01.58 uur het verbod oplegt om zich te bevinden in het gebied omsloten door en inclusief de Voorstraat, Potterstraat, Oudegracht, Zandbrug, Weerdbrug, Bemuurde Weerd Oostzijde, Adelaarstraat, Koekoekstraat, Weerdsingel Oostzijde met inbegrip van de Vaaltbrug (gelegen ter hoogte van het Hooghiemstraplein), Wolvenstraat, Wolvenplein, Wittevrouwenkade, Lucas Bolwerk met inbegrip van het plantsoen, Wittevrouwenstraat .

De burgemeester van Utrecht heeft de sectordirecteur bestuurs- en concernzaken mandaat verleend tot het namens hem opleggen en ondertekenen van verblijfsontzeggingen op grond van artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 (hierna te noemen: APV Utrecht 2010). De sectordirecteur bestuurs- en concernzaken kan het mandaat door middel van een ondermandaat verlenen aan de districtschef Utrecht Stad van de politie Utrecht .

Brigadier van politie [verbalisant 4] heeft op 18 november 2010 voornoemde verblijfsontzegging krachtens artikel 2:3 van de APV Utrecht 2010 in persoon aan verdachte uitgereikt .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 16-504069-11

in de periode van 20 november 2010 tot en met 23 november 2010 te Utrecht, telkens opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de Burgemeester van Utrecht, namens deze de districtschef Utrecht Stad van de politie Utrecht, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten,

immers heeft verdachte toen en daar telkens opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen zich gedurende een termijn van een week - ingaande 18 november 2010 te 01.58 uur - niet te begeven of te bevinden in:

het gebied omsloten door en inclusief de Voorstraat, Potterstraat, Oudegracht,

Zandbrug, Weerdbrug, Bemuurde Weerd Oostzijde, Adelaarstraat, Koekoekstraat,

Weerdsingel Oostzijde met inbegrip van van de Vaaltbrug (gelegen ter hoogte

van het Hooghiemstraplein), Wolvenstraat, Wolvenplein, Wittevrouwenkade, Lucas

Bolwerk met inbegrip van het plantsoen, Wittevrouwenstraat,

telkens geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering door zich

- op 20 november 2010 omstreeks 05.03 uur op de Lange Lauwerstraat te bevinden en

- op 23 november 2010 omstreeks 21.30 uur op de Hardebollenstraat te bevinden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van het onder parketnummer 16-504069-11 ten laste gelegde heeft ter terechtzitting een discussie plaatsgevonden omtrent de vraag of het openbaar ministerie artikel 2:3, eerste lid, van de APV Utrecht 2010 als lex specialis ten opzichte van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht had moeten ten laste leggen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van het openbaar gezag in de uitvoering van wetten, binnen de door de wetten gestelde grenzen. Dit artikel is geplaatst in boek II, titel VIII, van voornoemd wetboek, welke titel strekt tot bescherming van de geregelde werking van de organen of diensten van het staatsgezag. Artikel 2:3, eerste lid, van de APV Utrecht 2010 is daarentegen bedoeld om ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen. Daarnaast zijn in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen aanknopingspunten te vinden voor de opvatting dat artikel 2:3, eerste lid, van de APV Utrecht 2010 als bijzondere bepaling op artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende misdrijf op.

parketnummer 16-504069-11

Telkens opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten,

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 weken met aftrek van voorarrest.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 20 en 23 november 2010 in een gebied bevonden waartoe hem het verblijf door de gemeente Utrecht was ontzegd wegens het veroorzaken van ernstige verstoring van de openbare orde. Op 23 november 2010 heeft een politieagent verdachte in het desbetreffende gebied horen schreeuwen. Door aldus te handelen heeft verdachte het gezag van de gemeente Utrecht ondermijnd en de openbare orde verstoord.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder strafrechtelijk is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van het Centrum Maliebaan te Utrecht van 13 september 2010, opgemaakt door L. Scheffers, reclasseringswerker.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van twee weken gevangenisstraf passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 154 van de Gemeentewet en artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 16-600069-11 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

parketnummer 16-504069-11

Telkens opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Parketnummer 16-504069-11

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. E.A. Messer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 maart 2011.

Mr. L.M.G. de Weerd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature