< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college aan de naamloze vennootschap Vitens Midden-Nederland N.V. (hierna: Vitens) onder voorschriften vergunning verleend als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet (oud) voor het onttrekken van 3,4 miljoen m3 grondwater per jaar te Woudenberg ten behoeve van de drinkwaterwinning, onder gelijktijdige intrekking van de bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar.

Uitspraak



200909854/1/M1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Woudenberg,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college aan de naamloze vennootschap Vitens Midden-Nederland N.V. (hierna: Vitens) onder voorschriften vergunning verleend als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet (oud) voor het onttrekken van 3,4 miljoen m3 grondwater per jaar te Woudenberg ten behoeve van de drinkwaterwinning, onder gelijktijdige intrekking van de bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 april 2010.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Marskamp en drs. M. van der Meer, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Vitens, vertegenwoordigd door ing . R.M. Kollen en mr. E.N.M. Westhuis-Brouwer, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening verzocht nader onderzoek te doen. Deze stichting heeft op 22 oktober 2010 een nader deskundigenbericht uitgebracht.

Er zijn in reactie op het deskundigenbericht van 22 oktober 2010 stukken ontvangen van [appellant], het college en Vitens. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 4 februari 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Marskamp en drs. M. van der Meer, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Vitens, vertegenwoordigd door ing. R.M. Kollen en mr. E.N.M. Westhuis-Brouwer, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Inleiding

2.1. Bij besluit van 1 november 1971 is vergunning verleend voor het onttrekken van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar. Op 5 december 1992 is vergunning verleend voor het tijdelijk onttrekken van 2,2 miljoen m3 grondwater per jaar. Bij besluit van 7 november 2006 heeft het college Hydron Midden-Nederland (thans: Vitens) vergunning verleend voor het onttrekken van 3,4 miljoen m3 grondwater per jaar, onder gelijktijdige intrekking van de bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar. Dit besluit is door de Afdeling (uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200609389/1) vernietigd. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw vergunning verleend voor het onttrekken van 3,4 miljoen m3 grondwater per jaar, onder gelijktijdige intrekking van de bij besluit van 1 november 1971 verleende vergunning voor het onttrekken van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bedroeg de feitelijke grondwateronttrekking meer dan de vergunde 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar, namelijk ruim 2 miljoen m3 grondwater per jaar.

Beroepsgronden

2.2. [appellant] vreest voor droogteschade als gevolg van de vergunde grondwateronttrekking. Zijn bezwaren hebben enerzijds betrekking op het milieueffectrapport (hierna: het MER) en anderzijds op de bij de vergunning gevoegde monitoringsvoorschriften.

MER

2.3. Volgens [appellant] is de uitgangssituatie onduidelijk en komen gegevens over waterremmende lagen in de bodem vermeld in het MER niet overeen met hetgeen daarover is vermeld in stukken betreffende de vergunning van 5 december 1992. Voorts stelt hij dat het in het MER gehanteerde model, MER Vervangende Productiecapaciteit (hierna: MER VPC), ontoereikend is om de effecten van de wateronttrekking op perceelsniveau te bepalen.

2.3.1. In het deskundigenbericht van 27 april 2010 wordt geconcludeerd dat het MER VPC, binnen de nauwkeurigheid van het model en voor zover het gaat om de keuze tussen de betrokken alternatieven, een reële inschatting geeft van de te verwachten effecten van de uitbreiding van de grondwateronttrekking met 2 miljoen m3 grondwater per jaar. Wat betreft de door [appellant] gestelde onduidelijkheid over de uitgangssituatie wordt gemeld dat in het bestreden besluit is uitgegaan van de vergunde situatie van 1,4 miljoen m3 grondwater per jaar. Ten aanzien van de waterremmende scheidingslagen vermeldt het deskundigenbericht dat de betrokken gegevens niet met elkaar in tegenspraak zijn. Gelet op het gebied dat door het MER VPC wordt bestreken, is het volgens het deskundigenbericht correct dat daar, anders dan in de beschrijving behorend bij de vergunning van 5 december 1992, de niet aaneengesloten tweede waterremmende (tussen)laag niet is ingevoerd. Wat betreft de bepaling van de effecten van de grondwateronttrekking op de percelen van [appellant], wordt het deelmodel VPCS, een verfijning van het MER VPC, ontoereikend bevonden; aanvullende monitoring van meetpunten is hiervoor nodig, aldus het deskundigenbericht.

2.3.2. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht wat betreft de door [appellant] gemelde onduidelijkheid en discrepantie. Hierin is geen grond gelegen het betreden besluit niet in stand te laten.

2.3.3. Naar aanleiding van het gestelde in het deskundigenbericht heeft het college erkend dat het deelmodel VPCS niet geschikt is om de effecten van de grondwateronttrekking op perceelsniveau te bepalen. Deze effecten kunnen volgens het college echter wel adequaat worden bepaald aan de hand van monitoring ten aanzien waarvan in de vergunning voorschriften zijn opgenomen.

2.3.4. Wat betreft de gestelde ontoereikendheid van het model MER VPC ten aanzien van de bepaling van de effecten van de grondwateronttrekking op perceelsniveau, overweegt de Afdeling dat uit artikel 7.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet volgt dat het MER in een geval als dit zodanige informatie moet bevatten dat op basis daarvan de exacte gevolgen van de wateronttrekking op perceelsniveau kunnen worden vastgesteld. De grief van [appellant] op dit punt kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het MER-rapport in zoverre gebrekkig is. Voor een inhoudelijke bespreking van het betoog van [appellant] over de gebrekkigheid van het bestreden besluit waar het gaat over de bepaling van de effecten van de grondwateronttrekking op perceelsniveau, verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover hierna wordt overwogen in het kader van de monitoringsvoorschriften.

Monitoringsvoorschriften

2.4. De bezwaren van [appellant] tegen de monitoringsvoorschriften betreffen de locatie en de kwaliteit van de peilbuizen (voorschrift 4.1), de hydrologische uitgangssituatie (voorschrift 4.3) en de afstand van primaire en secundaire watergangen (voorschrift 4.4). Volgens [appellant] is het bepaalde in deze voorschriften niet geschikt om de gevolgen van de wateronttrekking op perceelsniveau vast te stellen.

2.4.1. Partijen hebben hangende het beroep overeenstemming bereikt over de locatie en de kwaliteit van twee extra peilbuizen F en G op het perceel van [appellant]. Het "Monitoringsplan winplaats Woudenberg-Zuid" van 13 oktober 2009, waarnaar in voorschrift 4.1 wordt verwezen, voorziet niet in deze extra peilbuizen. Voorts heeft het college medegedeeld dat voorschrift 4.3 onjuist is geformuleerd. In voorschrift 4.4 is niet de juiste afstand vermeld, dit moet 50 meter zijn, aldus het college.

2.4.2. Gelet op deze nadere standpuntbepaling is de Afdeling van oordeel dat de monitoringsvoorschriften 4.1, 4.3 en 4.4 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid, voor vernietiging in aanmerking komen. Mede gezien de brief van het college van 19 januari 2010 waarin het college heeft vermeld hoe de monitoringsvoorschriften volgens hem moeten komen te luiden, ziet de Afdeling aanleiding te onderzoeken of zij ten aanzien van de tussen partijen resterende geschilpunten zelf in de zaak kan voorzien. Zij overweegt dienaangaande het volgende.

Afstand tot watergangen

2.5. [appellant] stelt dat ook de door het college nader voorgestane afstand van 50 meter tot secundaire watergangen onnodig groot is. Volgens hem heeft het college tevens ten onrechte geen minimale afstand bepaald tot tertiaire watergangen.

2.5.1. Volgens het college is de door hem gegeven afstand van 50 meter tot watergangen gebruikelijk en wordt geen afstand tot tertiaire watergangen vastgesteld.

2.5.2. De Afdeling ziet in de niet nader onderbouwde stelling van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich met het oog op een goede monitoring niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet nodig is een geringere afstand tot secundaire watergangen aan te houden en dat het evenmin nodig is een minimale afstand tot tertiaire watergangen vast te stellen.

Peilbuizen

2.6. [appellant] acht een extra peilbuis H op zijn perceel niet langer nodig en wil dat deze daar niet wordt geplaatst omdat deze zijn bedrijfsvoering belemmert. Ter zitting heeft Vitens medegedeeld dat peilbuis H, waarvan de exacte locatie nog niet is bepaald, niet op het perceel van [appellant] zal worden geplaatst. Mede gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opnemen van peilbuis H in het monitoringsplan.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat het watermeetnet zoals in het - aangepaste - monitoringsplan opgenomen niet toereikend is. Met name de invloed van het Valleikanaal en van andere winningen wordt volgens [appellant] miskend. Ter adstructie van de invloed van het Valleikanaal op de meetgegevens heeft hij bij brief van 20 november 2010 gewezen op bijlage 7 van het deskundigenbericht van 19 juni 2007, uitgebracht in zaak 200609389/1, waarvan in het bijzonder de daarin vermelde de stijghoogten van de waarnemingsfilters 15, 17 en 22.

2.7.1. Volgens de deskundigenberichten van 27 april 2010 en 22 oktober 2010 heeft het in het monitoringsplan opgenomen watermeetnet een adequate spreiding van meetpunten. In het advies van 22 oktober 2010 wordt over het door [appellant] voorgestelde meetnet vermeld dat dit op het oog eveneens een adequaat meetnet is. Het door [appellant] voorgestelde watermeetnet voegt echter nauwelijks informatie toe, aldus het deskundigenbericht van 22 oktober 2010. Hierbij is aangetekend dat aan de invloed van de door [appellant] aangehaalde omgevingsfactoren als het Valleikanaal en de winningen geen relevante betekenis toekomt omdat de invloed daarvan vrij constant is.

2.7.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in de deskundigenberichten over de toereikendheid van het watermeetnet is gesteld. Wat betreft de verwijzing van [appellant] naar bijlage 7 bij het deskundigenbericht van 19 juni 2007 overweegt de Afdeling dat zij, anders dan [appellant], daarin geen ondersteuning ziet van relevante invloed van het Valleikanaal op de in die peilbuizen geconstateerde stijghoogten. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het grondwatermeetnet vastgesteld in het monitoringsplan, met daarbij de aanvullingen en wijzigingen die partijen onderling zijn overeengekomen, toereikend is.

Bepaling effecten wateronttrekking

2.8. [appellant] betwist dat op basis van de gegevens afkomstig van het in het monitoringsplan opgenomen meetnet de effecten van de wateronttrekking op zijn percelen juist kunnen worden bepaald. Hij plaatst in dit verband niet alleen vraagtekens bij de juistheid van het in de notities van de Grontmij toegepaste lineair verband tussen de grondwateronttrekking en het 1e watervoerend pakket, maar ook bij de toepasbaarheid van de tijdreeksanalyse. Hij stelt ook hier dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de invloed van omgevingsfactoren op de resultaten van de monitoringsgegevens.

2.8.1. In het deskundigenbericht van 22 oktober 2010 is voor de bepaling van de effecten van de grondwateronttrekking acceptabel bevonden dat wordt uitgegaan van een lineair verband tussen de omvang van de wateronttrekking en de grondwaterstandsdaling in het 1e watervoerend pakket. Hierbij is in aanmerking genomen dat gebruik wordt gemaakt van het analysepakket Menyanthes dat veelvuldig in Nederland wordt toegepast en in de meeste gevallen, waarin geen sprake is van extreme omstandigheden, voldoende betrouwbare uitkomsten geeft. Daarbij is aangetekend dat blijkens het MER VPC het effect in het 1e watervoerend pakket drastisch is afgenomen en dat, mede gelet op het gecontroleerde oppervlaktewaterpeil van het Valleikanaal, extreme situaties (neerslag en verdamping) slechts van beperkte invloed zijn. Voorts is in het deskundigenbericht van 22 oktober 2010 toepassing van de tijdreeksanalyse voldoende geacht om de effecten van de grondwateronttrekking op de percelen van [appellant] in beeld te brengen. Volgens het deskundigenbericht is dan wel nodig dat de actuele grondwaterstanden gedurende ten minste twee jaar bij een gelijkblijvende omvang van wateronttrekking worden gemeten (nulsituatie) en dat vervolgens de grondwaterstanden opnieuw worden gemeten na een plotselinge significante verhoging van het onttrekkingsdebiet. Op basis van de aldus gevonden gegevens kan voor de percelen van [appellant] het effect bij toename van 2 miljoen m3 grondwater worden herleid, aldus het deskundigenbericht. Daarbij vindt volgens het deskundigenbericht in ieder geval geen onderschatting van die effecten plaats.

2.8.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de toepasbaarheid van het lineair verband en de tijdreeksanalyse om de gevolgen van de grondwateronttrekking op de percelen van [appellant] te bepalen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de nulsituatie zal worden bepaald gedurende een periode van drie jaar en niet in geschil is dat de door het college voorziene verhoging van het onttrekkingsdebiet nadien significant is. Voor zover [appellant] zich in dit verband beroept op de invloed van de door hem vermelde omgevingsfactoren, verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 2.7.2.

Conclusie

2.9. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 3 november 2009 dient voor zover het de vergunningvoorschriften 4.1, 4.3. en 4.4 betreft te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 3 november 2009, kenmerk 2009INT248549, voor zover het de vergunningvoorschriften 4.1, 4.3 en 4.4 betreft;

III. bepaalt dat de volgende voorschriften in de plaats treden van de vernietigde voorschriften 4.1, 4.3 en 4.4:

voorschrift 4.1

Voorafgaand aan de start van de grondwateronttrekking ter plaatse van pompstation Woudenberg en puttenveld Woudenberg-Zuid op basis van de onderhavige vergunning dient de monitoring zoals deze is vastgelegd in "Monitoringsplan winplaats Woudenberg-Zuid" van 13 oktober 2009, inclusief bijbehorende kaart van 29 september 2009, te zijn opgestart. Dit behoudens de in dit monitoringsplan aangeduide waarnemingspunten F, G en H. In aanvulling op het monitoringsplan dient te worden gemonitord op de waarnemingspunten F, J en K, zoals dit door Vitens is vastgelegd op de kaart van 21 september 2010, getiteld "locaties waarnemingsbuizen op percelen [appellant]". In aanvulling op het monitoringsplan dient tevens te worden gemonitord op de punten G en H. De exacte locaties van de punten G en H worden in overleg met omwonende Berkhof vastgesteld, waarbij zij aangetekend dat deze punten niet op het perceel van omwonende [appellant] mogen komen te liggen.

voorschrift 4.3a

Voordat de grondwateronttrekking ter plaatse van pompstation Woudenberg en het puttenveld Woudenberg-Zuid op basis van de onderhavige vergunning wordt uitgebreid naar de vergunde onttrekkingscapaciteit van 3,4 miljoen m3 per jaar dient de actuele grondwaterstand (nulsituatie) te worden bepaald. Dit is de grondwaterstand bij een (actuele) onttrekking van 2,2 miljoen m3 per jaar.

voorschrift 4.3b

De actuele grondwaterstand in voorschrift 4.3a dient te worden bepaald door over een periode van drie jaar, bij een constant (actueel) onttrekkingsdebiet van 2,2 miljoen m3 per jaar, de grondwaterstand twee maal per maand te meten in alle bestaande en nieuw te plaatsen waarnemingsbuizen, waar op grond van voorschrift 4.1 moet worden gemonitord.

voorschrift 4.3c

Na minimaal drie jaar dient het onttrekkingsdebiet met minimaal 1 miljoen m3 tot maximaal 1,2 miljoen m3 per jaar te worden verhoogd. Vervolgens dient over een periode van twee jaar de grondwaterstand twee maal per maand te worden gemeten in alle bestaande en nieuw te plaatsen waarnemingsbuizen, waar op grond van voorschrift 4.1 moet worden gemonitord.

voorschrift 4.3d

Op basis van de opgebouwde meetreeks voor en na wijziging van het onttrekkingsdebiet conform de voorschriften 4.3b en 4.3c dient een tijdreeksanalyse te worden uitgevoerd zoals beschreven in de notities van Grontmij van 8 april en 16 juli 2010 met kenmerk 282767. De rapportage van deze analyse dient aan onze afdeling Handhaving, team Bodem, Water en Natuur te worden toegezonden.

voorschrift 4.4

Er dient zorg voor gedragen te worden dat alle nieuwe waarnemingspunten op een afstand van minimaal 50 meter van primaire en secundaire watergangen worden ingericht.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

446-271.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature