< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van december 2009 heeft de minister krachtens de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A2 Holendrecht-Maarssen vastgesteld.

Uitspraak



201002190/1/M2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Loenen, thans gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats], gemeente Stichtse Vecht,

3. de vereniging Vereniging Dorpsbelangen Baambrugge en andere (hierna tezamen en in enkelvoud: de Vereniging), gevestigd te Baambrugge, gemeente Abcoude,

appellanten,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van december 2009 heeft de minister krachtens de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A2 Holendrecht-Maarssen vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2010, en de Vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 23 maart 2010. De Vereniging heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 29 maart 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Het college en de minister hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. de Boer, advocaat te Utrecht, en [appellant sub 2], van wie [vijf van de appellanten sub 2] in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Dane, ing . F.M. Waarsenburg, ing. J.C.J. Oostveen, mr. R. Santifort en ing. M.E. van der Wijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het wegaanpassingsbesluit

2.1. Het thans bestreden wegaanpassingsbesluit van december 2009 voorziet in een wijziging van de hoofdweg A2 tussen knooppunt Holendrecht en de aansluiting Maarssen, waarbij de autosnelweg naar 2x5 rijstroken wordt uitgebreid in beide rijrichtingen. Het wegaanpassingsbesluit voorziet in het aanbrengen van een geluidsreducerend wegdek met minimaal de akoestische kwaliteiten van tweelaags zeer open asfalt beton (hierna: ZOAB) en het aanbrengen van een geluidsscherm. Voorts wordt bij Abcoude een extra geluidsscherm geplaatst. Bij het besluit zijn tevens voor een aantal woningen waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de A2 vastgesteld.

Bij besluit van 25 april 1995 heeft de minister besloten de A2 tussen Holendrecht en de afslag Maarssen te verbreden van 2x3 naar 2x4 rijstroken. Uit dit besluit vloeit voort dat het reflecterend geluidsscherm aan de westzijde van de A2 tussen km 43,29 en km 43,76 ter hoogte van Vinkeveen wordt verhoogd van 3,5 meter tot 5,5 meter ten opzichte van het wegdek.

Geluidhinder

2.2. Het college, [appellant sub 2] en de Vereniging stellen dat het namens de minister door DHV opgestelde akoestisch eindrapport 'WAB A2 Holendrecht-Maarssen' van november 2009 (hierna: het akoestisch rapport), dat aan het wegaanpassingsbesluit ten grondslag ligt, meerdere onjuistheden bevat. In een reactie op het deskundigenbericht voert het college aan dat in het toegepaste Reken- en meetvoorschrift 2006 (hierna: het RMV 2006) ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de heersende windrichting.

[appellant sub 2] en de Vereniging voeren aan dat bij het berekenen van de geluidsbelasting ten onrechte gebruik is gemaakt van computermatige rekenmodellen, in plaats van van metingen. Zij verwijzen in dit verband naar een in 2009 door Lichtveld Buis & Partners uitgevoerde geluidmeting (hierna: de geluidmeting), waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op Loenersloot en Baambrugge vanwege het geïntensiveerde gebruik van de A2 veel hoger is dan blijkt uit het namens de minister opgestelde akoestisch rapport. Onder verwijzing naar de geluidmeting is volgens hen voorts in het akoestisch rapport uitgegaan van een hogere reductie van de geluidsbelasting vanwege het aanbrengen van dubbellaags ZOAB, dan gerechtvaardigd is. Verder is in het akoestisch rapport uitgegaan van onjuiste invoergegevens, zoals een onjuiste weergave van de meteorologische omstandigheden, de verhoogde ligging van de weg en foutieve verkeersgegevens, aldus [appellant sub 2] en de Vereniging. Zij betwijfelen voorts of de in het akoestisch rapport voor het jaar 2022 opgenomen prognoses over de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer juist zijn.

2.2.1. Ingevolge artikel 110e van de Wet geluidhinder kan de minister regels stellen omtrent al hetgeen betrekking heeft op de wijze waarop de akoestische onderzoeken, bedoeld in deze wet, worden uitgevoerd.

De in dit artikel bedoelde regels zijn uitgewerkt in het RMV 2006.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder d, van het RMV 2006, voor zover hier van belang, wordt bij de bepaling van het geluidsniveau vanwege een weg rekening gehouden met de meteorologische invloeden op de geluidsoverdracht.

Ingevolge artikel 1.5, tweede lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, wordt bij de bepaling van het geluidsniveau van een weg bovendien rekening gehouden met de effecten die het gevolg zijn van reflecties van geluid.

Ingevolge artikel 3.3 wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven standaardrekenmethode II.

Het tweede artikellid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid het equivalente geluidsniveau kan worden bepaald volgens de in hoofdstuk 1 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode I, indien de desbetreffende situatie binnen het toepassingsgebied van die standaardrekenmethode I valt.

Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste en tweede lid het equivalente geluidsniveau tevens worden bepaald volgens de standaardmeetmethode, bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage III, indien de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardmeetmethode.

2.2.2. Het akoestisch onderzoek is met toepassing van het RMV 2006 en de daarin weergegeven standaardrekenmethode II uitgevoerd. Deze methode voorziet bij de bepaling van de geluidsbelasting in het rekening houden met de meteorologische invloeden op de geluidsoverdracht en de effecten die het gevolg zijn van reflecties van geluid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 200904030/1/M2) leidt het gebruik van deze meteocorrectie niet tot een onvoldoende representatieve beoordeling van de akoestische situatie vanwege een weg op de gevel van geluidsgevoelige objecten.

In het akoestisch rapport is op de in het RMV 2006 voorgeschreven wijze rekening gehouden met de meteorologische omstandigheden en verder is de verhoogde ligging van de A2 ten opzichte van de omgeving op de juiste manier in het rekenmodel opgenomen, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze conclusies uit het deskundigenbericht te betwijfelen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende geluidsbelasting in zoverre onjuist is.

2.2.3. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het aanbrengen van dubbellaags ZOAB als maatregel effectief is om aan de normen van de Wet geluidhinder te voldoen. In het akoestisch rapport is voorts vermeld dat de emissieparameters die de geluidsafstraling van dubbellaags ZOAB bepalen zijn ontleend aan door de Crow gepubliceerde gegevens. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze emissieparameters onjuist zijn. In de enkele stelling dat is uitgegaan van onjuiste gegevens voor de berekening van de prognoses in 2022 ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de berekeningen in zoverre niet aan het bestreden besluit ten grondslag konden worden gelegd. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat in de bijlagen van het akoestisch rapport weliswaar onjuiste verkeersintensiteiten zijn opgenomen, maar dat de berekeningen wel zijn uitgevoerd met de juiste intensiteiten, die zijn opgenomen in het akoestisch rapport zelf. Niet gebleken is dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn.

2.2.4. In hetgeen [appellant sub 2] en de Vereniging hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende geluidsbelasting onjuist is. Dat in de door hen overgelegde geluidmeting van Lichtveld, Buis & Partners een andere geluidsbelasting is vastgesteld, maakt dit niet anders. Overigens is in het deskundigenbericht vermeld dat de geluidmeting van Lichtveld, Buis & Partners niet overeenkomstig het RMV 2006 is vastgesteld, zodat de metingen niet te vergelijken zijn met de berekende waarden. Niet is aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn.

2.2.5. Deze beroepsgronden falen.

2.3. Het college, [appellant sub 2] en de Vereniging vrezen geluidhinder als gevolg van het wegaanpassingsbesluit. Volgens hen is de geluidsbelasting op de woningen in Loenersloot en Baambrugge onderschat en voorziet het wegaanpassingsbesluit onvoldoende in maatregelen om de geluidhinder te beperken. Het college wijst er in dit verband op dat de gevolgen van het wegaanpassingsbesluit voor de in de Angstel gelegen woonboten ten onrechte niet is onderzocht. Het college, [appellant sub 2] en de Vereniging voeren aan dat het geluidseffect vanwege de reflectie van een nieuw, niet geluidsabsorberend, geluidsscherm dat bij Vinkeveen wordt geplaatst, onjuist is vastgesteld. Het college en [appellant sub 2] voeren daarnaast aan dat bij de berekening van de geluidsbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege weg- en railverkeer en scheepvaart op de woningen in Loenersloot.

Volgens [appellant sub 2] en de Vereniging is de minister uitgegaan van een onjuiste weergave van de oorspronkelijke situatie voor de wegaanpassing, zodat is uitgegaan van een te hoge heersende geluidsbelasting op de woningen in Loenersloot. Zij stellen in dit kader dat de minister bij de bepaling van de heersende geluidsbelasting abusievelijk is uitgegaan van de situatie dat de A2 al zou zijn verbreed van 2x3 tot 2x4 rijbanen. Volgens hen dient echter te worden uitgegaan van de situatie toen 2x3 rijbanen aanwezig waren en nog geen uitvoering was gegeven aan het besluit van april 1995. De in het akoestisch rapport uitgevoerde berekening van de situatie toen 2x3 rijbanen aanwezig waren is volgens hen onjuist, omdat ten onrechte is uitgegaan van een situatie waarin de maximumsnelheid 100 km/uur was, terwijl de maximumsnelheid destijds in werkelijkheid 120 km/uur bedroeg.

2.3.1. De minister stelt zich op het standpunt dat voor de woningen en woonboten in Loenersloot en Baambrugge geen hogere waarden hoeven te worden vastgesteld. In opdracht van Rijkswaterstaat is door DHV een aanvullend akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting vanwege het besluit voor de woonkern Loenersloot. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een memo van 8 februari 2010 (hierna: het aanvullend akoestisch onderzoek). Daarbij zijn berekeningen gemaakt voor een geluidsscherm met een hoogte van 5,5 meter in zowel een reflecterende uitvoering als in een absorberende uitvoering. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de wegaanpassing in de woonkern Loenersloot in de toekomst zal afnemen, aldus de minister. De minister stelt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de wegaanpassing in de woonkern Baambrugge vergelijkbaar is met de geluidsbelasting in Loenersloot, aangezien de ligging van Baambrugge ten opzichte van de A2 vergelijkbaar is met de ligging van Loenersloot ten opzichte van de A2. Volgens de minister blijft de geluidsbelasting van de woningen en woonboten binnen aanvaardbare grenzen zodat hij geen aanleiding ziet om aanvullende geluidsreducerende maatregelen te treffen.

2.3.2. In artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1, van de Wet geluidhinder is, kort weergegeven, bepaald dat een weg als de onderhavige een geluidzone heeft van 600 meter aan weerszijden van de weg.

2.3.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding is voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de in de bijlage, onder A, opgenomen wegaanpassingsprojecten, onder meer afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder van overeenkomstige toepassing.

In de bijlage, onder A, is het project waarop het thans bestreden wegaanpassingsbesluit betrekking heeft opgenomen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, moet het wegaanpassingsbesluit ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde wegaanpassingsprojecten de beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde en een aanduiding van de op het terugbrengen van de geluidsbelasting gerichte maatregelen bevatten.

2.3.4. Gezien het voorgaande is afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder van overeenkomstige toepassing op het wegaanpassingsbesluit. Daarin zijn de artikelen 87b tot en met 87i opgenomen.

In artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder is bepaald waarnaar akoestisch onderzoek moet worden gedaan bij het voorbereiden van de aanleg van een hoofdweg. Er moet, kort weergegeven en voor zover hier van belang, onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting van woningen binnen de zone van de weg en de doeltreffendheid van maatregelen ter beperking van de geluidsbelasting van die woningen.

2.3.5. Ingevolge artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder , voor zover hier van belang, dient ter plaatse van een woning waarop Afdeling 2A van hoofdstuk VI van toepassing is en die in twee of meer aanwezige geluidzones als bedoeld in artikel 74 en artikel 106b van de Wet geluidhinder is gelegen, overeenkomstig het RMV 2006 akoestisch onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen.

2.3.6. Voor woningen binnen de zone en langs het tracé waarvoor het wegaanpassingsbesluit is genomen kunnen waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting gelden indien ten gevolge van de toename van de geluidsbelasting bij die woningen sprake is van een aanpassing van de weg (artikel 87 f ), of wanneer de geluidsbelasting bij die woningen op 1 maart 1986 hoger was dan 60 dB(A) (artikel 87 g ).

2.3.7. De woonkern Loenersloot is gelegen op een afstand van circa 850 meter van de (verbrede) A2, de woonkern Baambrugge is gelegen op een afstand van circa 870 meter. Niet in geschil is dat de woningen in Loenersloot en Baambrugge buiten de in artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1, van de Wet geluidhinder bedoelde zone liggen. Gelet op het gestelde in artikel 87d, eerste lid, van de Wet geluidhinder is het voor de uitvoering van deze wet niet nodig om onderzoek te doen naar de geluidsbelasting die buiten de zone van de weg optreedt. De woonboten liggen wel gedeeltelijk binnen de zone van de weg, maar zijn niet aan te merken als geluidsgevoelige objecten waarop de bepalingen van afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. Het vaststellen van een hogere waarde op grond van de artikelen 87f, vierde lid, en 87g, derde lid, van de Wet geluidhinder - en het in dat kader doen van onderzoek naar verdere geluidsreducerende maatregelen - is dan ook niet aan de orde.

2.3.8. Artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder is niet van toepassing op de woonboten en woningen in Loenersloot en Baambrugge, nu Afdeling 2A van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder niet van toepassing is op deze woonboten en woningen. De minister behoefde voor deze woningen en woonboten daarom bij de toepassing van de Spoedwet wegverbreding in samenhang met de Wet geluidhinder geen rekening te houden met de cumulatieve geluidsbelasting als gevolg van de samenloop van verschillende geluidsbronnen.

2.3.9. Dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is op de woningen in Loenersloot en Baambrugge en evenmin op de woonboten betekent niet dat de minister de geluidsbelasting van de woningen en woonboten in het geheel niet hoeft te betrekken bij het wegaanpassingsbesluit.

2.3.10. Ten aanzien van het geluideffect van de reflectie van het scherm bij Vinkeveen wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat de specifieke wijze waarop dit scherm is gemodelleerd tot gevolg heeft dat de reflectie van het geluid niet juist is berekend in het akoestisch rapport. Dit heeft tot gevolg dat de geluidsbelasting op de woningen in de woonkern Loenersloot gemiddeld 0,7 dB hoger is dan wanneer zou zijn uitgegaan van de in het akoestisch rapport berekende reflectie van het scherm. Tegenover het scherm zijn binnen de zone geen woningen gelegen. In het aanvullend akoestisch onderzoek, is de schermreflectie volgens het deskundigenbericht wel op de juiste manier berekend en zijn de berekende geluidsbelastingen juist. De Afdeling ziet geen aanleiding om in zoverre aan de conclusies uit het deskundigenbericht te twijfelen.

2.3.11. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek blijkt dat de woningen in de kern Loenersloot geen hogere geluidsbelasting ondervinden dan 48 dB; de meest westelijk gelegen woningen ondervinden een geluidsbelasting van 50 dB. Voorts blijkt uit het aanvullend akoestisch onderzoek dat de verwachte geluidsbelasting in 2022 op alle beoordelingspunten lager is dan in 1999 en 2008.

In het deskundigenbericht wordt vermeld dat de geluidsbelasting 48 dB bedraagt in de kern Baambrugge en 52 dB op de meest nabij gelegen woning aan De Horn 1. Niet gebleken is dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn.

In het akoestisch rapport is onderzoek gedaan naar de woonbootligplaatsen Angstelpad 22, 24 en 26. Uit het rapport blijkt dat de geluidsbelasting bij deze woonboten na uitvoering van het wegaanpassingsbesluit zal afnemen met 1 dB tot 55 dB. Ten aanzien van de overige woonbootligplaatsen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de akoestische situatie vergelijkbaar is met de woningen aan de Angstelkade 10 en 11, waarvoor geen hogere waarden behoeven te worden vastgesteld en waarvoor geldt dat het wegaanpassingsbesluit leidt tot een kleine reductie van de geluidsbelasting.

In het aanvullend akoestisch onderzoek is een aantal aanvullende geluidsreducerende maatregelen beschouwd, waaronder een wal in de middenberm en een geluidsscherm aan de oostzijde van de A2 van 2 meter hoog. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidsreducerende effecten van deze maatregelen gering is.

2.3.12. In het akoestisch rapport en in het aanvullende akoestisch onderzoek is een vergelijking gemaakt tussen de vóór de aanvang van de werkzaamheden heersende geluidsbelasting enerzijds en de toekomstige geluidsbelasting anderzijds. Daartoe is de heersende (fictieve) situatie in 2008 waarbij 2x4 rijstroken aanwezig waren vergeleken met de situatie in 2022 waarbij 2x5 rijstroken zullen zijn aangebracht. In werkelijkheid waren de werkzaamheden voor de verbreding van 2x3 naar 2x4 rijstroken in 2008 nog niet afgerond. Om benadeling van belanghebbenden te voorkomen is in het akoestisch rapport en in het aanvullend akoestisch onderzoek eveneens een vergelijking gemaakt van de situatie in 1999 waarbij 2x3 rijstroken waren aangebracht, en de situatie in 2022 waarbij 2x5 rijstroken zullen zijn aangebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting in de eindsituatie van 2x5 rijstroken zowel ten opzichte van de situatie van 2x3 rijstroken als ten opzichte van de situatie van 2x4 rijstroken is verlaagd. De stelling van [appellant sub 2] en de Vereniging dat de vergelijking van 2x3 met 2x5 rijstroken niet bij de beoordeling is betrokken, is derhalve feitelijk onjuist. In het akoestisch rapport is uitgegaan van een maximumsnelheid van 100 km/uur in 1999, met dicht asfaltbeton als wegdek. Daarbij is afgeweken van de in 1999 geldende maximumsnelheid van 120 km/uur, ter compensatie van de omstandigheid dat destijds nog geen ZOAB was aangebracht. In het rekenmodel van het aanvullend akoestisch onderzoek is wel gerekend met deze maximumsnelheid. De geluidsbelasting, uitgaande van 120 km/uur, is maximaal 0,8 dB hoger dan wanneer wordt uitgegaan van 100 km/uur. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de woningen en woonboten in Loenersloot uitgaande van 120 km/uur onderscheidenlijk maximaal 52,1 en 55,3 dB bedraagt.

Aangezien zowel een vergelijking is gemaakt tussen 2x3 en 2x5 rijstroken als tussen 2x4 en 2x5 rijstroken en de geluidsbelasting op de woningen in Loenersloot in beide gevallen afneemt, valt niet in te zien dat de geluidsbelasting op de woningen in Loenersloot is onderschat.

2.3.13. In het deskundigenbericht wordt verder gesteld dat niet aannemelijk is dat de woonboten en woningen in Loenersloot en Baambrugge een hoge cumulatieve geluidsbelasting ondervinden, daar ze op aanzienlijke afstand liggen van andere geluidsbronnen en aangezien ze geen hoge geluidsbelasting ondervinden van de rijksweg A2. Niet aannemelijk is gemaakt dat de conclusie in het deskundigenbericht in zoverre onjuist is.

2.3.14. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidsbelasting vanwege de wegaanpassing in Loenersloot en Baambrugge binnen aanvaardbare grenzen blijft en dat de door het college, [appellant sub 2] en de Vereniging gewenste aanvullende geluidsreducerende maatregelen niet behoeven te worden voorgeschreven. Er is evenmin reden voor het oordeel dat de beoordeling van de minister van de geluidsbelasting van de woonboten en woningen in de woonkernen Loenersloot en Baambrugge zodanig is dat deze getuigt van een zodanige onevenwichtige afweging van belangen, dat de minister niet in redelijkheid tot deze keuze heeft kunnen komen.

2.3.15. De beroepsgrond faalt.

2.4. Volgens het college, [appellant sub 2] en de Vereniging is in strijd met het bepaalde in artikel 87d, derde lid, van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidstoename op de N201, die volgens hen is toe te schrijven aan de in geding zijnde verbreding van de A2.

2.4.1. In artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder , is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat onder aanpassing van een weg moet worden verstaan: een aanpassing ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van deze afdeling als ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt.

Ingevolge artikel 87d, derde lid, van de Wet geluidhinder heeft het in het eerste lid bedoelde akoestisch onderzoek tevens betrekking op die andere wegen of de niet te wijzigen of te verbreden gedeelten van de betrokken hoofdweg, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging of verbreding van een hoofdweg zal leiden tot een aanpassing van andere wegen dan de te wijzigen of te verbreden hoofdweg of tot aanpassing van de niet te wijzigen of te verbreden gedeelten van de hoofdweg.

2.4.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat op de N201 een geluidstoename plaatsvindt, zowel wanneer wordt uitgegaan van een uitbreiding van het aantal rijstroken van de A2 van 2x3 naar 2x5, als wanneer wordt uitgegaan van een uitbreiding van het aantal rijstroken van 2x4 naar 2x5. In het akoestisch rapport wordt gesteld dat voor onderscheidenlijk het wegvak west en wegvak oost 0,2 dB en 0,1 dB van deze toename het gevolg is van de wegverbreding.

2.4.3. In het deskundigenbericht is op basis van de beschikbare verkeersintensiteiten berekend wat de bijdrage aan de geluidstoename is ten gevolge van autonome groei en wat de bijdrage aan de toename is ten gevolge van het wegaanpassingsbesluit. Indien de bijdrage ten gevolge van autonome groei buiten beschouwing wordt gelaten, dan is de toename lager dan de in artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet geluidhinder genoemde 2 dB, aldus het deskundigenbericht. Indien de autonome groei moet worden opgeteld bij de bijdrage aan de toename ten gevolge van het wegaanpassingsbesluit, dan is de toename groter dan 2 dB. Niet is gebleken dat het gestelde in het deskundigenbericht in zoverre onjuist is.

2.4.4. Op grond van artikel 87b, eerste lid, aanhef en onder h, in samenhang met artikel 87d, derde lid, van de Wet geluidhinder dient het akoestisch onderzoek mede betrekking te hebben op de N201, indien de wegaanpassing van de A2 leidt tot een toename van de geluidsbelasting van de N201 van 2 dB of meer. Gelet op de redactie van de artikelen moet het ervoor worden gehouden dat het hierbij gaat om de geluidsbelasting vanwege de wegaanpassing zelf; de autonome groei van het wegverkeer dient hierbij buiten beschouwing te worden gelaten. Nu uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidstoename vanwege de wegaanpassing minder dan 2 dB bedraagt, welke conclusie wordt onderschreven in het deskundigenbericht, is de N201 terecht niet in het akoestisch onderzoek betrokken.

2.4.5. De beroepsgrond faalt.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

2.5. De Vereniging stelt dat de plaatsing van het geluidsscherm ter hoogte van Vinkeveen heeft geleid tot aantasting van het cultuurhistorisch landschap van Baambrugge en stelt dat ten onrechte geen aanvullende voorschriften zijn gesteld voor een goede inpassing van het scherm in het landschap.

2.5.1. De beroepsgrond heeft betrekking op de plaatsing van een geluidsscherm dat op grond van een ander besluit dan het in geding zijnde wegaanpassingsbesluit is gerealiseerd. Deze grond is derhalve niet gericht tegen het bestreden besluit en kan reeds om die reden niet slagen.

Overige gronden

2.6. Voor zover [appellant sub 2] en de Vereniging aanvoeren dat het in de Wet geluidhinder neergelegde wettelijk kader op verouderde inzichten is gebaseerd en de minister in die omstandigheid aanleiding had moeten zien om onderzoek te doen naar mogelijke geluidsreducerende maatregelen op woningen in Loenersloot en Baambrugge, overweegt de Afdeling dat de minister is gehouden de wetgeving toe te passen zoals zij luidt op het moment van het nemen van het besluit, zodat deze grond reeds om die reden niet kan slagen.

2.7. Voor zover [appellant sub 2] en de Vereniging aanvoeren dat het bestemmingsplan "Landelijk gebied" in 2003 ten onrechte is vastgesteld, dat ten onrechte geen actieplan als bedoeld in artikel 122 van de Wet geluidhinder is opgesteld en dat ten onrechte geen nadere regels zijn gesteld in een algemene maatregel van bestuur op grond waarvan een grotere bescherming wordt geboden tegen geluidhinder vanwege een project als het onderhavige, overweegt de Afdeling dat deze gronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat ze reeds om die reden niet kunnen slagen.

Schade

2.8. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 2] en de Vereniging in zoverre aldus dat zij van mening zijn dat schade zal worden geleden ten gevolge van het wegaanpassingsbesluit.

2.8.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding kan een belanghebbende die schade zal leiden als gevolg van het bestreden besluit, een verzoek indienen om de schade vergoed te krijgen. Ter invulling van het gestelde in artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding , wordt de "Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999" gehanteerd. Een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend vanaf het moment dat het wegaanpassingsbesluit is vastgesteld. De minister zal een beslissing op een verzoek om schadevergoeding niet eerder nemen dan nadat het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden. De mogelijkheid om een verzoek om schadevergoeding in te dienen is tevens vermeld in artikel 6 van het wegaanpassingsbesluit.

2.8.2. Niet is gebleken dat aan de belangen van [appellant sub 2] en de Vereniging onvoldoende gewicht is toegekend en dat daarom ten aanzien van de eventuele schade niet in redelijkheid volstaan kon worden met een verwijzing naar de in artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding in samenhang met de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 opgenomen mogelijkheid om een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Ook in zoverre slaagt het beroep niet.

2.9. De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

407.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature