< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gezag over minderjarige; omgangsregeling tijdens ondertoezichtstelling

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 maart 2011

Zaaknummer : 200.068.435.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-2479

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. W.N. Sardjoe te `s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.E. Borgman te Rotterdam.

Als informant is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 10 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 maart 2010 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 31 augustus 2010 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 7 januari 2011 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 31 januari 2011 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming heeft het hof bij brief van 10 december 2010 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 20 januari 2011 is de mondelinge behandeling van de zaak aangevangen. Verschenen zijn de advocaat van de vader, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw S. Oranje en mevrouw L. Zwaardman. Ter terechtzitting is de mondelinge behandeling tot de terechtzitting van 2 februari 2011 aangehouden teneinde de vader in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar voren te brengen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Op 2 februari 2011 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten en namens Jeugdzorg: de heer A.C. van der Pol.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader om hem tezamen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige afgewezen. Voorts is bepaald dat door Jeugdzorg zal worden bekeken hoe de huidige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige in het belang van de minderjarige zal kunnen worden uitgebreid.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag over de minderjarige [dochter], geboren op [in] 2000 te [woonplaats] (hierna: de minderjarige) en de omgang tussen de vader en de minderjarige.

2. De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek tot gezamenlijk gezag in eerste aanleg alsnog toe te wijzen alsmede een omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader de minderjarige bij zich mag hebben:

- eenmaal per veertien dagen een weekeinde, beginnend op vrijdag om 19:00 uur en eindigend op zondag om 19:00 uur,

- de helft van de algemene feestdagen,

- de helft van de gebruikelijke schoolvakanties,

- bij bijzondere gelegenheden zoals de verjaardag van de minderjarige en de vader,

althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht.

Voorts verzoekt de vader het hof vast te stellen dat het halen en brengen van de minderjarige in het kader van de omgangsregeling worden afgewisseld en dat de reiskosten worden gedeeld. Ten slotte verzoekt de vader het hof hem in staat te stellen de vakanties in het kader van de omgangsregeling met de minderjarige in het buitenland door te brengen waarbij de moeder haar medewerking verleent aan het verkrijgen van reisdocumenten voor de minderjarige.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek in hoger beroep af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

Gezag

4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gebleken is dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders indien zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De vader stelt dat de communicatie tussen hem en de moeder niet zodanig is dat het klemcriterium van toepassing is. Dat de verhouding en de communicatie tussen hen nog redelijk is, blijkt volgens de vader ook uit de erkenning van de moeder dat de omgang goed verloopt en dat zij openstaat voor een ruimere omgangsregeling.

5. Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Ingevolge het tweede lid wordt het verzoek, indien dit ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

6. Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige is. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en die zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder díe beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven of de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder, deze beslissingen niet blokkeert. De rechter zal per geval moeten beoordelen of daaraan wordt voldaan. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden.

7. Het hof overweegt als volgt. De minderjarige staat sinds 20 november 2007 onder toezicht van Jeugdzorg. Zij wordt ernstig in haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling bedreigd, omdat zij door haar loyaliteit naar beide ouders toe haar eigen mening niet kan geven, de strijd tussen de ouders niet lijkt te stoppen en de moeder als gezaghebbende ouder onvoldoende bekwaam is gebleken in het opvoeden van de minderjarige. De hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling dient opvoedingsondersteuning te bieden aan de moeder, te bemiddelen bij escalaties tussen de vader en de moeder en in te grijpen indien een van de ouders niet handelt in het belang van de minderjarige.

Sinds de ondertoezichtstelling is er nauwelijks verandering opgetreden in de situatie en de duur van de ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter te Rotterdam van 11 november 2010 verlengd tot 20 november 2011. Het contact tussen de ouders is nog niet hersteld. Hierdoor blijft de strijd tussen de ouders gaande. De vader heeft gedurende lange tijd de moeder gediskwalificeerd en volgehouden dat de minderjarige niet op haar plek is bij de moeder. De moeder heeft steeds gesteld dat de vader de minderjarige tegen haar opstookt. Gebleken is daarom dat partijen (nog) niet in staat zijn in overleg met elkaar te treden en op constructieve wijze met elkaar te communiceren over belangrijke zaken aangaande de opvoeding van de minderjarige. Over praktische zaken lijkt de communicatie tussen partijen op gang te komen, al is de moeder niet tevreden over de wijze waarop deze verloopt, maar overigens is de situatie nog verre van rooskleurig.

Het hof acht het, gelet op het feit dat deze situatie al geruime tijd ongewijzigd voortduurt, niet aannemelijk dat partijen in staat zullen zijn binnen afzienbare tijd de situatie ten positieve te keren. Daarnaast is uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, duidelijk geworden dat de vader voortdurend de strijd aangaat met Jeugdzorg. De vader weigert in gesprek te gaan met Jeugdzorg. Indien de vader mede met het gezag wordt belast, zal dit een zeer moeilijk werkbare situatie doen ontstaan. Het hof acht dit strijdig met de belangen van [de dochter]. Het hof is dan ook van oordeel dat een afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in het belang van [de dochter] noodzakelijk is. De bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd.

Omgang

8. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een uitbreiding van de omgangsregeling heeft gedelegeerd aan Jeugdzorg. De vader stelt dat dit niet in het belang van de minderjarige is, nu de verhouding tussen Jeugdzorg en de vader is verslechterd en eerst tot uitbreiding van de omgangsregeling door Jeugdzorg zal worden overgegaan als er toestemming van de moeder is, welke toestemming de moeder waarschijnlijk niet zal verlenen.

9. Niet in geschil is dat de huidige omgangsregeling, van één zaterdag in de week van 10.00 uur tot 15.30 uur, goed verloopt. Het hof acht het, evenals de rechtbank, van belang dat Jeugdzorg, als verantwoordelijke voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, betrokken wordt bij de vraag of deze omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader - gelet op de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige en haar (ernstige) gedragsproblemen - kan worden uitgebreid. Vooralsnog is het voor Jeugdzorg niet mogelijk de vader te betrekken bij een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling, nu de vader elke samenwerking met Jeugdzorg weigert. Er is dan ook geen zicht op de situatie bij de vader. Ook anderszins is het hof niet gebleken van aanknopingspunten die aanleiding geven tot het vaststellen van een uitgebreidere omgangsregeling. De bestreden beschikking dient dan ook in zoverre te worden bekrachtigd.

10. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Mos-Verstraten en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature