< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Toepassing bestuurlijke lus. Eiseres heeft de wachttijd voor de Wet WIA volgemaakt en het Uwv heeft een WIA-uitkering afgewezen, omdat zij per einde wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Aan eiseres is een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Tijdens de WW-periode heeft eiseres zich arbeidsongeschikt gemeld en vervolgens uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Daarna heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan die door het Uwv is afgewezen, omdat zij de (nieuwe) wachttijd niet heeft volgemaakt. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft verzuimd om te beoordelen of eiseres voldoet aan het bepaalde in artikel 55, eerste lid, onder b, in samenhang met het derde lid, van de Wet WIA. Het beoordelingstijdvak strekt zich in dit geval uit over de periode van de gestelde toename van de beperkingen tot de datum waarop eiseres zich bij het Uwv heeft gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder ervan uit te gaan, indien daadwerkelijk sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van de aandoening waaraan eiseres lijdt, dat sprake is van de dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA . Bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit dient ingegaan te worden op de vraag of het bij eiseres te verwachten ziekteverzuim zodanig hoog moet worden ingeschat dat gezegd moet worden dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij haar in de desbetreffende functie tewerkstelt.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1532

Tussenuitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. D.W.C. Jacobs,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 12 mei 2010, waarbij is beslist dat eiseres vanaf 15 juni 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 maart 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P.J.L.M. Coenen.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres is werkzaam geweest als medewerkster thuiszorg in dienst van de Stichting Thuiszorg Noord-Limburg gedurende gemiddeld 15,56 uur per week. Op 31 maart 2005 is zij uitgevallen met psychische klachten (angststoornis en dwangstoornis). Eiseres heeft op 13 februari 2007 een WIA-uitkering aangevraagd bij verweerder. Per einde wachttijd voor de Wet WIA, 23 april 2007, is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor eiseres opgesteld, waarin rekening is gehouden met beperkingen op psychisch vlak, alsmede beperkingen ten gevolge van abcesvorming met name in oksels en liezen. Wegens laatstgenoemde klachten is zij verminderd energetisch belastbaar geacht en ongeschikt geacht voor haar maatmanfunctie. Eiseres werd wel geschikt geacht voor passende functies als telefonist/receptionist/typist, productiemedewerker textiel of wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur. Vergelijking van haar maatmanloon met de theoretische verdiencapaciteit leverde een verlies van verdienvermogen op van 18,13%.

2.2. Bij besluit van 2 april 2007 heeft verweerder de aanvraag om een WIA-uitkering per einde wachttijd, 24 april 2007, afgewezen, omdat eiseres per genoemde datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht als bedoeld in die wet. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, waardoor het in rechte onaantastbaar is geworden.

2.3. Aan eiseres is vervolgens met ingang van 24 april 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarnaast is zij nog enige tijd gedurende 6 uur per week in aangepast werk bij de eigen werkgever werkzaam geweest. Eiseres heeft nadien een aantal re-integratietrajecten gevolgd en heeft geprobeerd bij Scheidegger te hervatten, hetgeen niet is gelukt.

2.4. Op 17 juni 2008 heeft eiseres zich vanuit de WW arbeidsongeschikt gemeld met toegenomen fysieke en psychische klachten als gevolg van maandelijks terugkerende abcessen. Dit gaat volgens eiseres gepaard met koortsaanvallen en vermoeidheid. Daarnaast heeft eiseres rugpijn gemeld. Eiseres heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen.

2.5. Op 10 maart 2010 heeft eiseres verweerder verzocht om per einde wachttijd in aanmerking te worden gebracht voor een WIA-uitkering.

2.6. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 10 mei 2010 beslist dat eiseres met ingang van 11 mei 2010 niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW.

2.7. Naar aanleiding van de aanvraag van 10 maart 2010 heeft verweerder bij besluit van 12 mei 2010 beslist dat eiseres vanaf 15 juni 2010 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet WIA omdat zij de wachttijd van 104 weken niet heeft vol gemaakt nu zij per 11 mei 2010 hersteld is verklaard in de zin van de ZW.

2.8. Op 22 juni 2010, bij verweerder op 23 juni 2010 ontvangen, heeft eiseres bij verweerder bezwaar gemaakt tegen haar hersteldverklaring per 11 mei 2010. Uit de stukken moet worden opgemaakt dat dit bezwaar, omdat het buiten de geldende bezwaartermijn van 2 weken was ingediend, niet verder in behandeling is genomen en dat het bezwaar van 23 juni 2010 in overleg met eiseres is aangemerkt als te zijn gericht tegen verweerders besluit van 12 mei 2010, waarbij is beslist dat zij vanaf 15 juni 2010 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

2.9. Nadat inlichtingen zijn ingewonnen bij de huisarts van eiseres heeft de bezwaarverzekeringsarts (bva) op 29 september 2010 omtrent eiseres gerapporteerd. De bva stelt zich op het standpunt dat de FML uit 2007 op dat moment nog steeds op eiseres van toepassing is en dat geen wezenlijk nieuwe medische feiten of omstandigheden vastgesteld konden worden ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, en dat de wachttijd voor de Wet WIA daarmee niet is volgemaakt.

2.10. Bij het thans in beroep bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en zijn besluit van 12 mei 2010 gehandhaafd onder overweging dat eiseres per 11 mei 2010 niet meer arbeidsongeschikt is geacht voor haar arbeid in de zin van de ZW, zodat zij de wachttijd voor de Wet WIA vanaf 17 juni 2008 niet heeft vol gemaakt.

2.11. In beroep is tegen dit besluit primair aangevoerd dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 55, eerste lid, sub b, juncto het derde lid, van de Wet WIA , heeft verzuimd om te onderzoeken of eiseres per datum ziekmelding wegens verergering van de ontstekingen, te weten per 17 juni 2008, meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden op grond van dezelfde ziekteoorzaak als die gedurende de eerder volgemaakte wachttijd leidde tot ongeschiktheid voor het eigen werk. Subsidiair, voor het geval geen sprake zou van dezelfde ziekteoorzaak, is betoogd dat eiseres wel degelijk de wachttijd heeft vol gemaakt en dat niet arbeidskundig is onderbouwd dat eiseres in staat zou zijn de in 2007 geduide functies te verrichten.

2.12. Ingevolge het bepaalde in artikel 55, eerste lid, sub b, juncto het derde lid, van de Wet WIA geldt – kort gezegd – geen wachttijd indien binnen vijf jaar na de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, van de Wet WIA, sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan de verzekerde gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Indien sprake is van een andere oorzaak, dan geldt ingevolge het bepaalde in artikel 55, eerste lid, sub c, juncto het derde lid, van de Wet WIA dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet later dan vier weken na de datum van de eerder vol gemaakte wachttijd dient te zijn ontstaan.

2.12.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens de inhoud van het bestreden besluit het recht op uitkering ingevolge de Wet WIA (alleen) heeft beoordeeld per 15 juni 2010. Gelet op de omstandigheid dat eiseres de wachttijd voor de Wet WIA op 24 april 2007 had vol gemaakt, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiseres van 10 maart 2010 moeten bezien in het licht van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid, die eiseres op 17 juni 2008 heeft gedaan. Naar aanleiding van die melding is eiseres tot 11 mei 2010 arbeidsongeschikt geacht in de zin van de ZW. Nu eiseres een WW-uitkering genoot, is daarbij als maatstaf voor ‘haar arbeid’ de destijds in het kader van de beoordeling per einde wachttijd, ingaande 23 april 2007, geduide, passende functies gehanteerd.

2.12.2. Ten aanzien van de vraag over welk tijdvak de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient plaats te vinden, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van onder meer 25 februari 2001, LJN: BP6162, dat het beoordelingstijdvak zich in het onderhavige geval uitstrekt over de periode van de gestelde toename van de beperkingen, te weten ingaande

17 juni 2008, tot de datum waarop de verzekerde zich bij het Uwv heeft gemeld voor een WIA-uitkering, te weten 10 maart 2010 dan wel tot de datum van het onderzoek door de verzekeringsarts.

2.12.3. Gelet op het onder 2.12.1 en 2.12.2 overwogene had verweerder dienen te beoordelen of eiseres gedurende voormeld beoordelingstijdvak recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Wet WIA en had hij daaromtrent een beslissing moeten nemen. Nu dit niet is gebeurd, is verweerder bij zijn besluitvorming uitgegaan van een onjuiste toetsingsmaatstaf, zodat in zoverre sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank wijst in dit verband voor zover nodig naar jurisprudentie van de CRvB (zie de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2009, LJN: BI7698, gewezen in het kader van de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering).

2.13. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb , zoals dat luidt per 1 januari 2010, kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil ziet de rechtbank aanleiding verweerder op grond van voormeld artikellid in de gelegenheid te stellen het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Verweerder dient daartoe een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het mogelijk ontstaan van het recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA in het te beoordelen tijdvak van 17 juni 2008 tot 10 maart 2010.

2.13.1. Bij het nieuw te nemen besluit dient verweerder er naar het oordeel van de rechtbank van uit te gaan dat - indien na verzekeringsgeneeskundig en zo nodig na arbeidskundig onderzoek mocht blijken dat bij eiseres in het beoordelingstijdvak als bedoeld onder 2.12.2 sprake is van een (toegenomen) arbeidsongeschiktheid van tenminste 35% (mede) als gevolg van de hydradenitis suppurativa - die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel 55, eerste lid, sub b, juncto het derde lid, van de Wet WIA . Uit de voorhanden medische en verzekeringsgeneeskundige gegevens blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat eiseres gedurende de periode dat zij de wachttijd voor de Wet WIA heeft vol gemaakt, al arbeidsbeperkingen ondervond mede vanwege de aandoening hydradenitis suppurativa. Daartoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de FML, die op 9 maart 2007 is opgesteld, duidelijke beperkingen van haar arbeidsmogelijkheden als gevolg van die aandoening zijn opgenomen. Deze beperkingen hebben, gezien de datum waarop die FML is opgesteld, ook tijdens de wachttijd gegolden. Mede vanwege genoemde aandoening is eiseres per einde wachttijd arbeidsongeschikt geacht voor haar arbeid als thuiswerkster. Gelet hierop vermag de rechtbank niet in te zien dat in het kader van de voorliggende beoordeling van een ‘andere oorzaak’ sprake is, zoals de bva in zijn commentaar van onder andere 16 december 2010 heeft aangegeven. Voor dit oordeel wordt tevens steun gevonden in vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer CRvB 13 oktober 2006, LJN: AZ0711). Uit deze jurisprudentie volgt dat in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de verzekerde dient door te slaan.

2.13.2. In het kader van de voorbereiding van het door verweerder nieuw te nemen besluit wijst de rechtbank er verder nog op dat zij de bva vooralsnog niet kan volgen in diens standpunt dat er in 2010 geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid kan zijn omdat de FML uit 2007 onveranderd op eiseres van toepassing is. Uit vergelijking van de arbeidsmogelijkheden van eiseres, zoals vastgelegd in de FML van 9 maart 2007 en de FML van 15 april 2010, blijkt dat daarbij is aangenomen dat eiseres in elk geval toegenomen arbeidsbeperkingen ondervindt als gevolg van de aandoening hydradenitis suppurativa op de onderdelen ‘veel ver reiken’ (toelichting verzekeringsarts in FML 2010) en ‘zitten’. Indien uit het te verrichten aanvullend onderzoek blijkt dat in het beoordelingstijdvak daadwerkelijk sprake is van toegenomen medische beperkingen zal nader arbeidskundig onderzoek moeten uitwijzen of van een (relevante mate van) arbeidsongeschiktheid sprake is. In dat verband zal bij de bepaling van de resterende verdiencapaciteit tevens (nader) ingegaan moeten worden op de vraag of het bij eiseres te verwachten ziekteverzuim zodanig hoog moet worden ingeschat dat gezegd moet worden dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij haar in de desbetreffende functie tewerkstelt.

2.14. De rechtbank acht het voorts vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid aangewezen dat in het kader van het nieuw te nemen besluit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht zal worden door een bva die tot nu toe niet bij de beoordeling van eiseres betrokken is geweest.

2.15. De rechtbank bepaalt dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb , zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 14 dagen na verzending van deze tussenuitspraak, kenbaar dient te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen, wordt door de rechtbank bepaald op zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.

2.16. Indien en zodra verweerder gebruik maakt van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen, zal de wederpartij in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken na verzending van de mededeling van verweerder op welke wijze het gebrek is hersteld, schriftelijk een zienswijze hierover naar voren te brengen. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder door het nadere besluit het in deze uitspraak omschreven gebrek heeft hersteld en of dat besluit in rechte stand kan houden.

2.17. In de einduitspraak zal worden beslist over proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

2.18. Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

heropent het onderzoek;

stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan door mr. M.C.M. Hamer, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2011.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 21 maart 2011

Hoger beroep tegen de tussenuitspraak is alleen mogelijk gelijktijdig met hoger beroep tegen de einduitspraak.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature