< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Het zoontje van eiseres behoort tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de hierboven beschreven “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust om te voorzien in een voor verzoekster en haar zoontje - gezien zijn leeftijd is hij immer onbetwist afhankelijk van zijn moeder - adequate opvang.

In het voorgaande ligt echter niet besloten dat aan verzoekster, met voorbijgaan aan het bepaalde in de artikelen 11, eerste en tweede lid en artikel 16, tweede lid, van de WWB , bijstand behoort te worden toegekend (zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010, LJN: BM1992). De positieve verplichting van de staat om in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter met inachtneming van voornoemde “margin of appreciation” en het primaat van de wetgever, met op de situatie van verzoekster toegesneden voorzieningen gestalte te worden gegeven.

Thans is (nog) niet bekend is of de Minister voor Immigratie en Asiel de uitzetting van verzoekster ter hand zal gaan nemen. Het antwoord op die vraag is van belang voor de beantwoording van de vraag of plaatsing van verzoekster en haar zoontje in de VBL een passende en toereikende voorliggende voorziening biedt in de zin van de WWB dan wel de WMO. Het is aan verweerder om op dat punt duidelijkheid te verschaffen.

Vaststaat dat verzoekster en haar zoontje thans onderdak hebben. Namens de Stichting Lefier, voorheen genaamd Stichting Wooncom, is verzoekster gedagvaard om bij de kantonrechter te verschijnen voor de behandeling van (onder meer) de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van de woning; de behandeling van deze zaak is echter op verzoek van verzoekster vier weken uitgesteld. De situatie is gezien het vorenstaande thans niet zodanig dat er acute zorg bestaat dat verzoekster met haar zoontje op straat komt te staan.

De door verweerder verbeurde dwangsom bedraagt een bedrag van € 1.260,=. Bij wijze van voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder dit bedrag uiterlijk op 1 april 2011 aan verzoekster uitbetaalt. De voorzieningenrechter ziet thans geen aanleiding om een aanvullende voorlopige voorziening te treffen, bijvoorbeeld in de vorm van toekenning van een leefgeld, daar verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter van dit bedrag gedurende enige tijd, in ieder geval tot zes weken nadat door verweerder een beslissing op de WMO-aanvraag is genomen, in haar onderhoud (en dat van haar zoontje) zal kunnen voorzien.

Uitspraak



VOORZIENINGENRECHTER ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 11/ 5 WMO, 11/154 WWB en 11/172 WMO

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 24 maart 2011

in de gedingen tussen:

[verzoekster], wonende te Emmen, verzoekster,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Emmen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij primair besluit van 14 september 2010 heeft verweerder het recht op een WWB-uitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken, omdat verzoekster per die datum in verband met een wijziging in de verblijfstitel geen recht meer heeft op bijstand.

Op 18 oktober 2010 heeft verzoekster een aanvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) ingediend.

Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 14 september 2010 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd.

Op 7 december 2010 heeft de gemachtigde van verzoekster, door middel van een ingebrekestelling, verweerder medegedeeld dat dwangsommen zijn verschuldigd, indien niet binnen de daarvoor bestemde wettelijke beslistermijn wordt beslist op de WMO-aanvraag.

Namens verzoekster is bij brief van 12 december 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 1 december 2010. Het beroep is geregistreerd onder nummer 10/846.

Namens verzoekster is op 3 januari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de namens verzoekster ingediende WMO-aanvraag.

Het beroep is geregistreerd onder nummer 11/5.

Bij brieven van 7 respectievelijk 15 maart 2011 is namens verzoekster aan de voorzieningen-rechter van de rechtbank verzocht om in beide zaken toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeken zijn geregistreerd onder nummer 11/154 WWB en 11/172 WMO.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede verweerschriften ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan afschriften ontvangen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 18 maart 2011.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer.

Voor verweerder zijn verschenen mr. P. Betlehem en J. Backers.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de voorzieningenrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Feiten en omstandigheden

Verzoekster is geboren op [geboren] en heeft de nationaliteit van [nationaliteit]. Verzoekster is illegaal naar Nederland gekomen, waarna zij slachtoffer werd van gedwongen prostitutie. In november 2002 heeft verzoekster asiel aangevraagd, wat werd afgewezen. Daarna heeft verzoekster een zogeheten B9-status aangevraagd en verkregen. Deze status is komen te vervallen toen bleek dat vervolging van de mensensmokkelaars niet mogelijk was.

Op 29 januari 2008 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 28 maart 2008 heeft verweerder aan verzoekster per datum aanvraag een WWB-uitkering verstrekt naar de norm voor een alleenstaande.

Op 23 september 2009 is het zoontje van verzoekster geboren. De WWB-uitkering is verhoogd naar de norm voor een alleenstaande ouder.

In augustus 2010 is verweerder gebleken dat in de Gemeentelijke Basisadministratie de code verblijfstitel van verzoekster per 1 juli 2010 is veranderd naar code 98. Dit betekent dat verzoekster geen verblijfstitel meer heeft en dat verzoekster en haar zoontje onrechtmatig in Nederland verblijven.

Bij primair besluit van 14 september 2010 heeft verweerder het recht op een WWB-uitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken, omdat verzoekster per die datum in verband met een wijziging in de verblijfstitel geen recht meer heeft op bijstand.

Bij brief van 5 oktober 2010 is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 18 oktober 2010 heeft verzoekster een aanvraag in het kader van de WMO ingediend. Verzoekster heeft verzocht om noodopvang voor moeder en kind (zonder geldige verblijfsvergunning).

Het bezwaar is tijdens een op 1 november 2010 gehouden hoorzitting nader toegelicht.

Daarbij is verweerder verzocht om, indien het niet mogelijk is verzoekster een WWB-uitkering te verstrekken, haar in ieder geval in aanmerking te brengen voor een voorziening op grond van de WMO.

Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2010 ongegrond verklaard.

Op de WMO-aanvraag heeft verweerder tot op heden niet beslist.

Standpunten partijen

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het verweerder niet vrij staat om haar het enige middel van bestaan van haarzelf en haar zoon af te nemen en zo dakloosheid te veroorzaken. Door een wijziging in haar verblijfstatus is haar enige bron van inkomsten (de WWB-uitkering) weggevallen.

Verzoekster heeft geen geld om eten en de vaste lasten te betalen en ze dreigt binnenkort uit haar huurwoning te worden gezet. Zij heeft geen privéleven meer en dat is in strijd met artikel 8 EVRM. Het tweede lid van artikel 8 EVRM biedt de mogelijkheid een inbreuk te maken op het recht op familie- en privé-leven. De uitsluiting van het recht op een uitkering heeft als doel mensen te bewegen om te vertrekken. Maar het intrekken met terugwerkende kracht en op zo korte termijn kan niet het doel dienen dat er wordt vertrokken. Verzoekster en haar kind is niet de kans geboden zich in te stellen op de nieuwe situatie.

Bovendien is verzuimd een redelijke en eerlijke afweging van belangen te maken. De rechten van het kind dienen daarbij een eerste overweging te zijn. De Staat heeft een eigen zelfstandige plicht tegenover kinderen om hen te beschermen. Dit blijkt ook uit de uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 20 oktober 2009 en de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011.

Verblijf in Ter Apel is geen voorliggende voorziening, omdat het niet gaat om opvang, maar om een (Half) Open Penitentiaire Inrichting. Het is niet wenselijk dat daklozen in een gevangenis worden opgevangen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat indien verzoekster van mening is dat zij niet kan terugkeren naar het land van herkomst, zij een aanvraag kan doen voor een verblijfs-vergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 2010 (LJN BN0258). Een beroep op artikel 8 EVRM slaagt volgens verweerder niet bij een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die een beroep doet op een bijstandsuitkering.

Verweerder heeft niet de plicht om te zorgen voor een alternatief voor de WWB-uitkering.

Voorts stelt verweerder dat de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011 niet relevant is voor deze aangelegenheid. Bovendien is aan verzoekster de mogelijkheid geboden naar het opvangcentrum in Ter Apel te gaan, dus zij en haar zoontje hoeven niet dakloos te worden.

Beoordeling

De verzoeken om een voorlopige voorziening strekken ertoe dat verweerder wordt opgedragen ten behoeve van moeder en kind voor noodopvang te zorgen. Verweerder dient financiële middelen te verstrekken om onderdak, vaste lasten, kleding en voedsel te kunnen bekostigen.

Niet in geding is dat verzoekster geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoekster onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276), geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden toegekend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in diverse – rechtstreeks werkende – bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. Behoudens een categorie van in dit geding niet van belang zijnde overgangs-gevallen en de situatie van rechtmatig in Nederland verblijvende kinderen, welke aan de orde was in de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006 (LJN AV0197), heeft de CRvB het ter verwezenlijking van de doelstellingen van de koppelingswetgeving binnen het kader van de opeenvolgende bijstandswetten gehanteerde middel steeds aanvaardbaar geacht.

Zoals de CRvB in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776) heeft overwogen, merkt het EHRM respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the “very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het priv éleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen.

Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevan t is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het zoontje van eiseres behoort tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de hierboven beschreven “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust om te voorzien in een voor verzoekster en haar zoontje

- gezien zijn leeftijd is hij immer onbetwist afhankelijk van zijn moeder - adequate opvang.

In het voorgaande ligt echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet besloten dat aan verzoekster, met voorbijgaan aan het bepaalde in de artikelen 11, eerste en tweede lid en artikel 16, tweede lid, van de WWB , bijstand behoort te worden toegekend (zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010, LJN: BM1992). De positieve verplichting van de staat om in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter met inachtneming van voornoemde “margin of appreciation” en het primaat van de wetgever, met op de situatie van verzoekster toegesneden voorzieningen gestalte te worden gegeven.

De positieve verplichting van de staat om in de omstandigheden van verzoekster recht te doen aan artikel 8 van het EVRM rust naar de mening van verweerder op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in de WWB en de WMO. De voorliggende voorziening bestaat volgens verweerder in het onderhavige geval hierin dat verzoekster kan worden opgevangen in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Dit zou verweerder door een medewerker van de Dienst Terugkeer & Vertrek zijn toegezegd. De rechtbank stelt vast dat verzoekster dat niet betwist.

Ter zitting is namens verzoekster een brief van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers overgelegd van 2 maart 2011, waaruit blijkt dat men voornemens is de aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) af te wijzen. De voorzieningenrechter stelt vast dat genoemde regeling vooralsnog geen voorliggende voorziening lijkt te bieden.

Uit een ter zitting namens verzoekster overgelegde brief van de Staatssecretaris en de Minister van Justitie van 24 juni 2008 blijkt dat plaatsing in een VBL een maatregel betreft die de bewegingsvrijheid beperkt om toezicht op de vreemdeling uit te oefenen ter fine van vertrek.

De voorzieningenrechter stelt vast dat thans (nog) niet bekend is of de Minister voor Immigratie en Asiel de uitzetting van verzoekster ter hand zal gaan nemen. Het antwoord op die vraag is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van belang voor de beantwoording van de vraag of plaatsing van verzoekster en haar zoontje in de VBL een passende en toereikende voorliggende voorziening biedt in de zin van de WWB dan wel de WMO. Het is aan verweerder om op dat punt duidelijkheid te verschaffen. Verweerder dient dan ook een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoekster in het kader van de WMO. Het verweerschrift dat is ingediend naar aanleiding van het door verzoekster ingestelde “beroep niet tijdig” (procedurenummer 11/5) kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als zodanig worden aangemerkt. Dit is ook door verweerder ter zitting bevestigd.

Met betrekking tot de hiervoor bedoelde zaak met procedurenummer 11/5 ziet de voorzieningenrechter aanleiding uitspraak te doen in de hoofdzaak en overweegt als volgt.

Na 1 oktober 2009 is de nieuwe Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Ingevolge het hiermee gewijzigde artikel 7:1, onder e, van de Awb gelezen in samenhang met het overgangsrecht als is opgenomen in artikel III van de wet, dient van af 1 oktober 2009 rechtstreeks beroep te worden ingesteld als rechtsmiddel tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, onder a en b, van de Awb - zoals dat geldt na 1 oktober 2009 - kan een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling - gedateerd op 7 december 2010 - op 13 december 2010 heeft ontvangen en dat de beslistermijn op die dag ook reeds was verstreken. Verweerder heeft niet binnen twee weken na voornoemde ingebrekestelling een besluit genomen zodat verzoekster op grond van artikel 6:12, tweede lid onder a en b, van de Awb een beroepschrift kon indienen.

De voorzieningenrechter concludeert dat de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op de WMO-aanvraag van verzoekster is verstreken. Vaststaat dat verweerder tot op heden niet op de aanvraag heeft beslist.

De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding het beroep gegrond te verklaren, het op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, te vernietigen en onder toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb te bepalen dat door verweerder binnen uiterlijk twee weken na heden (alsnog) een beslissing op de aanvraag wordt genomen.

Op grond van artikel 8:55d, tweede lid van de Awb , wordt door de voorzieningenrechter bepaald dat verweerder een dwangsom verbeurt indien verweerder niet voldoet aan deze uitspraak.

Ingevolge artikel 4:18, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder niet de hoogte van deze dwangsom heeft vastgesteld. De voorzieningenrechter zal dit hierbij alsnog doen. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 13 december 2010 ontvangen. De hierin gestelde termijn van twee weken heeft daarmee gelopen tot en met 27 december 2010. Vanaf 28 december 2010 is de volgende dwangsom verbeurd:

- de eerste 14 dagen ( 28 december 2010 t/m 10 januari 2011) € 20,= per dag is € 280,=;

- de tweede 14 dagen (11 januari 2011 t/m 24 januari 2011) € 30,= per dag is € 420,=;

- de derde 14 dagen (25 januari 2011 t/m 7 februari 2011) € 40,= per dag is € 560,=.

De door verweerder verbeurde dwangsom beloopt daarmee in totaal € 1.260,=.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de voorzieningenrechter nog geen uitspraak doen naar aanleiding van het ingestelde beroep in de WWB-zaak (procedurenummer 10/846); verweerder dient immers eerst nader onderzoek te doen.

Met betrekking tot de gevraagde voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Vaststaat dat verzoekster en haar zoontje thans onderdak hebben. Namens de Stichting Lefier, voorheen genaamd Stichting Wooncom, is verzoekster gedagvaard om op 2 maart 2011 bij de kantonrechter te verschijnen voor de behandeling van (onder meer) de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van de woning; de behandeling van deze zaak is echter op verzoek van verzoekster vier weken uitgesteld. De situatie is gezien het vorenstaande thans niet zodanig dat er acute zorg bestaat dat verzoekster met haar zoontje op straat komt te staan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verweerder verbeurde dwangsom een bedrag bedraagt van € 1.260,=. Bij wijze van voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter bepalen dat verweerder dit bedrag uiterlijk op 1 april 2011 aan verzoekster uitbetaalt. De voorzieningenrechter ziet thans geen aanleiding om een aanvullende voorlopige voorziening te treffen, bijvoorbeeld in de vorm van toekenning van een leefgeld, daar verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter van dit bedrag gedurende enige tijd, in ieder geval tot zes weken nadat door verweerder een beslissing op de WMO-aanvraag is genomen, in haar onderhoud (en dat van haar zoontje) zal kunnen voorzien.

Op grond van artikel 8:75 juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekster € 1.311,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verzoekschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt). Tevens dient verweerder de reiskosten van verzoekster, begroot op € 12,24, te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van de WMO-zaken geregistreerd onder nummers 11/5 en 11/172:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen twee weken na heden een beslissing op de aanvraag van verzoekster neemt;

- bepaalt dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in

totaal € 1.260,=;

- bepaalt dat de gemeente Emmen aan verzoekster een dwangsom van € 100,= per dag, met een maximum van € 15.000,=, verbeurt, voor iedere dag dat verweerder na de hiervoor door de voorzieningenrechter bepaalde beslistermijn in gebreke blijft te voldoen aan deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder uiterlijk op 1 april 2011 de verbeurde dwangsom van

€ 1.260,= een verzoekster uitbetaalt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van in totaal € 1.323,24 te betalen aan verzoekster;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van in totaal € 82,= vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening in de WWB-zaak geregistreerd onder nummer 11/154:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, bijgestaan door H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. L. Mulder

In het openbaar uitgesproken op 24 maart 2011.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature