< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

ISD. ISD-richtlijn. Criterium proces-verbaal peiljaar.

In de richtlijn wordt onder meer vermeld dat een voorwaarde voor het opleggen van de ISD-maatregel is dat jegens verdachte in het peiljaar minstens 1 proces-verbaal moet zijn opgemaakt. De opvatting van de officier van justitie dat onder zo'n proces-verbaal moet worden begrepen het proces-verbaal betreffende het feit waarvoor verdachte terechtstaat op een ISD-zitting, vindt geen steun in de ISD-richtlijn. De rechtbank ontleent dit oordeel aan een arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, LJN BO9885. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat een redelijke, met het doel van de ISD-Richtlijn overeenstemmende uitleg van het vereiste dat ten minste één proces-verbaal in het peiljaar dient te zijn opgemaakt, mee brengt dat daar niet aan is voldaan indien verdachte in een later stadium wordt vrijgesproken van het feit ter zake waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank oordeelt, dat het proces-verbaal dat is opgemaakt ter zake het in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feit, derhalve niet mag meetellen als proces-verbaal, opgemaakt in het peiljaar, in de zin van de Richtlijn. De andersluidende opvatting van de officier van justitie strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de ratio van het opnemen van het vereiste in de richtlijn als constitutief vereiste voor het aanmerken van een persoon als ‘stelselmatige dader’.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/671077-10 (Promis)

Datum uitspraak: 23 maart 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Scheer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.J.G. Brander, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 december 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

van wederrechtelijke toeëigening in/uit een personenauto (merk/type: Citroën

C-1 kenteken [nummer]) weg te nemen enig(e) goed(eren) en/of geld , geheel of

ten dele toebehorende aan ING Car Lease Nederland B.V. en/of [naam 1], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de

toegang tot voornoemde personenauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen

enig(e) goed(eren) en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van

braak, verbreking en/of inklimming, naar voornoemde personenauto is toegegaan,

waarna hij, verdachte één of meer slot(en) aan en/of in voornoemde

personenauto heeft geforceerd en/of in voornoemde personenauto heeft

plaatsgenomen en/of voornoemde personenauto heeft doorzocht;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 03 december 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk/type: Citroën C-1

kenteken [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan ING Car Lease Nederland B.V. en/of [naam 1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt door één of meer slot(en) van voornoemde personenauto te

forceren.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 3 december 2010 ziet getuige [naam 2] (hierna: [naam 2]) omstreeks 04.46 uur op het Spelderholt te Amsterdam een man, gekleed in een zwarte broek en jas. Deze man staat tussen de geparkeerde auto’s. Hij kijkt telkens bij de auto’s naar binnen en loopt dan weer naar een andere auto. [naam 2] bevindt zich in zijn taxi en besluit de lichten daarvan uit te doen en voorzichtig verder te rijden. Hij ziet voornoemde man verder lopen in de richting van de geparkeerde auto’s aan het Houdringe te Amsterdam. Ook daar kijkt hij in de geparkeerde auto’s. Even later ziet [naam 2] dat de man uit een kleine grijze auto komt, die voor de auto van [naam 2] geparkeerd staat. [naam 2] belt de politie.

Als verbalisanten ter plaatse komen, wijst [naam 2] hen de voornoemde grijze auto. Het betreft een grijze personenauto, Citroën C1, met kenteken [nummer]. Verbalisant [naam 3] ziet dat bij dit voertuig het slot aan de bijrijderzijde geforceerd is.

Na de melding door [naam 2] komen verbalisanten [naam 4] en [naam 5] ter plaatse op het Spelderholt te Amsterdam. Zij zien een persoon lopen op het Houdringe, in de richting van het Spelderholt, gekleed in een donker gekleurde jas en een donkerblauwe spijkerbroek. Deze persoon blijkt verdachte te zijn. Verdachte gooit na zijn staande houding een zaklamp en twee schroevendraaiers weg. Deze worden in beslag genomen en verdachte wordt aangehouden.

[naam 2] verklaart dat hij 100% zeker weet dat de juiste man is aangehouden. [naam 2] heeft deze man een tijdje zien rommelen aan de bijrijderzijde van de auto. [naam 2] heeft niet gezien hoe verdachte in de auto is gekomen. Wel heeft hij hem een minuut of 2 nadat hij hem heeft zien rommelen, uit de auto zien komen. [naam 2] bevond zich op dat moment in zijn geparkeerde auto, waarvan hij de lichten had gedoofd.

Aangever [naam 1] verklaart, nadat hij zijn auto op het politiebureau heeft onderzocht, dat alle spullen die hem toebehoren nog in de auto aanwezig zijn. Hij heeft schade geconstateerd bij het portierslot aan de bijrijderzijde van de auto. Dit slot is geforceerd.

5. Waardering van het bewijs

5.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die het slot van de grijze Citroën heeft geforceerd en daar vervolgens in is gaan zitten. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot diefstal uit deze auto. Verdachte was op zoek naar spullen, hetgeen blijkt uit het feit dat hij bij verschillende auto’s naar binnen heeft gekeken en inbrekerstuig bij zich had. Verdachte heeft kort in de auto gezeten. Dat hij daaruit niets heeft meegenomen, staat aan bewezenverklaring van de poging tot diefstal niet in de weg.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het maar zeer de vraag is of in deze zaak kan worden gesproken van een poging tot diefstal. Niet kan worden bewezen dat verdachte de auto heeft doorzocht, hetgeen wel in de tenlastelegging is opgenomen. Aangever verklaart dat al zijn spullen nog in de auto aanwezig zijn en dat er niets is weggenomen. Er is geen verklaring van verdachte waarin hij aangeeft dat hij goederen of geld wilde wegnemen. Verdachte ontkent zelfs dat hij degene is geweest die in de auto heeft gezeten. Naar het oordeel van de raadsman kan het primair ten laste gelegde dan ook niet bewezen worden verklaard.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte ontkent dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een auto. Hij liep op straat en is daar door de politie aangehouden. Het was op dat moment niet druk op straat en verdachte heeft geen andere mensen op straat gezien.

Ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die het slot van de grijze Citroën heeft geforceerd en in dit voertuig heeft gezeten. Getuige [naam 2] ziet een persoon bij enkele geparkeerde auto’s naar binnen kijken en vervolgens verder lopen. Hij ziet deze persoon op enig moment aan de bijrijderzijde van een voertuig rommelen, welk voertuig later de Citroën C1 met kenteken [nummer] blijkt te zijn. Even later ziet [naam 2] deze persoon uit voornoemd voertuig stappen en verder lopen. Als de politie ter plaatse is gekomen, ziet hij dat de persoon wordt aangehouden.

Gelet op het voorgaande, mede in aanmerking genomen het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij geen andere mensen op straat heeft gezien en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat iemand anders dan verdachte zich de toegang tot de auto heeft verschaft, oordeelt de rechtbank dat verdachte de persoon is geweest die het slot van de Citroën heeft geforceerd en in de auto is gaan zitten.

Wat het doorzoeken van de auto betreft, overweegt de rechtbank dat uit de enkele omstandigheid dat de in de auto aanwezige goederen niet zijn weggenomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat geen sprake is geweest van doorzoeking van de auto. In het dossier zijn echter geen bewijsmiddelen voorhanden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte de auto wel heeft doorzocht. Met de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de auto heeft doorzocht. Dat staat aan bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot diefstal echter niet in de weg. Verdachte heeft het slot van het portier aan de bijrijderzijde van de auto geforceerd. De rechtbank acht aannemelijk dat hij dit heeft gedaan door middel van de schroevendraaiers dan wel de schaar die hij bij zich droeg. Door het forceren van het slot, de ‘braak’ zoals deze is ten laste gelegd, is sprake van een begin van uitvoering van de ten laste gelegde poging tot diefstal. Daarbij is niet vereist dat tevens vast komt te staan dat verdachte de auto heeft doorzocht. Een andere reden voor de aanwezigheid van verdachte in de auto dan om daar goederen weg te nemen, is verder niet aannemelijk geworden.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 en 5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 3 december 2010 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, merk/type Citroën C1 kenteken [nummer], weg te nemen goederen, toebehorende aan [naam 1] en zich daarbij de toegang tot voornoemde personenauto te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde personenauto is toegegaan, waarna hij, verdachte, een slot aan voornoemde personenauto heeft geforceerd en in voornoemde personenauto heeft plaatsgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

9.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD maatregel) voor de duur van 2 (twee) jaren zonder aftrek van voorarrest.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD maatregel is voldaan, niet is voldaan aan één van de eisen die voortvloeien uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, Staatscourant 2009, 10579 (hierna: de Richtlijn). Deze eis houdt in dat tegen verdachte in het peiljaar, te weten het afgelopen kalenderjaar, ten minste één proces-verbaal moet zijn opgemaakt.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Vooropgesteld moet worden dat de Richtlijn dient te worden beschouwd als ‘recht’ in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO). In het geval van oplegging van de ISD maatregel dient dan ook te zijn voldaan aan zowel de eisen van de wet zoals die voortvloeien uit artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht als aan de eisen van de Richtlijn. Beginselen van behoorlijke rechtspleging staan er aan in de weg dat de rechter, die vaststelt dat een vordering tot oplegging van de ISD maatregel in strijd is met de Richtlijn, niettemin de ISD maatregel oplegt.

Volgens de Richtlijn kan een ISD maatregel worden opgelegd aan zeer actieve veelplegers die aan een aantal voorwaarden voldoen. Zeer actieve veelplegers zijn personen van 18 jaar of ouder die over een periode van 5 jaren, waarvan het peiljaar het laatste jaar vormt, meer dan 10 processen-verbaal tegen zich zagen opmaken, waarvan ten minste 1 in het peiljaar. Bij dergelijke processen-verbaal dient het te gaan om processen-verbaal die zijn ingestuurd naar het Openbaar Ministerie.

De vraag in de onderhavige zaak is, of aan de eis van ten minste één proces-verbaal in het peiljaar is voldaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal betreffende het feit waarvoor verdachte op een ISD zitting is geplaatst, daaronder mag worden begrepen. De raadsman heeft dit betoog in twijfel getrokken.

De rechtbank stelt vast dat de Richtlijn geen antwoord geeft op de voornoemde vraag. In de richtlijn staat enkel vermeld dat processen-verbaal die na beoordeling door het Openbaar Ministerie hebben geleid tot een technisch sepot, niet mogen meetellen. De Hoge Raad heeft onlangs bij arrest overwogen dat een redelijke, met het doel van de Richtlijn overeenstemmende uitleg van het vereiste dat ten minste één proces-verbaal in het peiljaar dient te zijn opgemaakt, mee brengt dat daar niet aan is voldaan indien verdachte in een later stadium wordt vrijgesproken van het feit ter zake waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.

Aan voornoemd arrest lag een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam ten grondslag, waarin in het peiljaar tegen verdachte een proces-verbaal was opgemaakt niet zijnde het proces-verbaal betreffende het feit waarvoor verdachte op een ISD zitting was geplaatst. Van het feit ter zake waarvan dat proces-verbaal is opgemaakt, is verdachte later vrijgesproken. Indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn geweest dat het proces-verbaal betreffende het feit waarvoor verdachte op een ISD zitting was geplaatst, ook onder proces-verbaal opgemaakt in het peiljaar mag worden begrepen, zou alsnog aan de vereisten van de Richtlijn zijn voldaan. Daarvan is echter niets gebleken. De rechtbank oordeelt dan ook, anders dan de officier van justitie en met de verdediging, dat het proces-verbaal dat is opgemaakt ter zake het hierboven bewezen verklaarde feit, niet mag meetellen als proces-verbaal in de zin van de Richtlijn. Indien dit anders zou zijn, is bij een verdachte die zich ter terechtzitting voor een strafbaar feit dient te verantwoorden, vrijwel altijd aan het vereiste - dat ten minste één proces-verbaal in het peiljaar dient te zijn opgemaakt - voldaan. Een dergelijke opvatting strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de ratio van het opnemen van het vereiste in de richtlijn als constitutief vereiste voor het aanmerken van een persoon als ‘stelselmatige dader’. Door de officier van justitie zijn geen feiten en omstandigheden gesteld waardoor in het onderhavige geval van de richtlijn zou mogen worden afgeweken. Deze feiten en omstandigheden zijn evenmin anderszins aannemelijk geworden.

Het voorgaande betekent dat verdachte niet voldoet aan de definitie van ‘stelselmatige dader’ zoals die voortvloeit uit de Richtlijn. Er zijn de rechtbank daarnaast geen bijzondere redenen gebleken om af te wijken van het ISD beleid zoals dat voortvloeit uit De Richtlijn. Het Openbaar Ministerie had dan ook geen ISD maatregel tegen verdachte mogen vorderen.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om af te wijken van de vordering van de officier van justitie.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een auto, door het slot van die auto te forceren. Autokraken brengen de slachtoffers daarvan vaak aanzienlijke materiële en financiële schade toe en zadelen hen op met administratieve lasten. Daarmee vormen deze feiten een grote bron van ergernis. Daarnaast dragen zij bij tot een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk enkel laten leiden door eigen financieel gewin en heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans bezittingen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Blijkens een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 6 december 2010 heeft verdachte zich veelvuldig schuldig gemaakt aan vermogensdelicten. Het feit dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten heeft hem er niet van weerhouden wederom dergelijke strafbare feiten te plegen. Hoewel verdachte, zoals hierboven overwogen, niet voldoet aan de criteria voor plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, houdt de rechtbank ten nadele van verdachte wel rekening met zijn zeer uitgebreide documentatie op het gebied van vermogensdelicten.

Alles afwegende acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De raadsman heeft zich met betrekking tot het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat zij niet beschikt over een beslaglijst en acht zich derhalve niet in staat een beslissing aangaande het beslag te nemen.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis is opgeheven met ingang van 15 maart 2011, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. S. van Eunen en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman en J. Davidyan, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature