< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonwagenlocaties 2009" vastgesteld.

Uitspraak



201004723/1/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Den Haag,

2. [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonwagenlocaties 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar [appellante sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.J. Smittenaar-van der Geer en mr. M. Soetbrood Piccardt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor zover [appellante sub 1] zich richt tegen de wijze van bestemmen in het plan van andere woonwagens dan haar eigen woonwagen op de locatie Isabellaland, zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is aan te merken.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

2.1.2. [appellante sub 1] is standplaatshoudster wat betreft de woonwagen aan [locatie 1] en woont op een afstand van minder dan 100 meter van de andere woonwagens aan Isabellaland. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door [appellante sub 1] bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling niet te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit op dit punt betrokken belang te kunnen aannemen. Hieruit volgt dat [appellante sub 1] ook in zoverre kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb .

Het beroep is geheel ontvankelijk.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor tien in Den Haag gelegen woonwagenlocaties. Voorts strekt het plan ertoe de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, in zaak nr. 200701722/1, in acht te nemen.

2.3. In de uitspraak van 1 oktober 2008 heeft de Afdeling geoordeeld over het besluit omtrent goedkeuring van 31 januari 2007 van het door de raad bij besluit van 1 juni 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Woonwagenlocaties". Dat plan voorzag in een juridisch-planologisch kader voor de twaalf in Den Haag gelegen woonwagencentra.

De Afdeling heeft allereerst een oordeel gegeven over de algemene uitgangspunten van dat plan. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen:

"2.4.3. (…)

Niet in geschil is dat een zwaarwegend belang is gemoeid met de verwezenlijking van een goed woon- en leefklimaat. De Afdeling acht voorts niet onredelijk dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening voorschriften worden gesteld met betrekking tot de maatvoering van bouwwerken, waaronder woonwagens, en de inrichtingsmogelijkheden op woonwagenlocaties. De Afdeling ziet in hetgeen de VBHW heeft aangevoerd, voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beoogde stedenbouwkundige opzet van woonwagenlocaties bijdraagt aan een leefbare, brandveilige en duurzame situatie. Daartoe overweegt de Afdeling dat het woon- en leefklimaat in het algemeen en de bezonningssituatie in het bijzonder op woonwagenlocaties wordt beïnvloed door de bouwhoogte en omvang van woonwagens en de afstand die tussen woonwagens wordt aangehouden. Ook de brandveiligheidssituatie wordt door de bouwomvang en de afstand tussen woonwagens beïnvloed.

Uit de plankaart, in samenhang met de planvoorschriften, kan worden afgeleid dat de ingevolge het plan maximaal toegestane oppervlakte van een woonwagen ongeveer 119 m2 bedraagt en dat de maximale bouwhoogte ingevolge het plan wordt beperkt tot één laag met kap.

Anders dan de VBHW betoogt acht de Afdeling de in het plan opgenomen maximale afmetingen van woonwagens, mede in aanmerking genomen de mogelijkheden tot het oprichten van bijgebouwen, niet zodanig beperkt dat het wonen in een woonwagen daarmee feitelijk onmogelijk wordt gemaakt of dat onvoldoende differentiatie in de omvang van woonwagens mogelijk is. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen de VBHW heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beoogde stedenbouwkundige opzet van de woonwagenlocaties in het algemeen geen onaanvaardbare gevolgen meebrengt voor de mogelijkheid om in woonwagens te wonen. Derhalve ziet de Afdeling in hetgeen de VBHW heeft aangevoerd, geen aanleiding om de in het plan neergelegde gewenste stedenbouwkundige opzet, waaronder bouwoppervlakte, bouwhoogte en de minimaal aan te houden afstand tussen woonwagens, onredelijk te achten. Dat, zoals de VBHW betoogt, een aanvaardbare bezonningssituatie ook kan worden bereikt met grotere wagens en een kleinere afstand, betekent niet dat de in het plan voorziene stedenbouwkundige opzet onredelijk moet worden geacht. Ook het betoog dat zich ook bij grotere woonwagens geen verzakkingsproblemen behoeven voor te doen, mits in een adequate fundering wordt voorzien, leidt niet tot de conclusie dat het college niet in redelijkheid kon instemmen met de in het plan neergelegde gewenste stedenbouwkundige situatie."

2.3.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 oktober 2008 vervolgens geoordeeld over de gevolgen van het plan voor bestaande woonwagens. Zij heeft wat betreft de juridische status en de feitelijke situatie de woonwagens in vijf verschillende categorieën onderscheiden.

Onder de eerste categorie vallen woonwagens waarvan de feitelijke afmetingen passen binnen de maximale afmetingen van woonwagens die ingevolge het plan zijn toegestaan.

Onder de tweede categorie vallen voor zover hier van belang woonwagens die met en overeenkomstig een verleende bouwvergunning zijn geplaatst, maar die niet passen binnen de maximale afmetingen die ingevolge het bestemmingsplan zijn toegestaan.

Onder de derde categorie vallen woonwagens die groter zijn dan de in het plan opgenomen afmetingen en niet met een bouwvergunning zijn opgericht, maar met betrekking tot welke niettemin gevestigde rechten en belangen dienen te worden aangenomen. Dit ziet met name op de woonwagens die geplaatst zijn voorafgaand aan het jaar 1993, onder de vigeur van de Woonwagenwet. Verder gaat het bij deze categorie om een aantal woonwagens die destijds gedwongen verplaatst is vanaf de voormalige woonwagenlocatie Leyweg of de locatie Escamplaan naar één van de in het plan opgenomen locaties. De bewoners van deze woonwagens hebben een zogenoemde nuloptiebrief ontvangen. Daarin staat dat volgens het gemeentebestuur de desbetreffende woonwagens in beginsel illegaal geplaatst zijn. Het gemeentebestuur zal echter niet tegen de situatie optreden, nu de plaatsing onder bijzondere omstandigheden, namelijk een gedwongen verplaatsing, tot stand is gekomen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat een aantal van de woonwagens paste binnen het toentertijd geldende bestemmingsplan voor de nieuwe locaties. Voor deze gevallen geldt dat, indien een bouwvergunning zou zijn aangevraagd, deze vergunning niet geweigerd kon worden. Naar het oordeel van de Afdeling in vorenbedoelde uitspraak kan aan de bewoners van deze woonwagens niet worden tegengeworpen dat zij niet over een bouwvergunning beschikken.

Onder de vierde categorie vallen voor zover hier van belang woonwagens die gedwongen zijn verplaatst naar één van de in het plan opgenomen locaties, waarvan de bewoners een nuloptiebrief hebben ontvangen en die niet onder de derde categorie vallen. Verder valt binnen deze categorie een aantal woonwagens die niet op last van het gemeentebestuur verplaatst zijn, maar waarvan de bewoners wel een nuloptiebrief hebben ontvangen.

Onder de vijfde categorie vallen woonwagens die groter zijn dan de ingevolge het plan toegestane maximale afmetingen, die zonder bouwvergunning en na 1 oktober 1992 zijn opgericht, die niet met toepassing van bestuurdwang zijn geplaatst en waarvan de bewoners geen nuloptiebrief hebben ontvangen.

2.3.2. Ten aanzien van de woonwagens die in categorie één vallen, ziet de Afdeling in haar uitspraak van 1 oktober 2008 geen aanleiding voor het oordeel dat er zodanig zwaarwegende belangen bestaan dat aan het belang van een goed woon- en leefklimaat geen doorslaggevende betekenis kan toekomen. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat het college van gedeputeerde staten zich wat betreft de woonwagens waarvan de feitelijke afmetingen passen binnen de afmetingen die ingevolge het plan zijn toegestaan, ongeacht de juridische status van de wagens, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan opgenomen maximale afmetingen van woonwagens aanvaardbaar zijn.

Wat betreft de gevolgen voor de woonwagens die in categorie twee of drie vallen heeft de Afdeling in haar uitspraak van 1 oktober 2008 overwogen dat het college van gedeputeerde staten en de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de omstandigheid dat een zwaarwegend belang is gemoeid met de verwezenlijking van een goed woon- en leefklimaat met zich brengt dat de gevestigde rechten met betrekking tot de omvang van de woonwagen, zoals in het geval van een met bouwvergunning opgerichte woonwagen, zonder meer ter zijde kunnen worden geschoven. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat het in de rede had gelegen een planologische regeling op te stellen die recht doet aan zowel de zwaarwegende belangen die met het plan zijn gemoeid, als aan de bestaande rechten met betrekking tot de omvang van bouwwerken.

Ten aanzien van de woonwagens die in categorie vier vallen ziet de Afdeling in haar uitspraak van 1 oktober 2008 geen aanleiding voor het oordeel dat de raad en het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de huidige woonwagens mogen blijven staan tot het einde van de economische levensduur, maar dat bij vervanging van de woonwagen ingevolge het plan slechts een woonwagen mag worden teruggeplaatst die past binnen de afmetingen die in het plan zijn opgenomen.

Ten aanzien van de woonwagens die in categorie vijf vallen ziet de Afdeling in haar uitspraak van 1 oktober 2008 geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de verwezenlijking van het plan een zwaarwegend belang is gemoeid, omdat het bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in die zaak is gebleken dat het gemeentebestuur met betrekking tot deze woonwagens het voornemen heeft gebruik te maken van zijn bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden, teneinde de situatie in overeenstemming te brengen met het plan. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling in voornoemde uitspraak van oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor deze woonwagens geen afzonderlijke planregeling behoeft te worden opgenomen.

De Afdeling komt in haar uitspraak van 1 oktober 2008 tot de conclusie dat door de raad onvoldoende inzicht is verkregen in en betekenis is toegekend aan andere omstandigheden dan in het verleden verleende bouwvergunningen waaruit gevestigde rechten en belangen met betrekking tot de omvang van woonwagens kunnen voortvloeien. Voor zover de raad en het college hebben onderkend dat sprake is van gevestigde rechten en belangen met betrekking tot de omvang van woonwagens, hebben zij aan deze rechten en belangen onvoldoende gewicht toegekend.

De Afdeling heeft het besluit van het college van gedeputeerde staten van 31 januari 2007 vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (W)", "Groenvoorzieningen (G)" en "Verkeersdoeleinden (V)" ter plaatse van de woonwagenlocaties Energiestraat, Erasmusweg, Guntersteinweg, Isabellaland, Schapenatjesduin, Viaductweg, Bob Oosthoeklaan, Henricuskade, Tom Mandersstraat en Jan Hanlostraat en voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken (Wu)" ter plaatse van de woonwagenlocatie Escamplaan en heeft goedkeuring onthouden aan het plan, voor zover het ziet op al deze plandelen.

2.4. Uit de plantoelichting volgt dat de raad naar aanleiding van de uitspraak van 1 oktober 2008 alle in de plangebieden aanwezige woonwagens heeft onderzocht met als doel alle beschikbare gegevens met betrekking tot de maatvoering, rechten en belangen vast te leggen. De resultaten zijn neergelegd in de overzichtstabel opgenomen op de pagina's 40 tot en met 45 van de plantoelichting.

Vervolgens volgt uit de plantoelichting dat woonwagens, welke volgens de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008 in de categorieën één, vier of vijf vallen worden bestemd als "Wonen-1".

Ingevolge artikel 7.1 van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen-1" aangewezen voor hoofdbebouwing in de vorm van woonwagens. Ten behoeve van deze bestemming mogen hoofdgebouwen, aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Ingevolge artikel 7.2.1. gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende regels:

a. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonwagens worden gebouwd;

(...)

c. per bouwperceel mag slechts één woonwagen gebouwd;

d. de breedte van een woonwagen, inclusief aanbouwen, mag niet meer bedragen dan 7 m en de lengte van een woonwagen, inclusief aanbouwen, niet meer dan 17 m;

e. de goothoogte van een woonwagen en aanbouwen mag niet meer bedragen dan 3,5 m en de nokhoogte van de woonwagen en aanbouwen niet meer dan 4,5 m.

Voorts volgt uit de plantoelichting dat de woonwagens, welke in de categorieën twee of drie vallen in de planregels en op de verbeelding worden bestemd als "Wonen-2".

Ingevolge artikel 8.1 zijn gronden met de bestemming "Wonen-2" aangewezen voor hoofdbebouwing in de vorm van woonwagens.

Ingevolge artikel 8.2.1. gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende regels:

a. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woonwagens worden gebouwd;

(...)

c. per bouwperceel mag slechts één woonwagen worden gebouwd;

d. de maximale toegestane afmetingen van de hoofdgebouwen en aanbouwen vallend onder "Wonen-2" mogen de maten zoals deze in Bijlage 1 van de regels per adres zijn opgenomen, niet overschrijden.

2.5. [appellante sub 1] richt zich tegen de vaststelling van het plan, voor zover dat ziet op de locatie Isabellaland en in het bijzonder haar [standplaats]. [appellante sub 1] betoogt dat voor woonwagens ter plaatse ten onrechte uniforme regels voor bebouwingsmogelijkheden zijn vastgesteld. Verder voert [appellante sub 1] aan dat voor woonwagens ten onrechte andere veiligheidsnormen ten aanzien van het waarborgen van een redelijke en veilige afstand worden gehanteerd dan voor andere woonbebouwing. Voorts wordt volgens [appellante sub 1] ten onrechte de hoogte van de bebouwing in verband gebracht met brandgevaar, verzakkings- en bezonningsproblemen en worden ook hier andere normen gehanteerd dan bij andere woonbebouwing.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de regels die in het plan voor woonwagens ter plaatse zijn opgenomen voor zover mogelijk overeenkomen met de regels in een bestemmingsplan voor een woonwijk. Daarbij is rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de woonwagenlocaties. Volgens de raad kunnen woonwagens door hun aard, bouw en materiaalkeuze niet zonder meer gelijk worden gesteld aan andere woonbebouwing.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de Afdeling in de uitspraak van 1 oktober 2008 heeft geoordeeld dat de raad geen aanleiding heeft hoeven zien om de in het plan neergelegde gewenste stedenbouwkundige opzet, waaronder bouwoppervlakte, bouwhoogte en de minimaal aan te houden afstand tussen de woonwagens, onredelijk te achten.

2.5.2. In haar uitspraak van 1 oktober 2008 heeft de Afdeling zoals weergegeven in overweging 2.3 reeds geoordeeld de in het bestemmingsplan "Woonwagenlocaties" neergelegde algemene uitgangspunten wat betreft de stedenbouwkundige opzet niet onredelijk te achten. Niet in geschil is dat in het voorliggende plan dezelfde uitgangspunten zijn gehanteerd. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding daar thans anders over te oordelen dan zij in haar uitspraak van 1 oktober 2008 heeft gedaan.

2.6. [appellante sub 1] betoogt dat aan haar perceel [locatie 1] ten onrechte de bestemming "Wonen-1" is toegekend. Volgens [appellante sub 1] heeft zij een bouwvergunning aangevraagd en had de raad daar bij het vaststellen van het plan rekening mee moeten houden. Daarbij heeft [appellante sub 1] ter zitting betoogd dat zij, gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2010, inmiddels moet worden geacht te beschikken over een bouwvergunning. Hierdoor valt volgens [appellante sub 1] haar woonwagen in categorie twee of in categorie drie, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gedurende de procedure met betrekking tot de aanvraag om een bouwvergunning verwarring is ontstaan over de vraag wie de bouwvergunning destijds heeft aangevraagd en voor welk perceel deze is aangevraagd. Volgens de raad doet de ontstane verwarring niet af aan het feit dat er een eigen afweging en beoordeling hebben plaatsgevonden. Daarbij heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er ondanks de ontstane verwarring geen sprake is van zodanig gevestigde rechten en belangen dat het voorliggende plan wat betreft de locatie [locatie 1] had moeten voorzien in de mogelijkheid voor de realisatie van een nieuwe woonwagen.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de huidige woonwagen gezien de maten behoort tot categorie één als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008 en dat aan de gronden overeenkomstig de opzet van het plan dan ook de bestemming "Wonen-1" is toegekend.

2.6.2. Uit de inventarisatielijst woonwagens behorende bij de plantoelichting volgt dat de huidige woonwagen aan [locatie 1] een breedte heeft van 6,75 m en een lengte van 15,6 m. Voorts volgt uit deze inventarisatielijst een goot- en nokhoogte van onderscheidenlijk 3,45 m en 4,25 m. Ter zitting is door [appellante sub 1] desgevraagd bevestigd dat deze afmetingen juist zijn. Uit de verbeelding volgt dat aan de gronden van de woonwagen de bestemming "Wonen-1" is toegekend.

Niet in geschil is dat de huidige woonwagen past binnen de maximale afmetingen die ingevolge het plan voor gronden met de bestemming "Wonen-1" zijn toegestaan. Ten aanzien van de betekenis van het in procedure zijnde bouwplan voor de onderhavige bestemmingsplanprocedure overweegt de Afdeling als volgt. Ten tijde van de vaststelling van het plan was geen bouwvergunning verleend, zodat in zoverre geen sprake was van een op dat moment bestaande bouwtitel waarvan gebruik kon worden gemaakt. Het enkele feit dat de rechtbank Den Haag inmiddels de beslissing op bezwaar tegen de weigering van de bouwvergunning heeft vernietigd, maakt het voorgaande niet anders. Dit klemt te meer nu tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld door het college van burgemeester en wethouders. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het standpunt van de raad dat bij de vaststelling van het plan geen rekening hoefde te worden gehouden met de aanvraag van een woonwagen met een formaat niet passend binnen de bestemming "Wonen-1", niet onjuist.

Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat ten onrechte geen bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van de door haar gewenste woonwagen, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar niet in het kader van deze procedure aan de orde kan komen. Het betoog is gericht tegen het al dan niet verlenen van een vergunning en kan in het kader van de procedure omtrent dat besluit aan de orde worden gesteld.

Gelet op het voorgaande heeft de raad de woonwagen van [appellante sub 1] terecht aangemerkt als behorend tot categorie één als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008. Door toekenning van de bestemming "Wonen-1" ter plaatse heeft de raad het oordeel van de Afdeling met betrekking tot woonwagens in categorie één, zoals weergegeven in overweging 2.3.2, in acht genomen. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de feiten en omstandigheden sedertdien zodanig gewijzigd zijn dat van het oordeel had moeten worden afgeweken.

Het betoog faalt.

2.7. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover bestreden strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat aan de standplaats van zijn woonwagen aan de [locatie 2] ten onrechte de bestemming "Wonen-1" is toegekend. De bestaande woonwagen past niet binnen de bebouwingsmogelijkheden die het plan ter plaatse toestaat. Daarbij betoogt [appellant sub 2] dat indien hij zijn bouwvergunning op een correcte manier zou hebben aangevraagd, de bouwvergunning voor zijn woonwagen zeker zou zijn verleend. Hierbij wijst hij er op dat in andere gevallen waar vóór 14 april 2005 een bouwvergunning is aangevraagd, deze vergunning wel is verleend.

Voorts betoogt [appellant sub 2] dat zijn woonwagen in samenspraak met het gemeentebestuur is geplaatst. Volgens [appellant sub 2] bestond er volgens een ambtenaar van de gemeente geen bezwaar tegen het oprichten van een nieuwe woonwagen.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woonwagen op de standplaats [locatie 2] in categorie vijf valt, zoals deze volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008. Volgens de raad is bij [appellant sub 2] geen sprake van gevestigde rechten en belangen met betrekking tot de omvang van zijn huidige woonwagen. Het feit dat zonder bouwvergunning een te grote woonwagen is geplaatst dient volgens de raad voor rekening van [appellant sub 2] te komen.

Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat geen toezegging is gedaan ten aanzien van het oprichten van een nieuwe woonwagen.

Voor zover [appellant sub 2] zich beroept op het gelijkheidsbeginsel stelt de raad zich op het standpunt dat het besluit tot weigering van de bouwvergunning inmiddels onherroepelijk is geworden. Het feit dat de vergunning is aangevraagd vóór 14 april 2005 is volgens de raad onvoldoende reden om op het eerder ingenomen standpunt terug te komen. Volgens de raad is de situatie van [appellant sub 2] niet vergelijkbaar met de aanvragen voor een bouwvergunning die vóór de peildatum ten behoeve van andere standplaatsen zijn aangevraagd, maar waarbij wel een bouwvergunning is afgegeven.

2.8.2. Uit de inventarisatielijst voor woonwagens behorende bij de plantoelichting volgt dat de woonwagen aan de [locatie 2] een breedte van 7,02 m en een lengte van 15,7 m heeft. Voorts volg uit deze inventarisatielijst een goot- en nokhoogte van onderscheidenlijk 3,33 m en 7,3 m. Ter zitting heeft [appellant sub 2] desgevraagd te kennen gegeven dat deze afmetingen juist zijn. Uit de verbeelding volgt dat aan de gronden van deze woonwagen de bestemming "Wonen-1" is toegekend.

2.8.3. Op 12 april 1996 is een bouwvergunning verleend ten behoeve van een woonwagen voorafgaand aan die, welke thans aan de [locatie 2] is geplaatst. Op 14 april 2005 is het Haagse woonwagenbeleid aangescherpt, waarbij 14 april 2005 de peildatum is. Met ingang van deze datum geldt als beleid de maatvoering zoals die is neergelegd in het toen in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Woonwagenlocaties". Aanvragen die vóór die datum zijn ingediend vallen onder een ruimhartiger beleid.

Op 7 oktober 2003 is een bouwvergunning aangevraagd voor een nieuwe woonwagen aan de [locatie 2]. De vergunning is op 8 juni 2004 geweigerd en hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend waardoor de weigering in rechte onaantastbaar is geworden.

Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 10 maart 2006, voor zover hier van belang, waarin onder aanzegging van bestuursdwang wordt gelast de op het perceel [locatie 2] thans aanwezige woonwagen te verwijderen en verwijderd te houden of de woonwagen aan te passen in overeenstemming met de verleende bouwvergunning van 12 april 1996 is door de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010, in zaak nr. 200905270/1/H1 eveneens in rechte onaantastbaar geworden.

2.8.4. Gelet op hetgeen in overweging 2.8.2., bezien in samenhang met 2.4., is overwogen heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de huidige woonwagen van [appellant sub 2] niet in categorie één, zoals deze volgt uit de uitspraak van 1 oktober 2008, valt. Gezien overweging 2.8.3. heeft de raad zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat de huidige woonwagen van [appellant sub 2] niet in categorie twee of drie, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, valt. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met andere gevallen waar een bouwvergunning voor een grote woonwagen is aangevraagd vóór 14 april 2005, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat deze bouwaanvragen zijn ingewilligd en de desbetreffende vergunningen onherroepelijk zijn, terwijl de bouwaanvraag van [appellant sub 2] geweigerd is en de rechtmatigheid van dit besluit als vaststaand moet worden aangenomen. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situaties om die reden niet overeenkomen met zijn situatie.

Voorts heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat op last van het gemeentebestuur zijn woonwagen gedwongen verplaatst is vanaf de Leyweg of Escamplaan en dat hij daarbij een nuloptiebrief heeft ontvangen dan wel dat hij uitsluitend een nuloptiebrief heeft ontvangen. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de huidige woonwagen van [appellant sub 2] niet onder categorie vier, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, valt.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de huidige woonwagen van [appellant sub 2] in categorie vijf valt, zoals deze volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008. Gezien de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, zoals weergegeven in overweging 2.3.2, behoefde de raad geen regeling in het plan op te nemen wat betreft de huidige woonwagen.

Gezien overweging 2.8.3 is in 1996 een bouwvergunning verleend om een woonwagen te plaatsen. In zoverre is sprake van gevestigde rechten en belangen. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de afmetingen zoals destijds vergund passen binnen de toegestane afmetingen van de toegekende bestemming "Wonen-1". De Afdeling ziet gelet op het voorgaande en het overwogene in 2.3.2 in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er zodanig zwaarwegende belangen bestaan dat aan het belang van een goed woon- en leefklimaat dat wordt gediend door de door de raad voor "Wonen-1" vastgestelde afmetingen geen doorslaggevende betekenis kan toekomen. De enkele stelling dat indien de gewenste bouwvergunning in 2003 correct zijn aangevraagd deze zou zijn verleend behoefde, wat hier ook van zij, hier geen aanleiding voor te geven.

Ter zake van het betoog van [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een ambtenaar, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

2.9. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover bestreden strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

466-675.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature