< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel Vijfhuizerdijk 186 te Vijfhuizen (hierna: het perceel).

Uitspraak



201006656/1/H1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 juni 2010 in

zaak nr. 09/3427 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel Vijfhuizerdijk 186 te Vijfhuizen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 17 maart 2008 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 16 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R. Vos, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Hopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft op 19 februari 2007 een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een agrarisch bedrijfsgebouw, dat volgens het aanvraagformulier bestaat uit een training/africhtingshal en 14 boxen ten behoeve van stalling/fokmerries (hierna: het bouwplan).

2.2. Ingevolge het ten tijde van de aanvraag ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1958, derde wijziging" (hierna: het Uitbreidingsplan), rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden (A)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op gronden met deze bestemming uitsluitend worden opgericht de voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf nodige bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen.

Ingevolge de op 11 januari 2007 door de gemeenteraad van Haarlemmermeer vastgestelde beleidsnota "Nota Paardenhouderijen in Haarlemmermeer" (hierna: de Nota) geldt de productiegerichte paardenhouderij als agrarische activiteit. Verder wordt volgens de Nota de paardenfok- en trainingsstal en de gecombineerde paardenfok, -training en pensionstal als "volwaardig agrarisch bedrijf" gezien wanneer tenminste 50 procent van het totale aantal Nederlandse grootte- eenheden (hierna: Nge) van het te vestigen of uit te breiden bedrijf afkomstig is van fokmerries inclusief hun fokproducten jonger dan drie jaar".

2.3. Op 22 november 2007 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 24 juni 2008 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Holland en op 6 augustus 2008 in werking getreden.

Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Paardenpension (Rp)". Het fokken van paarden is op deze bestemming toegestaan. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart is op het perceel een bouwvlak van 1000 m² ingetekend.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn aanvraag om bouwvergunning niet aan het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006", maar aan het Uitbreidingsplan moest worden getoetst. Volgens [appellant] is zijn voorgenomen bouwplan daarmee in overeenstemming nu het zal dienen ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hij voert daartoe aan dat het Uitbreidingsplan niet regelt wanneer een bedrijf agrarisch is en het college de Nota ter beoordeling daarvan niet heeft kunnen hanteren, nu die van latere datum is dan het bestemmingsplan. Volgens [appellant] voldoet zijn bedrijf verder aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van bedrijvigheid. [appellant] stelt voorts dat zijn aanvraag gelet op het voorgaande moest worden aangehouden en na het verstrijken van de aanhoudingsduur de bouwvergunning aan hem had moeten worden verleend.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006" het vigerende planologische regime was. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 30 maart 2005, zaak nr. 200406332/1, geldt als uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dit op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een bouwaanvraag worden getoetst aan het ten tijde van de indiening ervan nog wel, maar ten tijde van het besluit op de aanvraag, dan wel het besluit op een daartegen ingediend bezwaar niet meer geldend bestemmingsplan, doch slechts indien ten tijde van de indiening van de aanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd waarmee dat bouwplan in strijd was.

De rechtbank heeft terecht voor toepassing van deze uitzondering geen aanleiding gezien. Anders dan [appellant] betoogt, is het voorgenomen bouwplan niet in overeenstemming met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" in het Uitbreidingsplan te achten. Daarbij is van belang dat het college bij beoordeling van de vraag of de paardenhouderij van [appellant] als "agrarisch bedrijf" kan worden aangemerkt in redelijkheid aansluiting heeft mogen zoeken bij het bepaalde in de Nota, nu in het bestemmingplan een definitie van dit begrip ontbreekt. Hetgeen hierover in de Nota is bepaald, is blijkens de ter zitting door het college gegeven toelichting vaste bestuurspraktijk alsmede in lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 8 april 2009, zaak nr. 200805687/1) kan de productiegerichte paardenhouderij doorgaans wel, maar de gebruiksgerichte / dienstverlenende paardenhouderij niet als "agrarisch bedrijf" worden aangemerkt.

De Agrarische beoordelingscommissie (hierna: ABC) heeft in de aan het college uitgebrachte adviezen van 4 juli 2006, 31 mei 2007 en 7 december 2009 vastgesteld dat de paardenhouderij van [appellant] niet als "agrarisch bedrijf" kan worden aangemerkt, omdat de hoofdactiviteit van het bedrijf wordt gevormd door het houden van pensionpaarden. In dit verband is mede van belang dat [appellant] bij het onderzoek van ABC in juli 2006, alsmede in zijn zienswijze met betrekking tot het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006" zelf heeft aangegeven het aantal pensionpaarden te willen uitbreiden en daartoe het bouwwerk te willen realiseren. ABC heeft in het advies van 7 december 2009 berekend dat niet aan het in de Nota genoemde criterium voor aanwezigheid van een agrarisch bedrijf is voldaan, ook niet als de fokkerij daadwerkelijk is opgestart en volledige bezetting is gerealiseerd. Dat ABC hierbij heeft gerekend met Nge volgens de rekenmodule van het Landbouw Economisch Instituut, hetgeen de Nota ook voorschrijft, is naar het oordeel van de Afdeling, anders dan [appellant] betoogt, niet onredelijk.

Hoewel [appellant] met nadruk betoogt dat het zijn intentie is om een paardenfokkerij op te starten en de bedrijfsactiviteiten dus zullen verschuiven van een in hoofdzaak dienstverlenende, naar een in hoofdzaak productiegerichte paardenhouderij, blijkt uit de hiervoor besproken rapporten, waarbij in het rapport van 7 december 2009 het bedrijfsplan van [appellant] ten behoeve van de paardenfokkerij is meegenomen, het tegendeel. In het betoog van [appellant] kan onvoldoende grond worden gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid bij de adviezen van ABC heeft kunnen aansluiten.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan dient ten behoeve van een dienstverlenende paardenhouderij gericht op de recreatiesport. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)". Dat de activiteiten van [appellant] zoals hij stelt, bedrijfsmatig zijn, maakt dit niet anders, nu het niet gaat om bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het Uitbreidingsplan terecht niet van toepassing, en de aanhoudingsplicht ingevolge artikel 50 van de Woningwet terecht niet aan de orde heeft geacht.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het voorgenomen bouwplan op bezwaren van omwonenden stuit. Volgens hem hebben buren tegen de voorgenomen locatie van het bouwplan juist geen bezwaren.

2.5.1. Het voorgenomen bouwplan is ook in strijd met het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006", vanwege de voorgenomen locatie ervan, te weten buiten het bouwvlak. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van het college dat het geen medewerking wenst te verlenen aan vrijstelling van het bestemmingsplan "Nieuwebrug 2006", niet onredelijk is te achten, nu dit bestemmingsplan van recente datum is en dit, juist naar aanleiding van de zienswijzen van [appellant], gewijzigd is vastgesteld, in die zin dat in een bouwvlak van 1000 m² is voorzien, hetgeen een overdekte rijbaan zoals door [appellant] gewenst, mogelijk maakt. Indien [appellant] zich niet in de locatiekeuze kon vinden, had het, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op zijn weg gelegen om tegen het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan beroep aan te tekenen. Overigens kan de stelling van [appellant] dat tegen het voorgenomen bouwplan geen bezwaren van omwonenden zouden bestaan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat het college stelt en uit de gedingstukken blijkt, dat wel bezwaren van omwonenden tegen het bouwplan bestaan. Dat de omwonenden volgens [appellant] bij het maken van bezwaar in een onjuiste veronderstelling zouden verkeren omtrent de locatie van het bouwplan, maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

374-641.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature