< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Toekenning Wajong-uitkering met ingang van 19 januari 2008. Terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong .

Uitspraak



10/3387 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 mei 2010, 09/3471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Anik, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, zich gesteld en namens appellante een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante is verschenen. Haar gemachtigde is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2009 ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 3 april 2009 gehandhaafd, bij welk besluit aan appellante op een aanvraag van 19 januari 2009 met ingang van 19 januari 2008 een Wajong-uitkering is toegekend.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Wajong-uitkering met ingang van haar achttiende jaar dient te worden toegekend. Er is sprake van een bijzonder geval omdat haar handicap - congenitale complexe invaliderende rugproblematiek - door haar familie werd ontkend voordat zij de achttienjarige leeftijd bereikte. Deze ontkenning droeg ook culturele aspecten in zich. Vervolgens schatte zij haar klachten jarenlang verkeerd in.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Wajong bepaalt dat jonggehandicapte is degene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 6 van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is. Artikel 29, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Het tweede lid van dit artikel schrijft, in afwijking van het eerste lid, voor dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken. Met ingang van 1 januari 1998 is de Wajong in werking getreden. De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) is hierbij voor wat betreft de bepalingen over jonggehandicapten door de Wajong vervangen. In artikel 25, tweede lid, van de AAW was een soortgelijke bepaling opgenomen als thans in artikel 29, tweede lid, van de Wajong . Uit jurisprudentie van de Raad over artikel 25, tweede lid, van de AAW, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 december 1994,

LJN AL0365, welke jurisprudentie haar gelding heeft behouden onder de Wajong, blijkt dat de Raad een bijzonder geval aanwezig acht indien de betrokkene ter zake van de te late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Dit kan het geval zijn indien de vraag of bij de betrokkene eerst op een later tijdstip een duidelijk zicht is ontstaan op de ernst van de aandoeningen en de gevolgen daarvan voor de arbeidsgeschiktheid bevestigend moet worden beantwoord.

4.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de vraag of sprake is van een bijzonder geval als volgt overwogen:

"De rechtbank heeft in de beschikbare gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts Richter en bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick van 13 juli 2009 geen aanwijzingen gevonden dat eiseres vanwege medische of psychische redenen niet in staat was de Wajong-uitkering eerder aan te vragen. Naar aanleiding van de in beroep overgelegde verklaringen van psychiater Kaya en de behandelend fysiotherapeut, is door de bezwaarverzekeringarts in zijn rapporten van 14 oktober 2009 en 5 januari 2010 gemotiveerd aangegeven dat de ingebrachte informatie geen aanleiding vormt om een ander standpunt in te nemen. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat diverse gegevens wijzen op zelfstandigheid van eiseres rondom haar 18e jaar met klinische trajecten vanaf deze datum, zodat het door psychiater genoemde taboe op de aanwezige handicap minder op de voorgrond stond dan door hem wordt gesuggereerd. De rechtbank kan zich in dit standpunt vinden, waarbij in aanmerking is genomen dat door eiseres in haar bezwaarschrift van 20 april 2009 zelf is vermeld dat zij na haar 18e jaar zelfstandig is gaan wonen en dat zij bij verschillende instanties heeft geïnformeerd naar behandeling van haar fysieke klachten. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de invloed van haar vader niet eerder een Wajong-uitkering kon aanvragen. Verweerder heeft dan ook terecht kunnen concluderen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong . ".

De Raad onderschrijft deze overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.3. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe - medische - stukken overgelegd.

4.4. Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. Bijgevolg dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature