< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

BW 1, BW 6

Inkomen echtgenote ten onrechte niet opgegeven aan SVB. De terugbetalingsverplichting van teveel ontvangen AOW-uitkering en de door SVB opgelegde boete komt voor rekening van beide (inmiddels ex-)echtgenoten, ieder voor de helft op grond van artikel 6:166 lid 2 BW (draagplicht onrechtmatige daad in groepsverband). Rechter vult ambtshalve rechtsgronden aan.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 88391 / HA ZA 10-2647

Vonnis van 23 maart 2011

in de zaak van

[EISER (de man)],

wonende te Dordrecht,

eiser,

advocaat mr. drs. J.M. Walls,

tegen

[GEDAAGDE (de vrouw)],

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. L.P. Quist.

Partijen zullen hierna de man respectievelijk de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 november 2010 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2011.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 4 oktober 2004 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hebben elke gemeenschap van goederen uitgesloten. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 5

Voor de schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.”

2.2. De man heeft de vrouw in of omstreeks november 2004 een brief gestuurd waarin hij heeft bevestigd dat de dochter van de vrouw uit een voorhuwelijkse relatie, bij hen in huis mocht komen wonen, op voorwaarde dat de vrouw voldoende werk zou hebben om de lasten van haar dochter te kunnen betalen, waaronder haar ziektekostenverzekering, WA-verzekering, kleding en levensonderhoud.

2.3. De man ontving in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 een AOW-uitkering, waarbij ervan werd uitgegaan dat de vrouw geen inkomen uit arbeid verwierf.

2.4. De vrouw heeft in de periode van 4 oktober 2004 tot en met 16 augustus 2010 voor [betrokkene 1] huishoudelijke werkzaamheden verricht waarvoor zij werd betaald. In de periode van 1 december 2005 tot en met 30 juni 2010 is de vrouw werkzaam geweest bij [betrokkene 2]. Vanaf 15 november 2005 tot heden is de vrouw in dienst bij Syndion Zorgkantoor. De loonstroken van de vrouw werden gedurende het huwelijk gestuurd naar de echtelijke woning waarin partijen op dat moment woonden.

2.5. Tijdens het huwelijk heeft de man de lasten met betrekking tot de echtelijke woning voldaan.

2.6. Partijen hebben hun belastingaangiften, in ieder geval vanaf 2005, laten verzorgen door dezelfde belastingadviseur.

2.7. Op 9 juli 2008 is het huwelijk van partijen ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.8. De Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft de man op 3 februari 2009 een brief gestuurd waarin zij heeft aangekondigd dat zij van plan is de man een boete op te leggen van € 940,-, alsmede dat zij te veel door de man ontvangen AOW-pensioen van in totaal € 9.395,82 terugvordert. Als reden voor de boete en de terugvordering heeft de SVB gegeven dat de man niet heeft voldaan aan zijn verplichting om wijzigingen die van invloed zijn op de hoogte van het AOW-pensioen binnen vier weken aan de SVB te melden.

3. Het geschil

3.1. De man vordert samengevat – primair veroordeling van de vrouw tot betaling van € 10.335,82 en subsidiair 50 % van€ 10.335,-. Voorts vordert de man de wettelijke rente en de proceskosten.

3.2. De man baseert zijn primaire vordering op artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden. Doordat de vrouw (een deel van) haar inkomsten uit arbeid heeft verzwegen, heeft de man een te laag inkomen opgegeven bij de SVB.

Voor het geval geoordeeld wordt dat de huwelijkse voorwaarden op deze schuld niet van toe¬passing zijn, stelt de man dat sprake is van een boedelschuld, waarvoor ieder van partijen bij helfte aansprakelijk is.

3.3. De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de man bekend was met de werkzaamheden van de vrouw en dat hij heeft nagelaten de SVB tijdig hierover te informeren. De schuld is ontstaan door de toerekenbare nalatigheid van de man, zodat deze schuld op grond van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man dient te komen.

4. De beoordeling

4.1. De man heeft zijn vordering gegrond op de huwelijkse voor¬waarden, dan wel op het huwelijksvermogensrecht van Boek 1 BW. Op grond van de in deze procedure naar voren gebrachte en gebleken feiten en omstandigheden wordt echter geoordeeld dat de grondslag van de vordering dient te worden gezocht in het verbintenissenrecht van Boek 6 BW en meer in het bijzonder in de verbintenis uit onrechtmatige daad. Zoals tijdens de comparitie van partijen reeds aan partijen is voor¬gehouden, zal de rechtbank ambtshalve overgaan tot aanvulling van de rechtsgronden, op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.2. De man was ervan op de hoogte dat de vrouw na verloop van tijd hele dagen van huis was en hij heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat de loonstroken van Syndion, waarop het logo van Syndion stond, naar de echtelijke woning van partijen werden gestuurd, alsmede bankafschriften van de vrouw, waarop haar salaris stond vermeld. Partijen hebben voorts hun belastingaangiften laten verzorgen door dezelfde belastingadviseur. De man heeft voorts erkend dat hij als voorwaarde voor het naar Nederland laten overkomen van de dochter van de vrouw heeft gesteld dat zij in staat moest zijn haar dochter financieel te onderhouden.

Gelet op deze omstandigheden, alsmede gelet op het feit dat er sprake was van een huwelijk tussen partijen – hetgeen een zekere lotsverbondenheid met zich meebrengt – wordt ervan uitgegaan dat de man op de hoogte was van het feit dat de vrouw meer inkomsten uit arbeid verwierf dan alleen het salaris dat zij ontving voor de werkzaamheden ten behoeve van Klaus, en dat hij gehouden was deze inkomsten door te geven aan de SVB.

4.3. Ook de vrouw wist dat haar inkomsten uit arbeid van invloed konden zijn op de AOW-uitkering die de man ontving. Dit is onder meer af te leiden uit de door de vrouw als productie 3 overgelegde verklaring van haar dochter, waarin zij heeft verklaard dat de man tegen de vrouw heeft gezegd dat zij minder moest gaan werken omdat de SVB anders zijn AOW-uitkering zou verlagen.

4.4. Gelet op het voorgaande wordt dan ook geoordeeld dat partijen samen onrecht¬matig hebben gehandeld jegens de SVB, door de inkomsten van de vrouw niet (volledig) aan de SVB door te geven, waardoor de man teveel AOW-uitkering heeft ontvangen. Op grond van artikel 6:166 BW zijn de man en de vrouw hoofdelijk aansprakelijk voor dit onrechtmatig handelen jegens de SVB en moeten zij volgens lid 2 van dit artikel onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij de omstandigheden van het geval tot een andere verdeling leiden.

4.5. De vrouw heeft mede geprofiteerd van het onrechtmatige handelen jegens de SVB, aangezien zij geen kosten hoefde te betalen voor haar onderdak, nu de man deze kosten, met de door hem ontvangen AOW-uitkering, volledig voor zijn rekening nam. Om deze reden wordt geen aanleiding gezien de onderlinge draagplicht op een andere manier vast te stellen dan dat de schade van de SVB voor rekening komt van beide partijen, ieder voor de helft.

4.6. De schade van de SVB bestaat uit de teveel ontvangen AOW-uitkering van € 9.395,82 en extra administratieve lasten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, die redelijkerwijs tot uitdrukking worden geacht te zijn gebracht in de vorm van de opgelegde boete van € 940,-. De helft van het totaalbedrag, zijnde € 5.167,91, dient derhalve voor rekening van de vrouw te komen, zodat dit deel van de vordering wordt toegewezen.

4.7. De wettelijke rente zal als onbetwist worden toegewezen met ingang van 30 juli 2010.

4.8. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 5.167,91, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juli 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature