< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kolkwijk Midden" vastgesteld.

Uitspraak



201007311/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 16 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Angerlo, gemeente Zevenaar,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zevenaar,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kolkwijk Midden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2011, waar [een van de appellanten] in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door

A.J.A. Sannes en R.R.J. Willemsen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet, deels via een uit te werken bestemming, in een nieuwe woningbouwlocatie van maximaal 150 woningen aan de oostzijde van Angerlo.

2.3. [appellant] en anderen exploiteren in de nabijheid van het plangebied een gemengd veehouderijbedrijf. Zij betogen dat de raad dit plan ten onrechte heeft vastgesteld.

2.4. Zij stellen in de eerste plaats dat de raad op onjuiste wijze heeft beoordeeld of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de in het plan voorziene woningen kan worden gegarandeerd en ten onrechte niet heeft bezien of de afstand van het plangebied tot de veehouderijbedrijven aan de [locatie A] en de [locatie B] voldoende is voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de nieuwe woningen. Volgens hen is de vastgestelde geurverordening onverbindend wegens strijd met artikel 8 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv), omdat deze verordening slechts is vastgesteld om woningbouw mogelijk te maken. Van een geïntegreerde aanpak van ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege veehouderijen in het gebied zijn betrokken, is volgens hen geen sprake geweest. Verder heeft de raad volgens hen miskend dat voor de mestopslag op hun bedrijf een afstand van 100 meter tot woningen in acht had moeten worden genomen.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de bij besluit van 28 mei 2008 vastgestelde gemeentelijke geurverordening (hierna: de geurverordening), waaraan een gebiedsvisie (hierna: gebiedsvisie) ten grondslag ligt, voor het gebied Kolkwijk een waarde voor de geurbelasting van 6 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU/m3) is vastgesteld, met welke waarde volgens de raad een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied kan worden gerealiseerd. Volgens de raad staan de twee door [appellant] en andere bedoelde bedrijven, die vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm), niet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de in het plan voorziene woningen in de weg. Verder is volgens de raad voor de mestopslag van het veehouderijbedrijf van [appellant] en anderen uitgegaan van een vaste afstand van 50 meter tot woonbebouwing, binnen welke afstand in het plan geen woningen zijn voorzien.

2.4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wgv , voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a) binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder mag bedragen dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

b) binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder mag bedragen dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht.

Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, voor zover hier van belang, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde, bedoeld in artikel 6, in elk geval de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied. Ingevolge het tweede artikellid, voor zover hier van belang, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde tevens de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.

2.4.3. In de geurverordening is voor het gebied Kolkwijk de maximale waarde voor de geurbelasting van geurgevoelige objecten vanwege een veehouderij vastgesteld op 6 OU/m3. Verder dient in dit gebied de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een gevoelig object in de bebouwde kom minimaal 50 meter te bedragen.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de geurverordening, verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Het is aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval de raad - om alle verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit zoals de geurverordening betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter dient bij de beoordeling van zo'n besluit terughoudendheid te betrachten.

2.4.5. De vastgestelde waarde voor het plangebied blijft binnen de bandbreedte van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wgv . De raad heeft, blijkens de gebiedsvisie, bij het bepalen van deze geurnorm de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied betrokken, waaronder ook de veehouderijen die onder het Blm vallen. De raad heeft hierbij de gewenste ruimtelijke inrichting van het plangebied in aanmerking genomen. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geurverordening in strijd is met artikel 8 van de Wgv .

2.4.6. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende is onderbouwd dat bij een maximale geurbelasting van 6,0 OU/m3 vanwege een veehouderij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woonwijk, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is uiteen gezet, ligt aan de geurverordening de gebiedsvisie ten grondslag. Daarin is vermeld dat bij de norm van 6,0 OU/m3 woningbouw in het plangebied mogelijk is, terwijl een acceptabel woon- en leefklimaat is gegarandeerd. De raad heeft acht geslagen op bijlagen 6 en 7 van de 'Handreiking bij Wet Geurhinder en veehouderij', waarin wordt ingegaan op de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Volgens de gebiedsvisie bedraagt het maximale aantal geurgehinderden 14%, uitgaande van de berekende voor- en achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woonwijk. Dit percentage acht de raad acceptabel met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woonkern, die is voorzien in een gebied met een redelijk grote dichtheid aan (intensieve) veehouderijen.

2.4.7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen uitgaan van een maximum aantal van 14% geurgehinderden. Gelet op dit maximale percentage inwoners dat geurhinder zal ondervinden, is er geen grond voor het oordeel dat de raad zich, in het licht van bijlagen 6 en 7 van de Handreiking, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van de veehouderij van [appellant] en anderen en de andere twee door hen genoemde veehouderijen er op zichzelf niet toe leiden dat bij de in het plan voorziene woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.4.8. Wat betreft de bij het bedrijf aanwezige mestopslagplaats heeft de raad er ter zitting op gewezen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, wanneer een afstand van 50 meter tot woningen wordt aangehouden. Daarbij heeft de raad aansluiting gezocht bij de regeling in het Blm.

2.4.9. Ingevolge voorschrift 2.3.1 van de bijlage bij het Blm, voor zover thans van belang, dient de opslag van vaste mest plaats te vinden op ten minste 100 meter van een object categorie I of II en op ten minste 50 meter van een object categorie III, IV of V als bedoeld in dit Besluit. Ingevolge voorschrift 2.3.1a is voorschrift 2.3.1 niet van toepassing, indien de opslag van vaste mest is gelegen binnen de afstand als bedoeld in dat voorschrift, de opslag reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik was en verplaatsing van de opslag redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Blm wordt onder een object categorie II onder meer verstaan: bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving.

De woningen in het plangebied zijn na realisering daarvan, zo al niet als bebouwde kom, dan in ieder geval als aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang als vorenbedoeld te beschouwen. De raad heeft niet onderkend dat ingevolge voorschrift 2.3.1 ter voorkoming of beperking van hinder bij dergelijke bebouwing in nieuwe situaties een aan te houden afstand van 100 meter geldt. Dat in voorschrift 2.3.1a bij wijze van uitzondering is voorzien in een soepeler regeling voor bedrijven die reeds bestonden voor de inwerkingtreding van het Blm brengt hierin geen verandering. In planologisch opzicht is immers een nieuwe situatie aan de orde. De motivering van de raad om in dit geval uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een afstand van 50 meter tot woningen aan te houden is daarmee niet voldoende draagkrachtig. Het besluit is in dit opzicht genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.5. [appellant] en anderen voeren tot slot aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met lichtschijnsel van koplampen van in- en uitrijdend verkeer. Ter zitting hebben zij dit betoog in die zin toegespitst dat zij vrezen dat het lichtschijnsel ertoe zal leiden dat de koeien die gehuisvest zijn in de stal die zich pal bij het weggedeelte bevindt waar het verkeer de Dorpsstraat op zal draaien, onrustig zullen worden, hetgeen tot bedrijfsschade zal leiden.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aansluiting op de Dorpsstraat in het bestemmingsplan is vastgelegd. De aansluiting is gesitueerd tegenover een onbebouwd gedeelte van het perceel van [appellant] en anderen, terwijl het draaipunt waar de auto's vanuit het plangebied de Dorpsstraat inrijden zich volgens de raad op voldoende afstand van de bebouwing bevindt om ernstige hinder door lichtschijnsel te voorkomen. Volgens de raad laat het plan zo nodig ruimte voor een alternatieve ontsluiting aan de noord-westzijde van het plangebied, voor het geval zou blijken dat de koeien te veel schrikken van het licht van de auto's. Verder zou een mogelijkheid zijn dat het bedrijf verplaatst wordt.

2.5.2. Naar ter zitting is vastgesteld, bevindt de koeienstal zich op zeer korte afstand van de kruising van de ontsluitingsweg van het plangebied met de Dorpsstraat. Ter zitting is door de raad niet weersproken dat, doordat de ramen van de stal zich aan de straatzijde bevinden, niet uitgesloten is dat de koeien in de stal zullen schrikken van het lichtschijnsel van auto's die de Dorpsstraat opdraaien, en dat dit schade voor het bedrijf tot gevolg kan hebben. De ter zitting door de raad geopperde mogelijkheid van een alternatieve ontsluiting aan de noord-westzijde van het plangebied acht de Afdeling, bij gebreke van inzicht in de mogelijke effecten op het woon- en leefklimaat aan die zijde van het plangebied, onvoldoende overtuigend om als oplossing te kunnen dienen. De raad heeft ter zitting verder geen concrete maatregelen genoemd waarmee mogelijke schrikeffecten voor de koeien ten gevolge van het lichtschijnsel zouden kunnen worden weggenomen. Nader onderzoek ter zake had niet achterwege mogen blijven, temeer nu [appellant] en anderen in hun zienswijzen uitdrukkelijk hebben gewezen op de mogelijke schrikeffecten van lichtschijnsel voor de koeien. Het besluit is in dit opzicht niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

2.5.3. De conclusie is dat het besluit van 28 april 2010 is genomen in strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb .

2.6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van overwegingen 2.4.9 en 2.5.2 alsnog toereikend te motiveren of als gevolg van de bij het bedrijf van [appellant] en anderen aanwezige vaste mestopslagplaats sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de in het plan voorziene woningen en tevens onderzoek te doen naar de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter voorkoming van mogelijke schadelijke effecten van lichtschijnsel voor de koeien van [appellant] en anderen, dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Zevenaar op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 2.4.9 en 2.5.2 is overwogen:

1. het besluit van 28 april 2010, kenmerk 10-025, waarbij het bestemmingsplan "Kolkwijk Midden" is vastgesteld, op basis van nader onderzoek, alsnog toereikend te motiveren dan wel dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling; in het laatste geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt te worden;

2. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011

218.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature