< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Verzoeker had ten tijde in dit geding van belang - de periode van 1 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 - geen rechtmatig verblijf in Nederland, maar niet kon worden uitgezet. Noch in de psychische aandoeningen van verzoeker noch in het feit dat hij niet kan worden uitgezet ziet de voorzieningenrechter aanleiding om artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing te laten.

Uitspraak



10/6838 WWB

10/6841 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 november 2010, 10/3040, 10/3041 en 10/3266 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: het College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2011. Namens verzoeker is verschenen mr. Kruseman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker is geboren in 1968 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 9 februari 2007, waarbij verzoeker tot ongewenst vreemdeling is verklaard, ongegrond verklaard. Aan beide besluiten is ten grondslag gelegd dat op verzoeker artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2009, 200808081/1/V1/, is het besluit van 15 januari 2008 in rechte komen vast te staan en is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 11 juli 2006 niet-ontvankelijk verklaard.

De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring heeft de toenmalige Minister van Justitie bij besluit van 28 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 juli 2010, afgewezen. Op het tegen dit laatste besluit ingestelde beroep is nog geen uitspraak gedaan.

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers het verzoek van verzoeker om opvang afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 21 december 2010 door de rechtbank ’s-Gravenhage ongegrond verklaard.

2.2. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het College de aanvraag van verzoeker van 1 juni 2010 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

2.3. Bij besluit van 14 september 2010 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 25 juni 2010 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB, en dat verzoeker evenmin met een Nederlander kan worden gelijkgesteld als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB. Voorts heeft het College gesteld dat gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB verzoeker geen bijstand kan worden verleend, zelfs niet indien sprake zou zijn van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Voorts heeft het College het standpunt ingenomen dat in het geval van verzoeker de afwijzing van de aanvraag om bijstand niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Indien sprake is van een positieve verplichting van de staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen, het beroep tegen het besluit van 14 september 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen.

4. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover zijn beroep ongegrond is verklaard.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de bijstandsaanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2010 tot en met 25 juni 2010.

5.2. Niet in geschil is dat verzoeker geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. De Raad heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276), geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden toegekend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. Behoudens een categorie van in dit geding niet van belang zijnde overgangsgevallen en de situatie van rechtmatig in Nederland verblijvende kinderen, welke aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006 (LJN AV0197), heeft de Raad het ter verwezenlijking van de doelstellingen van de koppelingswetgeving binnen het kader van de opeenvolgende bijstandswetten gehanteerde middel steeds aanvaardbaar geacht. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden om van zijn vaste rechtspraak af te wijken.

5.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776) heeft overwogen, merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the “very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker ten tijde in dit geding van belang - de periode van 1 juni 2010 tot en met 25 juni 2010 - geen rechtmatig verblijf in Nederland had, maar niet kon worden uitgezet. Hij had 24 uur per etmaal opvang en onderdak bij de noodopvang aan de [adres] in de gemeente [naam gemeente], ontving van de gemeente maandelijks € 70,-- leefgeld, kwam in aanmerking voor medische zorg en voor voedsel van de voedselbank. Volgens de hem behandelend klinisch psycholoog/psychotherapeut lijdt verzoeker aan een posttraumatische stress stoornis alsmede een depressieve stoornis en is zijn draagkracht zo minimaal dat suïcide niet volstrekt onverwacht zou zijn.

5.5. Noch in de psychische aandoeningen van verzoeker noch in het feit dat hij niet kan worden uitgezet ziet de voorzieningenrechter aanleiding om artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing te laten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM1992, stelt de voorzieningenrechter vast dat de positieve verplichting van de Staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoel in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Het feit dat verzoeker tot op heden de procedure(s) die hij tegen besluiten van de bedoelde bestuursorganen heeft geëntameerd, niet heeft gewonnen, brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

5.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van verzoeker faalt. De voorzieningenrechter zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigen.

6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature