< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aan de orde is de vraag of eiser en betrokkene een gezamenlijke huishouding voeren. Uit de objectieve feiten en omstandigheden blijkt niet dat sprake is van meer dan het delen van de woning en van sommige huishoudelijk taken. Geen sprake van wederzijdse zorg.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4083 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. D.TH.G. Thuijs,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) afgewezen, omdat eiser een gezamenlijk huishouding voert.

Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2010.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Achtergrond

1.1. Eiser woont op het adres aan de [adres]. De hoofdbewoner van die woning is de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1]).

1.2. In het kader van eisers aanvraag om bijstand hebben handhavingsspecialisten van verweerder op 26 mei 2010 een huisbezoek afgelegd. Tijdens dat huisbezoek heeft eiser een verklaring afgelegd. Het verslag van het bezoek en eisers verklaring zijn opgenomen in een rapport van bevindingen van 28 mei 2010.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om bijstand gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met de hoofdbewoner [persoon 1] in de zin van artikel 3, derde lid, van de WW , nu dit uit het onderzoek van de handhavingspecialisten blijkt. Nu eiser een gezamenlijke huishouding met [persoon 1] voert, kan eiser niet worden aangemerkt als een zelfstandig subject van bijstand, aldus verweerder.

1.4. Eiser heeft in beroep - kort samengevat -aangevoerd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 3, derde lid, van de WWB tot doel heeft om eerst dan een gezamenlijke huishouding aan te nemen indien de betrokkenen kunnen worden geduid als elkaars partners. In het geval van eiser is geen sprake van het aangaan van een samenlevingsvorm met [persoon 1]. De band die [persoon 1] en eiser in de marine hebben opgebouwd, heeft ertoe geleid dat [persoon 1] zijn vriend onderdak heeft geboden. Eiser heeft dat aanbod aangenomen, omdat hij anders dakloos was geworden. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat eiser, om voor een uitkering in aanmerking te kunnen komen, dakloos had moeten worden.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat geen sprake is van wederzijdse zorg tussen [persoon 1] en eiser, ook al hebben zij hoofdverblijf in dezelfde woning. Van financiële verstrengeling is geen sprake en eisers situatie kan niet onder het begrip wederzijdse zorg worden gebracht. Het feit dat eiser zijn steentje bijdraagt in het huishouden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank van 18 december 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BL5775) en 31 maart 2010 (LJN: BM2231).

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1 Eiser heeft in beroep uitvoerig gemotiveerd waarom subjectieve omstandigheden, zoals het ontbreken van een affectieve relatie tussen eiser en [persoon 1], een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de vraag of eiser en [persoon 1] een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 augustus 2009 (LJN: BJ7286).

3.2 Niet in geschil is dat [persoon 1] en eiser hun gezamenlijk hoofdverblijf in de woning op het adres aan [adres] hebben, zodat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan.

3.3 Het tweede criterium, waaraan voor de vaststelling van een gezamenlijke huishouding moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse zorg. De CRvB heeft, onder meer in zijn uitspraak van 17 maart 2009 (LJN: BH7978), bepaald dat wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of er in een concreet geval aan het zorgcriterium is voldaan.

3.4 Gelet op alle objectieve feiten, zoals die naar voren komen uit het onderzoek van verweerder en de verklaring(en) van eiser, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet geconcludeerd worden dat sprake is van wederzijdse zorg.

3.4.1 Zo is van financiële verstrengeling geen sprake. Eiser en [persoon 1] hebben geen gezamenlijke bank- of girorekening, verzekeringen of bezittingen. Zij doen noch gezamenlijke uitgaven voor duurzame verbruiksgoederen noch zijn dergelijke goederen door eiser in de woning gebracht. Zij hebben ieder hun eigen telefoon. Eiser is niet hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de huur van de woning. Eiser en [persoon 1] hebben voor elkaar ook geen regelingen getroffen bij overlijden.

3.4.2 De verklaring die eiser tijdens het huisbezoek heeft afgelegd, inhoudende dat [persoon 1] en eiser in de woning beiden huishoudelijk taken verrichten, samen boodschappen doen, de kleding gezamenlijk wassen en dat eiser zorgt voor de huisdieren van [persoon 1] als [persoon 1] in het buitenland verblijft, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van wederzijdse zorg. De rechtbank is van oordeel dat daaruit niet blijkt dat sprake is van meer dan het delen van de woning en van sommige huishoudelijk taken. In de verklaring van 26 mei 2010 heeft eiser weliswaar verklaard dat hij vanaf juli 2009 door [persoon 1] en zijn moeder is onderhouden, maar daaraan heeft eiser toegevoegd dat hij wel een bedrag voor inwoning aan [persoon 1] is verschuldigd en dat hij die bijdrage zal betalen zodra hij een inkomen heeft. Uit de verklaring van de hoofdbewoner volgt dat eiser € 250,- per maand aan [persoon 1] verschuldigd is. Nu niet onaannemelijk is dat de betaling daarvan enkel is opgeschort in verband met eisers financiële situatie, kan uit eisers verklaring niet zonder meer worden geconcludeerd dat eiser aldus door [persoon 1] wordt onderhouden. Ter zitting is duidelijk geworden dat de verklaring over het verzorgen van huisdieren dient te worden genuanceerd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij slechts eenmaal op de kat van [persoon 1] heeft gepast, omdat die plotseling naar het buitenland moest. Doorgaans gaat de kat van [persoon 1], als [persoon 1] in het buitenland verblijft, naar een ander adres, maar dat kon dit keer niet omdat [persoon 1] plotseling moest vertrekken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. In dit verband wordt van belang geacht dat uit de verklaring van eiser, zoals die is weergegeven in het rapport van bevindingen, ook niet kan worden afgeleid dat eiser geregeld op de kat van [persoon 1] past of heeft gepast.

3.4.3 De in het rapport van bevindingen opgenomen opmerking van de handhavingspecialist dat eiser na het afleggen van zijn verklaring nog heeft gezegd dat [persoon 1] en eiser samen op de scooter boodschappen doen en dat [persoon 1] dan de boodschappen betaalt, kan evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is van wederzijdse zorg. Ten aanzien hiervan heeft eiser ter zitting verklaard dat [persoon 1] en hij slechts zeer incidenteel samen eten, omdat eiser [persoon 1] niet al te veel met zijn aanwezigheid in de woning wenst te belasten en om die reden veel buitenshuis (bij zijn vriendin) verblijft, en dat [persoon 1] slechts incidenteel, als ze al samen eten en daarvoor boodschappen doen, de boodschappen voorschiet. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan deze toelichting op het verklaarde te twijfelen, te meer nu uit het rapport van bevindingen naar voren komt dat eiser, blijkens de registratie van zijn pinbetalingen, veel in Den Haag is, alwaar zijn vriendin woont.

3.5 Hoewel enkel de objectieve feiten een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van gezamenlijke huishouding en er in dit geval dient te worden geconstateerd dat de objectieve feiten niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van wederzijdse zorg, kan de rechtbank er in dit geval ook niet aan voorbij gaan dat [persoon 1] uit mededogen onderdak heeft geboden aan eiser, een vriend die hij al kende sinds hun tijd bij de marine, ter overbrugging van de periode waarin eiser geen beschikking heeft over een woning en zijn leven weer probeert op te bouwen na een faillissement. Dat deze periode al enige tijd voortduurt, is niet onbegrijpelijk, nu eiser nog altijd niet beschikt over een inkomen en om die reden (nog) niet in staat is om elders woonruimte te huren.

3.6 De rechtbank is, indien alle feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang worden bezien, dan ook van oordeel dat verweerder zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat eiser daarom niet aangemerkt kan worden als zelfstandig subject van bijstand.

3.7 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat uit het dossier niet blijkt of er nog andere afwijzingsgronden bestaan. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.8 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat eiser op basis van een toevoeging procedeert, dient verweerder de proceskosten te voldoen aan de griffier van de rechtbank. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M.T. Plouvier, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature