< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, berust op goede grodnen. Het door het IMK uitgebrachte advies houdt in dat het door appellant te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Appellant had een contra-expertise kunnen laten verrichten. Geen sprake van vooringenomenheid bij het IMK.

Uitspraak



09/2954 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 april 2009, 08/878 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.A.M. te Braake, kantoorgenoot van mr. Heijnneman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van de Velde, werkzaam bij de gemeente Goes.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 21 juni 2002 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft het plan opgevat een detailhandel voor traditionele Marokkaanse (feest)kleding voor dames te beginnen. In verband daarmee heeft hij op 5 september 2007 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aangevraagd ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en een krediet ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Hij heeft daarbij een ondernemingsplan overgelegd.

1.3. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College advies gevraagd aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna: IMK). Het IMK heeft onder meer onderzoek gedaan naar exploitatievooruitzichten, de financieringsmogelijkheden en de levensvatbaarheid van het te starten bedrijf. Daartoe heeft het IMK ook met appellant gesproken. Het op 2 oktober 2007 uitgebrachte advies houdt in dat het door appellant te starten bedrijf niet levensvatbaar is. Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het College onder verwijzing naar het door het IMK uitgebrachte advies de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.4. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de gronden van het bezwaar heeft appellant kritiek geleverd op het IMK-rapport. Het IMK heeft op verzoek van het College op deze kritiek gereageerd bij nader rapport van 8 april 2008. Het IMK heeft daarin enige nuances aangebracht in het eerdere rapport voor wat betreft de (veranderde) marktvraag en de inkoopkanalen, maar geen aanleiding gezien af te wijken van de eerdere conclusie met betrekking tot de levensvatbaarheid.

1.5. Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het College in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door niet te toetsen of het advies van het IMK voldoende inzichtelijk is, voldoende objectief is en of de bronnen zijn vermeld waarop de conclusies van het advies zijn gebaseerd. Volgens appellant behoefde hij dan ook geen contra-expertise te laten verrichten. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van vooringenomenheid aan de kant van het IMK, omdat het IMK hem al eerder heeft begeleid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de van toepassing zijnde bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandsverlenend orgaan in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van te starten ondernemingen te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad acht in dit geval geen situatie aanwezig waarin het College niet van het door het IMK op 2 oktober 2007 uitgebrachte advies zou mogen uitgaan. Niet is gebleken dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. De Raad is voorts, anders dan appellant, van oordeel dat het besluit van 26 augustus 2008 niet kan worden gekwalificeerd als een onzorgvuldig voorbereid besluit. Het College heeft immers de door appellant in bezwaar naar voren gebrachte kritiek op het rapport van het IMK van 2 oktober 2007 voorgelegd aan het IMK met het verzoek daarop inhoudelijk te reageren, aan welk verzoek het IMK heeft voldaan met het nadere rapport van 8 april 2008. Die kritiek zag overigens niet op de essentie van het rapport, te weten de door het IMK berekende taakstellende omzet en de constatering dat appellant dit bedrag volgens zijn eigen berekeningen niet realiseert.

4.2. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 heeft de rechtbank terecht overwogen dat het aan appellant is om, indien hij niet kan instemmen met de conclusies van het IMK, een contra-expertise te laten verrichten. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen objectieve gegevens, zoals een deskundig tegenadvies, heeft overgelegd die zijn stelling, dat wél sprake is van een levensvatbaar bedrijf, kunnen onderbouwen. Zoals de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken vormen louter eigen verwachtingen van de belanghebbende omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

4.3. De Raad overweegt voorts dat het enkele feit dat appellant in de zogeheten voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004, is begeleid door een coach van het IMK, niet met zich brengt dat het IMK in het advies van

2 oktober 2007 blijk heeft gegeven van vooringenomenheid of eigen belang ter zake van onder meer de levensvatbaarheid van het door appellant te starten bedrijf. Niet alleen geeft de inhoud van dit advies daarvoor geen enkel aanknopingspunt, maar bovendien wijst de Raad erop dat de opsteller van de adviezen van het IMK een ander is dan de persoon die appellant in de voorbereidingsperiode heeft begeleid.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature