< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

1:253a BW,

co-ouderschap en hoofdverblijf.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 1 maart 2011

Zaaknummer: HV 200.069.621/01

Zaaknummer eerste aanleg: 195461 / FA RK 09-3497

in de zaak in hoger beroep van:

[X.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.S.M. Vogelaar.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 april 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juli 2010, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoofdverblijf van de beide kinderen van partijen bij de moeder vast te stellen en tevens de door de moeder gewenste zorgregeling vast te stellen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2010, heeft de vader verzocht de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen met het, aldus, in stand laten van de beschikking van de rechtbank d.d. 6 april 2010.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. H.H.C. van de Kerkhof;

- de vader, bijgestaan door mr. H.S.M. Vogelaar.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 maart 2010;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord- en Zuidoost-Brabant, locatie Eindhoven (hierna: de raad) d.d. 7 juli 2010.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 16 oktober 1992 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [zoon] (hierna: [Z.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

- [dochter] (hierna: [D.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

3.2. Bij beschikking van 6 april 2010 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 20 april 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de vader zal zijn en is een regeling in het kader van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld.

3.4. De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De moeder voert, kort samengevat, aan dat zij nimmer heeft ingestemd met de vestiging van het hoofdverblijf van [Z.] bij de vader, zoals de rechtbank heeft overwogen. Volgens de moeder heeft zij reeds in eerste aanleg aangegeven dat de inschrijving van [Z.] zonder overleg en in strijd met haar wensen heeft plaatsgevonden.

Voorts stelt de moeder dat tijdens het huwelijk van partijen van een gelijke verdeling van de zorg voor de kinderen geen sprake is geweest en dat na de echtscheiding tussen partijen daar ook geen sprake van zal zijn. De kinderen verblijven meer bij de moeder dan bij de vader en de moeder zal ook het meest betrokken blijven bij de sociale activiteiten van de kinderen.

De moeder stelt tot slot dat de rechtbank de belangen van de vader heeft laten prevaleren boven die van de kinderen. De moeder is van mening dat de belangen van de kinderen het meest gediend zijn bij inschrijving op een adres, zodat recht wordt gedaan aan het gevoel van de kinderen dat zij deel uitmaken van een voltallig gezin.

Met betrekking tot de regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verzoekt de moeder in hoger beroep te bepalen dat:

- voor het geval in de reguliere weekeinden, met inbegrip van de maandag, de erkende christelijke feestdagen op Pasen en Pinksteren vallen, in dat geval de kinderen in de even jaren bij de moeder verblijven tijdens 2e Paasdag en 2e Pinksterdag en in de oneven jaren op 1e Paasdag en 1e Pinksterdag;

- de verjaardagen van de kinderen in de oneven jaren bij de moeder worden gevierd en tijdens de even jaren bij de vader;

- iedere vakantie eindigt op vrijdag 17.00 uur waarbij de ouder waar de kinderen de vakantie hebben doorgebracht de kinderen naar de andere ouder zal brengen.

3.5.1. De vader voert - kort samengevat – aan de moeder met de inschrijving van [Z.] op zijn adres heeft ingestemd en dat de rechtbank dus een juiste beslissing heeft genomen.

De vader stelt dat hij geen dringend argument ziet om in die situatie een verandering aan te brengen.

Voorts betwist de vader de stelling van de moeder dat de kinderen meer bij haar verblijven dan bij de vader. Volgens de vader wordt voor de kinderen in gelijke mate gezorgd, nu partijen zijn overeengekomen dat de kinderen de helft van alle vakanties, de helft van alle weekeinden en de helft van de doordeweekse dagen bij de vader verblijven.

Met betrekking tot de door de moeder voorgestelde wijzigingen in de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken merkt de vader tot slot nog op dat hij altijd bereid is tot nader overleg met de moeder, indien in incidentele gevallen van de huidige regeling moet worden afgeweken.

3.5.2. De raad heeft ter zitting, kort samengevat, aangevoerd dat het alleen wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [Z.] van de vader naar de moeder geen oplossing biedt voor de tussen partijen gerezen problemen, aangezien de communicatie tussen hen ernstig is verstoord geraakt.

Nu het tussen partijen overeengekomen co-ouderschap niet ter discussie staat moet het volgens de raad mogelijk zijn om in het bijzijn van de advocaten van partijen in één of meerdere viergesprekken deugdelijke afspraken te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

3.6. Het hof overweegt als volgt.

3.6.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe wordt, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, de beslissing gerekend bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.6.2 Het hof stelt vast dat partijen in eerste aanleg overeenstemming hebben bereikt over een co-ouderschapsregeling, welke regeling in hoger beroep niet ter discussie staat.

De moeder heeft uitsluitend gesteld dat de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de vader tot problemen leidt bij [Z.], hetgeen door de vader gemotiveerd wordt weersproken.

3.6.3. Op grond van de voorhanden gedingstukken is het hof van oordeel dat door de moeder onvoldoende feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gebracht, waaruit zou moeten blijken dat het belang van [Z.] in het gedrang komt indien hij niet, net als [D.] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Nu partijen in gelijke mate de zorg en de opvoeding van de kinderen hebben verdeeld zal het hof, evenals de rechtbank, de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de vader bepalen.

3.7. Uit de door de moeder aangedragen voorvallen die tussen partijen hebben gespeeld ten aanzien van de zorgregeling in relatie tot de hoofdverblijfplaats van [Z.] concludeert het hof dat die problemen niet direct zijn te herleiden naar het hoofdverblijf van [Z.] bij de vader, maar veeleer tot een verstoorde communicatie tussen partijen. De moeder heeft ter zitting ook erkend dat partijen alleen nog via emails of sms-berichten met elkaar communiceren.

3.7.1. Nu partijen een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen is goed overleg onontbeerlijk wil een zodanige regeling op termijn houdbaar blijven. Het hof geeft partijen dan ook in overweging deskundige hulp te zoeken, bijvoorbeeld in de vorm van mediation , om de verstoorde communicatie tussen hen weer op gang te brengen zodat partijen in de toekomst in staat zullen zijn op een ordentelijke wijze met elkaar te communiceren over het wel en wee van hun kinderen.

Het moet dan mogelijk zijn dat op de punten, zoals deze door de moeder in hoger beroep in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken naar voren zijn gebracht, zonder tussenkomst van een derde concrete afspraken te maken.

Het verzoek van de moeder tot wijziging van de huidige regeling wijst het hof dan ook af.

3.8. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep, bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Brants, Lamers en Bogaerts-Tholen en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature