< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

besluit tot verplaatsing van een halteplaats voor openbaar busvervoer. Afweging van belang van goede (bus)vervoersvoorzieining gemeente en belangen van bewoners.

Toezegging wethouder.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/1557 BESLU-T1

Uitspraak in het geding tussen

[eisers],

allen wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam,

verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 4 november 2009 heeft verweerder besloten om in de Hoofdstraat te Schiedam twee halteplaatsen ten behoeve van het openbaar busvervoer aan te leggen.

Hiertegen hebben [eisers] bij brief van 6 december 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers bij brief van 28 april 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 24 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Aanwezig waren [eisers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.F. Bijleveld, vergezeld door C. van der Hulst, beiden werkzaam bij de gemeente Schiedam.

2 Overwegingen

Eisers wonen aan de [straatnaam] te [woonplaats]. Verweerder heeft besloten om in de Hoofdstraat een halteplaats voor openbaar busvervoer aan te leggen ter hoogte van de molen de Nolet (en de tijdelijke bushalte onder aan de brug ten zuiden van de molen te laten vervallen) en een halteplaats aan te leggen in het middeneiland ter hoogte van de woningen aan de Hoofdstraat met huisnummers 149 tot en met 173. Dit door (ver)plaatsing van het bord ‘bushalte’, volgens model L3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde tekeningen.

In het besluit heeft verweerder overwogen dat voor het bord ‘bushalte’ geen verkeersbesluit nodig is zoals bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994 maar dat over de plaatsing of verwijdering van het bord wel een besluit moet worden genomen, dat bewoners verzocht hebben de bestaande halteplaats ter hoogte van Hoofdstraat 187 te verplaatsen naar het middeneiland ter hoogte van pand met nummer 149 tot en met 173, dat de halteplaatsen ruimtelijk gezien goed inpasbaar zijn in de situatie ter plaatse (rekening houdend met in- en uitritten, bochten, mogelijkheid tot het plaatsen van een abri, goede afwatering bij het toepassen van een hoge stoeprand), dat de halteplaatsen goed en veilig bereikbaar zijn voor voetgangers en minder validen, dat de halteplaatsen in de praktijk geen verkeersonveilige situaties tot gevolg hebben (stilstaande bus in relatie tot het aanwezige auto-, brom- en fietsverkeer), dat het verlies van een tweetal parkeerplaatsen ter hoogte van molen de Nolet wordt gecompenseerd in de directe omgeving, en dat de gemeente aldus het algemeen belang heeft laten prevaleren boven individuele belangen als aantasting van het woongenot en aantasting van privacy van omwonenden, dat niet is gebleken dat belanghebbenden onevenredig worden benadeeld dan wel dat door de te nemen maatregelen een onduidelijke verkeerssituatie zou ontstaan en ten slotte dat overleg heeft plaatsgevonden met de RET, die met de voorgestelde maatregelen heeft ingestemd.

Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 18 maart 2010. Daarin is overwogen dat de betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen, waaronder de belangen van bewoners om niet te veel overlast van halteplaatsen te ondervinden en de algemene belangen dat halteplaatsen zo worden geplaatst dat voor passagiers voldoende halteplaatsen voorhanden zijn, dat locaties voor halteplaatsen voldoende verkeersveilig zijn en dat met het plaatsen van een halteplaats onderhoud aan de groenvoorziening niet wordt belemmerd. Niet gebleken is dat de plaatsing van de halteplaatsen tot overlast zal leiden. Er valt door plaatsing van een halte op het middeneiland juist minder hinder voor omwonenden te verwachten, nu de passagiers op een trottoir in het midden van de straat op de bus wachten. Eisers hebben in bezwaar geen aanknopingspunten ingebracht dat door de plaatsing overlast valt te verwachten. Het door eisers voorgestelde alternatief om de halteplaats onder de brug te plaatsen stuit op een aantal verkeerskundige bezwaren. Deze verkeerskundige bezwaren doen zich op de door verweerder gekozen locatie niet voor, wat de situatie duidelijk verkeersveiliger maakt. De bezwaren tegen het plaatsen van een abri zijn niet in de heroverweging betrokken, omdat hiervoor geen vergunning is vereist, aldus het advies.

In beroep hebben eisers, kort weergegeven, aangevoerd dat met betrekking tot de definitieve locatie van de halteplaats(en) in de raadscommissievergadering van 30 juni 2009 de wethouder aan hen de toezegging heeft gedaan dat de locatie onder aan de brug de definitieve locatie zal zijn. Deze toezegging is op 13 juli 2009 bekrachtigd. Ook met de terugplaatsing van een haltepaal is de verwachting gewekt dat de definitieve locatie van de halteplaats, inclusief abri, onder aan de brug zou zijn. Onnavolgbaar is dat geen sprake zou zijn van een toezegging, omdat uit de uitspraak van de wethouder dat ‘de abri zal worden geplaatst daar waar de halte is’ niet mag worden geconcludeerd dat de halteplaatsen nooit zullen worden verplaatst. Bovendien lijken in de belangenafweging in bezwaar de twee halteplaatsen te zijn verward. Het bestreden besluit is op een onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur althans met het vertrouwensbeginsel, aldus eisers.

Verweerder heeft in beroep gesteld dat de wethouder in de commissievergadering van 30 juni 2009 heeft aangegeven dat hij samen met de bewoners wil bekijken wat de mogelijkheden zijn. Op 13 juli 2009 heeft de wethouder een bezoek gebracht aan de Hoofdstraat en is er met enkele bewoners gesproken over de locatie van de halteplaats. De wethouder heeft toen aangegeven dat plaatsing van een halte plaatsvindt volgens een procedure waarin de RET, de afdeling Groen en de afdeling Verkeer en Vervoer van de gemeente zijn vertegenwoordigd. Hij heeft geen ‘harde’ toezegging gedaan dat de halteplaats zal worden verplaatst. Uit het primaire besluit volgt dat het om (ver)plaatsing van twee halteplaatsen gaat. De commissie ziet op het besluit, waarbij ter hoogte van de molen aan het pleintje een halteplaats met abri wordt aangelegd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ambtshalve stelt de rechtbank vast dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 mei 2006, LJN AX0734 (hierna: de Afdeling), het plaatsen van een verkeersbord volgens model L3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, waarmee de plaats van een bus- of tramhalte wordt aangegeven, een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de daadwerkelijke (ver)plaatsing van het verkeersbord afhankelijk is van de uitkomst van de onderhavige procedure, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Met het primaire besluit is het besluit tot het plaatsen van de borden L3 op de onderhavige locaties genomen.

Ter zitting hebben eisers de beroepsgrond dat zij de brief van 19 december 2008 niet hebben ontvangen, ingetrokken, omdat zij deze brief alsnog hebben gekregen.

De rechtbank stelt verder vast dat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd tegen (het onderdeel van het bestreden besluit inhoudende) de plaatsing van de halteplaats in de Hoofdstraat te Schiedam in het middeneiland ter hoogte van de woningen met nummers 149 tot en met 173. Nu eisers desgevraagd ter zitting hebben verklaard dat het beroep zich beperkt tot (het onderdeel van het bestreden besluit inhoudende) de verplaatsing van de halteplaats naar de Hoofdstraat te Schiedam ter hoogte van molen de Nolet, zal de rechtbank haar oordeel hiertoe beperken.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling gaat het in een geval als het onderhavige om de uitoefening van een bevoegdheid met ruime beoordelingsmarges, waarbij het aan verweerder is om in het kader van de uitoefening van die bevoegdheid, de belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit voldoet aan de wettelijke voorschriften en – zo dit het geval is – of niet sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid het besluit heeft kunnen nemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2002, LJN AE5395).

Gebleken is dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen zowel het algemene belang, waaronder de aspecten van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en onderhoud van groenvoorzieningen, als de belangen van eisers, te weten de vrees voor overlast, heeft betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij die afweging het algemene belang van een goede (bus)vervoersvoorziening binnen zijn gemeente kunnen laten prevaleren boven de belangen van eisers, zonder in strijd te komen met de in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voorgeschreven belangenafweging. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, met name niet dat verweerder in zijn afweging de belangen van eisers (gebaseerd op vrees voor overlast en dat de bushalte het pleintje bij de molen de Nolet ontsiert) doorslaggevend had moeten achten.

Het door eisers voorgestelde alternatief, plaatsing van de halte in de Hoofdstraat aan de voet van de brug, noopt niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging. Verweerder heeft voor de gemaakte locatiekeuze bij de molen de Nolet doorslaggevend kunnen achten dat deze locatie leidt tot grotere verkeersveiligheid, betere bereikbaarheid en minder belemmering van onderhoud van de groenvoorziening bij de brug.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust.

Eisers hebben verder nog aangevoerd dat een wethouder de toezegging heeft gedaan dat aan hun bezwaren zou worden tegemoet gekomen, in die zin dat de halteplaats, met of zonder abri, aan de voet van de brug ten zuiden van de molen de Nolet zou worden geplaatst. De rechtbank stelt vast dat niet is komen vast te staan dat de wethouder zonder voorbehoud een toezegging heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers aan de door hen gestelde toezegging geen rechten ontlenen in de door hen bedoelde zin, in het bijzonder kan niet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. De omstandigheid dat de halte in september 2009 even verplaatst is geweest naar de locatie bij het pleintje bij de molen de Nolet, maar snel daarna ook weer is teruggeplaatst naar de locatie aan de voet van de brug, maakt dit niet anders. Verweerder heeft afdoende toegelicht dat deze verplaatsing haar oorzaak vond in miscommunicatie binnen de gemeente en niet in een verzoek van eisers.

Het beroep is ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A. Schreuder, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.G.J.C. Baartmans, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 10 maart 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature