< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Azewijn-Brummelhof" vastgesteld.

Uitspraak



201003916/1/R2.

Datum uitspraak: 26 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Azewijn-Brummelhof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2010, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door W. van Beek MSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de vaststelling van het plan onzorgvuldig is, omdat de in het plan opgenomen maximale bouwhoogte van elf meter niet in overeenstemming is met de in het voorontwerpplan genoemde maximale bouwhoogte.

2.1.1. De Afdeling overweegt dat er geen wettelijke beletselen voor de raad bestaan om bij het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening af te wijken van het voorontwerp. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de bij de vaststelling van het plan te betrachten zorgvuldigheid is genomen.

2.2. [appellant] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat de bouwhoogte, breedte en diepte van de in het plan voorziene woningen niet passend zijn in de omgeving.

[appellant] betoogt dat de in het plan opgenomen bouwhoogte van elf meter voor rijen woningen in de gemeente niet gebruikelijk is. De mogelijkheid om dakkapellen toe te staan, maakt dat de woningen nog meer afwijken van de woningen in de omgeving, aldus [appellant]. Verder voert [appellant] aan dat de raad bij de vaststelling van de in het plan opgenomen maatvoering geen eigen afweging heeft gemaakt nu het plan is gebaseerd op de bij de bouwaanvraag overgelegde bouwtekeningen. Daarnaast voert hij aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid om woningen met een lagere bouwhoogte te realiseren op deze locatie.

Voorts stelt [appellant] dat de welstandscommissie ten onrechte positief heeft geoordeeld over het plan.

2.3. De raad stelt dat met het huidige plan bestaande rechten worden vastgelegd in het bestemmingsplan aangezien de 28 woningen reeds zijn gebouwd op grond van een onherroepelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de maximale bouwhoogte van elf meter ruimtelijk en stedenbouwkundig verantwoord is en dat de extra bouwmogelijkheden die het plan door middel van een ontheffing mogelijk maakt van ondergeschikte aard zijn en geen onevenredige afbreuk doen aan de omgeving. Daarnaast wijst de raad erop dat de door [appellant] aangevoerde beroepsgronden reeds zijn beoordeeld door de Afdeling in haar uitspraak van 2 juni 2010 in zaak nr. 200908749/1/H1, waarin de vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van de woningen ter beoordeling voorlagen.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de beoordeling van de welstandscommissie heeft plaatsgevonden in het kader van de bouwvergunningsprocedure, welke procedure los staat van de onderhavige procedure.

2.4. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, beroep aan huis en tuinen en erven.

Ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder e, van de planregels mogen de goot- en bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan zes meter respectievelijk negen en een halve meter, of, in voorkomend geval, niet meer dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" is aangegeven. Blijkens de verbeelding mag de goothoogte van de in het plan voorziene woningen in het zuidelijk gelegen deel van het plangebied maximaal zes meter bedragen en de bouwhoogte maximaal elf meter. Voor de overige gronden geldt ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder e, van de planregels een maximale bouwhoogte van negen en een halve meter.

Ingevolge artikel 9.1, aanhef en onder c, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het plan voor afwijkingen van regels, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages.

Voorts wordt ingevolge artikel 6.2.2, aanhef en onder m, van de planregels bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen de goothoogte van een dakkapel buiten beschouwing gelaten mits de dakkapel voldoet aan de gestelde eisen zijnde dat de zijwanden ondoorzichtig zijn, de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan anderhalve meter is, de onderzijde meer dan een halve meter en minder dan één meter boven de dakvoet bedraagt, de bovenzijde meer dan een halve meter onder de daknok is en de zijkanten meer dan een halve meter van de zijkanten van het dakvlak zijn.

2.4.1. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de bouwhoogte, de diepte en de breedte van de woningen niet passend zijn in de omgeving overweegt de Afdeling het volgende. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de maximale bouwhoogte voor de in het plan voorziene woningen aanvaardbaar kunnen achten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de gangbare maximale bouwhoogte voor woningen in Montferland negen meter bedraagt. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan opgenomen maximale bouwhoogten van negen en een halve, dan wel elf meter niet zodanig afwijken van de genoemde gangbare bouwhoogte in Montferland dat de raad het plan reeds hierom niet heeft kunnen vaststellen. Daarbij heeft de raad tevens van belang kunnen achten dat zich in de nabije omgeving van het plangebied een pastorie en een kerk bevinden met een nokhoogte van respectievelijk twaalf en zestien meter. Voorts staat vast dat de woningen zijn voorzien van langs- en dwarskappen waardoor ze zijn ingepast in de directe omgeving van het plangebied. Ook heeft de raad, gelet op het voorgaande, in redelijkheid kunnen afzien van onderzoek naar de mogelijkheid om een lagere bouwhoogte vast te stellen.

Verder is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de breedte en diepte van de in het plan voorziene woningen zal leiden tot een ruimtelijk onaanvaardbare situatie.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat toepassing van de artikelen 9.1, aanhef en onder c, en 6.2.2, aanhef en onder m, van de planregels zal leiden tot het oordeel dat de woningen ter plaatse detonerend zijn. De Afdeling neemt hiertoe in aanmerking dat de afwijkingsmogelijkheid als opgenomen in artikel 9.1, aanhef en onder c, van de planregels slechts een beperkte toename van de omvang van de woningen toestaat. Voorts is van belang dat deze afwijkingsmogelijkheid niet zonder meer benut mag worden, maar eerst na het volgen van een procedure waarin de betrokken belangen moeten worden afgewogen. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het toestaan van dakkapellen ter plaatse een zodanige inbreuk maakt op de omgeving dat de raad deze mogelijkheid niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen.

Voor zover [appellant] stelt dat aan het plan een concreet bouwplan ten grondslag heeft gelegen, merkt de Afdeling op dat dit enkele feit niet met zich brengt dat de raad geen zelfstandige afweging heeft gemaakt.

2.5. De toetsing van bouwwerken aan de criteria neergelegd in de gemeentelijke welstandsnota maakt geen deel uit van de procedure tot vaststelling van een bestemmingsplan, maar is onderdeel van de beoordeling van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het betoog van [appellant] dat de welstandscommissie ten onrechte een positief advies ten aanzien van de voorziene woningen heeft uitgebracht kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011

425-674.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature