< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Schorsing van een omgevingsvergunning voor het vellen van 133 populieren ten behoeve van een herontwikkeling van een jachthaven.

In het thans bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de in de APV genoemde weigeringsgronden in de voorliggende situatie niet van toepassing zijn. Deze overweging spoort evenwel niet zonder meer met de overwegingen in een eerder besluit waarbij een eerdere aanvraag van vergunninghouder voor kap van dezelfde bomen op grond van dezelfde motieven als thans aan de orde, is afgewezen. Gelet hierop is de rechter van oordeel dat verweerder niet had kunnen volstaan met de enkele overweging dat geen van de weigeringsgronden zich voordoet en is hij tevens van oordeel dat een nadere onderbouwing en belangenweging is vereist. Met het onderzoek naar de in de populieren broedende roeken zijn de natuurwaarden niet volledig in beeld gebracht. Ten aanzien van de landschappelijke en beeldbepalende waarde van de houtopstand ontbreekt in het bestreden besluit iedere overweging.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 10 / 1741

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam verzoekers] te [woonplaats verzoekers], verzoekers,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2010 heeft verweerder aan [naam vergunninghouder] (hierna aan te halen als vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van houtopstand.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij afzonderlijke brieven bezwaar op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb .

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 lid 1 van de Awb is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Vergunninghouder heeft daarvan gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers en vergunninghouder gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 januari 2011, waar van verzoekers zijn verschenen [namen verzoekers] en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. Dignum, drs. G.H. Pardoel, R.A.W.M. Gerardts en mr. B.A. Spaninks.

Namens vergunninghouder zijn verschenen [persoon 1 en 2]

2. Overwegingen

2.1. Bij aanvraagformulier van 2 november 2010 heeft vergunninghouder bij verweerder een omgevingsvergunning gevraagd voor het rooien van ongeveer 133 Canadese polulieren die staan op het perceel[gelegen in Herten] (nader aan te halen als “het perceel”). Het perceel is gelegen in de nabijheid van de jachthaven de Rosslag te Herten, die door vergunninghouder wordt geëxploiteerd. Vergunninghouder wil deze jachthaven en de omgeving daarvan herontwikkelen en wenst op het perceel een parkeerplaats te realiseren. Ten behoeve van de situering van de parkeerplaats heeft vergunninghouder een onderzoek naar geschikte locaties laten verrichten door Grontmij. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie van 14 oktober 2010, die als bijlage bij de aanvraag is gevoegd. Grontmij heeft bij zijn onderzoek betrokken het rapport “Actualisatie flora- en faunaonderzoek” van Taken Landschapsarchitectuur en Ecologie d.d 7 juli 2010, dat eveneens als bijlage bij de aanvraag is gevoegd. In een geschrift getiteld “Herplant plan (notitie)” van 2 november 2010 staan de locaties opgenomen waar herplant van bomen zal plaatsvinden.

2.2. Bij thans bestreden besluit van 10 november 2010 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend en daaraan verschillende in het besluit opgenomen voorschriften verbonden. Verweerder heeft in het kader van de beoordeling van het verzoek overwogen dat geen van de in artikel 4:12a van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) opgenomen weigeringsgronden zich voordoen.

2.3. Verzoekers vragen bij onderhavig verzoek schorsing van de vergunning en verwijzen voor de gronden naar de door hen tegen het bestreden besluit ingediende bezwaarschriften.

2.4. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank (de rechter) die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.5. Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

2.6. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekers bezwaarschriften hebben ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

2.7. Ter zitting heeft de rechter aan de hand van een door verweerder overgelegde luchtfoto, met daarop aangegeven de adressen van verzoekers, vastgesteld dat in ieder geval een aantal van de verzoekers op korte afstand van het perceel woont en direct zicht heeft op de te kappen populieren. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) zijn deze verzoekers als belanghebbende aan te merken. Gelet hierop alsmede gelet op de aard van de onderhavige procedure zal de rechter in het midden laten of alle verzoekers, ook degenen die geen direct zicht op de populieren hebben, mogelijk in verband met de overlast als gevolg van de verplaatsing van roeken, als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

2.8. De rechter heeft vastgesteld dat vergunninghouder voornemens was om op korte termijn tot uitvoering van de vergunde kapwerkzaamheden over te gaan. De rechter is dan ook van oordeel dat ook is voldaan aan de vereiste spoedeisendheid. De rechter komt dan ook toe aan een verdere belangenafweging als hierboven bedoeld.

2.9. Ingevolge artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt het in de APV opgenomen verbod om zonder vergunning houtopstand te vellen of te doen vellen als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

2.10. Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Roermond (APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.11. Ingevolge artikel 4:12a van de APV kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultureel historische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

2.12. Bij het al dan niet toepassen van de in artikel 4:12a van de APV genoemde weigeringsgronden dient verweerder in de eerste plaats te toetsen of zich een weigeringsgrond voordoet en vervolgens bij die toetsing daarvan een belangenafweging te maken. Daarbij komt verweerder een aanzienlijke mate van vrijheid toe. Aan de orde is derhalve de vraag of het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de rechter aan die maatstaf voldoet.

2.13. In het thans bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de weigeringsgronden van artikel 4:12a van de APV in de voorliggende situatie niet van toepassing zijn. Deze overweging spoort evenwel niet zonder meer met de overwegingen van verweerder in zijn besluit van 30 juni 2009 (zoals door verzoekers overgelegd), waarbij een eerdere aanvraag van vergunninghouder van een zogenaamde kapvergunning voor dezelfde bomen op grond van dezelfde motieven als thans aan de orde, is afgewezen. In dat besluit heeft verweerder immers overwogen dat het betreffende populierenbos een hoge natuurwaarde heeft, waarbij onder andere is verwezen naar de roekenkolonie die in de bomen broedt, alsmede dat het bos landschappelijk beeldbepalend is. Ook heeft verweerder in het betreffende weigeringsbesluit overwogen dat de bomen gezond zijn en met de huidige vitaliteit nog jaren een rol kunnen vervullen in het landschap. Gelet hierop is de rechter van oordeel dat verweerder niet had kunnen volstaan met de enkele overweging dat geen van de weigeringsgronden zich voordoet en is hij tevens van oordeel dat een nadere onderbouwing en belangenweging is vereist.

De rechter overweegt in dat verband dat de natuurwaarde van de houtopstand ten aanzien van de daarin verblijvende roeken in kaart is gebracht in een rapport dat kan worden aangemerkt als opgesteld door een terzake deskundig adviseur. Gelet op hetgeen van de kant van verzoekers is aangevoerd, met name wat betreft het mogelijke verblijf van de steenmarter op het perceel, staat daarmee niet vast dat met dit rapport de natuurwaarden volledig in beeld zijn gebracht. Ten aanzien van de landschappelijke en beeldbepalende waarde van de houtopstand ontbreekt in het bestreden besluit iedere overweging. De rechter acht voorts een nader onderzoek naar de mogelijkheid van herplant volgens de van het bestreden besluit deel uitmakende herplant-notitie van 2 november 2010, die op grond van de voorschriften van de vergunning nader dient te worden geconcretiseerd, noodzakelijk. In deze notitie worden de landtongen tussen de haven en de Maas aangewezen als herplantlocatie. Ter zitting hebben verzoekers echter onder verwijzing naar beleid van Rijkswaterstaat met betrekking tot beplanting in stroomvoerend gebied en de ligging van de bewuste landtongen in stroomvoerend gebied, aangevoerd dat herplant op de landtongen niet is toegestaan.

Gelet op het vorenstaande valt niet uit te sluiten dat verweerder tot een gegrondverklaring van het bezwaar zal komen.

2.14. De rechter stelt vast dat door vergunninghouder in de aanvraag die aan de thans aan de orde zijnde vergunning ten grondslag ligt, als belang bij de aanvraag heeft opgegeven de realisatie van de herontwikkeling van de jachthaven en omgeving. In de vergunning is ook als voorschrift opgenomen dat de rooiwerkzaamheden uitsluitend kunnen plaatsvinden indien op korte termijn ter plekke ook de verdere beoogde werkzaamheden plaatsvinden.

Ter zitting is door de gemachtigden van verweerder desgevraagd bevestigd dat voor de realisatie van de plannen met betrekking tot de jachthaven nog een bestemmingsplanwijziging dient plaats te vinden. Deze procedure dient echter nog te worden gestart en zal volgens verwachting van de gemachtigden van verweerder resulteren in de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in het najaar van 2011. De rechter concludeert hieruit dat vergunninghouder niet eerder dan in het najaar van 2011 met de verdere beoogde werkzaamheden zal kunnen aanvangen. Het belang van vergunninghouder bij kap van de bomen vóór het broedseizoen van de roeken, dat in februari begint, acht de rechter mede onvoldoende onderbouwd aangezien het broedseizoen van de roeken immers is afgelopen voor de eerst mogelijke datum van inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

Vergunninghouder heeft weliswaar ter zitting nog naar voren gebracht dat kap van de populieren op korte termijn noodzakelijk is in het kader van de toestand van de bomen en de veiligheid (en zijn daarmee samenhangende aansprakelijkheid) maar dit belang is in de aanvraag niet als zodanig door vergunninghouder benoemd en evenmin is door hem ter zitting de aanwezigheid van een acuut gevaar vanwege de toestand van de bomen en de onmogelijkheid om afdoende veiligheidsmaatregelen te treffen, aannemelijk gemaakt.

2.15. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechter tot het oordeel dat het belang van verzoekers bij schorsing van het besluit zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder (en vergunninghouder) bij afwijzing van het verzoek. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

schorst het bestreden besluit van 10 november 2010 (de omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstand) tot zes weken nadat verweerder het besluit heeft genomen op het door verzoekers ingediende bezwaarschrift;

bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature