Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Inkomstenbelasting; artikel 4 AWR; artikel 3, lid 6 Verdrag met Duitsland, artikel 11, lid 3, Rijnvarendenverdrag; binnenscheepvaart; thuishaven is in de staat waarmee een schip zijn nauwste band heeft; de formele thuishaven en de vlag waaronder het schip vaart zijn niet doorslaggevend.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Nr. 10/00157

25 maart 2011

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2009, nr. BK-08/00394, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (AWB 06/9349 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 november 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is geboren in 1957 en woonde in het onderhavige jaar (2002) met zijn echtgenote en hun kinderen in Nederland. Hij had de Nederlandse nationaliteit.

3.1.2. Op 1 oktober 2001 heeft belanghebbende zijn binnenscheepvaartonderneming opgericht. Belanghebbende heeft in dat kader twee binnenvaartschepen gekocht, de motortankschepen A (hierna: A) en B (hierna: B). Belanghebbende heeft A op 8 november 2001 en B op 20 november 2001 ingeschreven in het binnenscheepvaartregister te T, Duitsland, met als thuishaven R. De aankoop is gefinancierd met hypothecaire leningen van een Duitse bank. Belanghebbende voer als een van beide kapiteins op de (onder Duitse vlag varende) A en oefende de leiding van de onderneming uit aan boord van dat schip. De andere kapitein had eveneens de Nederlandse nationaliteit; de overige opvarenden hadden een andere nationaliteit. De schepen werden bevracht door C in S. Het vaargebied van A lag hoofdzakelijk in het zogeheten ARA-gebied (Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen).

3.1.3. Belanghebbende heeft zijn als binnenlandse belastingplichtige opgemaakte aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 ingediend, inclusief de jaarstukken van zijn onderneming. Belanghebbende heeft verzocht om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de winst uit zijn onderneming en om vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen ter zake van dit inkomen. De Inspecteur heeft deze verzoeken bij het opleggen van de aanslag niet gehonoreerd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de thuishaven in de zin van artikel 4, lid 2, AWR van A in Nederland ligt. Naar het oordeel van het Hof is daarbij ten opzichte van de overige omstandigheden van ondergeschikt belang dat de formele thuishaven van het schip R is en dat A onder Duitse vlag vaart.

3.3. Tegen deze oordelen van het Hof richt zich de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het begrip thuishaven moet worden bepaald aan de hand van formele criteria, waaronder de formele thuishaven, het land waar het betrokken schip is ingeschreven in het scheepshypotheekregister en het land waarvan de vlag wordt gevoerd.

De klacht faalt, aangezien 's Hofs oordelen geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2011.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature