< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Art. 8.1 en 18.18 Wet milieubeheer, art. 4 Destructiewet, art. 13 Wet bodembescherming, art. 37 en 96 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Uitspraak



Parketnummer: 20-002183-08

Uitspraak: 21 december 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 mei 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-875188-05 en 01-995643-07, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 202 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 90 uren, te vervangen door 45 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van EUR 10.000,-, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan EUR 5.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 01/875188-05

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of omstreeks 22 februari en of 31 maart 2005,

in de gemeente Deurne, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne

1. bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 1], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en/of

in de gemeente Heeze-Leende, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouder van de gemeente Heeze-Leende

3. bij besluit van 22 september 2000 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2] ongenummerd, te Sterksel, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

in elk geval (een) inrichting(en) als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning(en), immers

1. werd toen daar op het perceel aan de [adres 1] gehandeld in strijd met de/het voorschrift(en)

- 1.1.9 een of meer wrakken van een auto, loader en/of aanhangwagen(s) opgeslagen en/of

- 2.1, 2.2 en 7.9 omdat de plaatsing en de keuring van brandblusmiddelen niet was zoals in die voorschriften omschreven en/of

- 3.3 omdat afvalstoffen waaronder metalen staven, kunststof, staalkabel, buizen en/of een as met wiel niet op ordelijke wijze werden bewaard en/of

- 6.1 omdat op meerdere plaatsen met olie besmeurde voorwerpen op de bodem lagen en/of

- 7.11 omdat een (oude) accu niet in een vloeistofdichte bak was opgeslagen en/of

- 8.1 omdat olie en/of benzine werd bewaard in kannen waarop de inhoud niet vermeld stond en/of

- 8.4 en/of 8.5 omdat olie en/of andere voor de bodem gevaarlijke stoffen niet in vloeistofdichte bakken waren geplaatst en/of

- 9.1.5, 9.2.1 en/of 9.2.3 omdat een bovengrondse tank met diesel niet was voorzien van een peilinrichting, niet was geplaatst in een vloeistofdichte bak en/of omdat zich binnen 5 meter van die tank brandgevaarlijke stoffen waaronder banden, een pallet en houten platen bevonden en/of

- 10.1.2 omdat een grote hoeveelheid kadavers niet zo spoedig mogelijk volgens de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en/of

- 10.2.4 omdat mest werd opgeslagen op de onbeschermde bodem en/of

3. werd toen daar op het perceel aan de [adres 2] gehandeld in strijd met voorschrift

- 1.3 omdat dierlijk afval op het terrein van de inrichting was begraven en niet zo spoedig mogelijk overeenkomstig de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en/of

- 2.2 omdat de put onder de machineloods werd gebruikt voor de opslag van mest en/of

- 2.7 omdat de opslagruimte van mest was voorzien van een of meer overstort(en) en/of

- 5.4 kuilvoerrestanten niet zodanig werden opgeslagen dat er geen geuroverlast kon ontstaan en/of

- 5.6 omdat de kuil voor kuilvoer niet geheel met kunststoffolie was toegedekt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2004 tot en met 31 maart 2005 te Sterksel op of nabij het perceel [adres 2] en/of te Deurne op of nabij de perce(e)l(en) [adres 1] en/of [adres 3] en/of op een perceel [adres 4] te Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer do(o)d(e) rund(eren), paard(en) en/of varken(s), zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken aan verwerking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of omstreeks 22 februari en/of 31 maart 2005 in de gemeente Deurne, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- op of nabij het perceel [adres 1], een hoeveelheid afvalstoffen, te weten asbest en of asbesthoudende materialen en/of (delen van) kadavers en/of mest en/of olie en/of brandstof(fen) en/of

- op of nabij het perceel [adres 3] (delen van) kadavers en/of in de gemeente

Heeze-Leende

- op of nabij een perceel aan de [adres 2] te Sterksel mest en/of (delen van) kadavers in of op de bodem heeft gebracht, waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - en toen al dan niet opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en/of zijn mededader(s) konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging zich voordeed, de bodem te saneren en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

4.

hij te Deurne, Sterksel en/of Heythuysen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als houder van een of meer dieren, te weten paarden, runderen, en/of honden, aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, hebbende hij en/of voornoemde ander(en) toen te Deurne op het adres [adres 1] in de periode van

22 februari tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of omstreeks 22 februari 2005

- meerdere paarden gehouden, in een wei zonder of met onvoldoende voer, water en/of schuilmogelijkheid, in elk geval in een wei die niet voor het houden van paarden geschikt was en/of die leden aan schurft, luis en/of wormeieren en/of waarvan de hoeven niet tijdig bekapt waren en/of

- meerdere runderen gehouden die leden aan schurft en/of die mager waren en/of die kreupel waren en/of

in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 bij een of meer van die runderen een keizersnede uitgevoerd en/of daarbij onvoldoende (na)zorg aan die dieren besteed en/of

in of omstreeks de periode van 19 januari 2004 tot en met 22 februari 2005, in elk geval op of omstreeks 22 februari 2005, meerdere honden gehouden die aan oormijt leden en/of in een met Parvo besmette omgeving en onvoldoende ondernomen om die omgeving Parvo vrij te krijgen en/of

te Deurne op het adres [adres 3]

in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005, in elk geval op of omstreeks

22 februari 2005 meerdere runderen gehouden die leden aan schurft en/of kreupel waren en/of ontstekingen hadden en/of

te Sterksel op het adres [adres 2]

op of omstreeks 31 maart 2005 meerdere runderen gehouden die aan luis en of schurft leden en/of te mager waren en/of

te Heythuysen

op of omstreeks 4 maart 2005 meerdere paarden gehouden met wonden veroorzaakt door prikkeldraad en/of die mager waren en/of die onvoldoende voer en/of water

hadden;

5.

hij op of omstreeks 22 februari 2005 op een of meer plaatsen in het arrondissement

's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, runderen heeft gehouden die niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd immers hield hij en/of voornoemde ander(en) toen

- te Sterksel, op een locatie aan de [adres 2], drie, althans een of meer rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of de/het rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3508 3027 6, NL 3428 3304 1, NL 3970 3423 3,

NL 2329 6481 3 en/of NL 2745 8158 4 terwijl dat/die merken niet voor dat/die betreffende rund(eren) was/waren afgegeven en/of

- te Deurne, op een locatie aan de [adres 3], zeven, althans een of meer rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of de/het rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3406 3074 3 en/of NL 2329 6460 4 terwijl dat/die merk(en) niet voor dat/die betreffende rund(eren) was/waren afgegeven en/of

- te Deurne, op een locatie aan de [adres 1], twintig, althans een of meer, rund(eren) dat/die niet was/waren voorzien van enig oormerk en/of de/het rund(eren) met de/het oormerk(en) met ID-code NL 3505 2763 3, NL 3356 3000 0, NL 3508 3023 8,

NL 3508 3090 4, NL 3706 3297 1, NL 3970 3398 2, NL 3970 3413 2, NL3970 3424 0,

NL 3970 3452 9, NL 3230 5015 7, NL 3339 5042 5, NL 2921 5047 2, NL 2329 6456 5,

NL 2329 6901 0 en/of NL 2037 6930 4 terwijl dat/die merk(en) niet voor dat/die betreffende rund(eren) was/waren afgegeven;

6.

hij op of omstreeks 2 mei 2005 in de gemeente Deurne ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een of meer politieambtenaren van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een auto, die politieambtena(a)r(en) die in een als zodanig herkenbare politieauto re(e)d(en) van de weg heeft gedrukt, althans heeft geprobeerd te drukken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 mei 2005 te gemeente Deurne een of meer politieambtena(a)r(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto getracht de auto waarin die politieambtena(a)r(en) re(e)d(en) van de weg te drukken;

Parketnummer 01/995643-07

1.

hij op of omstreeks 20 februari 2006 te Deurne, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 1] gelegen inrichting voor het houden van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, ten aanzien van de wijze van gebruik van een of meer stal(len) en/of de opslag van hooi, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd, althans ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 20 februari 2006 te Deurne, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, terwijl aan [naam 2] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 1], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift 1.1.1 een hoeveelheid hooi opgeslagen op het achterterrein en/of

- werd(en) in strijd met voorschrift 1.1.3 autobanden, ijzer, plastic en stenen opgeslagen waardoor de inrichting niet ordelijk was en/of

- kwam in strijd met voorschrift 3.2 met afvalstoffen verontreinigd water vanuit de mestkelder terecht op de bodem en/of

- werden brandblusmiddelen in strijd met voorschrift 2.2 niet tenminste éénmaal per jaar door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige gecontroleerd en/of

- was in strijd met voorschrift 8.2 ongeveer 250 liter olie binnen de inrichting aanwezig en/of

- waren in strijd met voorschrift 8.1 voor de bodem gevaarlijke stoffen aanwezig in verpakkingen waarop de inhoud niet stond vermeld en/of

- was in strijd met voorschrift 9.1.5 een dieseltank aanwezig zonder peilinrichting en/of vloeistofstandaanwijzer en/of

- voldeed de kuilvoeropslag niet aan de eisen van voorschrift 10.4.2.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

A.1

Namens de verdachte is ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard omdat zij niet voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering:

• ten aanzien van het onder parketnummer 01/875188-05 feit 1, sub 1, voorschrift 8.1, ten laste gelegde waar onvoldoende specifiek is omschreven welke kannen worden bedoeld;

• ten aanzien van het onder parketnummer 01/875188-05 feit 2 ten laste gelegde waar onvoldoende specifiek is aangegeven welke kadavers op welk terrein worden bedoeld;

• ten aanzien van het onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 ten laste gelegde, nu niet is omschreven waar de verandering van de inrichting uit heeft bestaan.

A.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1, sub 1, voorschrift 8.1 onder parketnummer 01/875188-05 en feit 1 onder parketnummer 01/995643-07 niet alleen voldoet aan de in artikel 47 van de Wet op de economische delicten gestelde eisen, maar evenals ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 01/875188-05, ook voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Mede bezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van heeft gegeven goed te weten welke feiten aan hem ten laste zijn gelegd, waartegen hij zich heeft te verdedigen en vervolgens op alle onderdelen van de tenlastelegging verweer heeft gevoerd.

Het hof verwerpt de verweren.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

B.1

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 feit 5 is door de raadsman - op de gronden als omschreven in zijn pleitnota - primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de opzet op het houden van ongenummerde c.q. ongeïdentificeerde dieren bij verdachte ontbreekt, nu verdachte niet in de gelegenheid is geweest om de herkomst van de dieren aan de tonen. Meer subsidiair beroept de raadsman zich op overmacht. Ten slotte wordt door de verdediging nog aangevoerd dat de Nederlandse strafbaarstelling betreffende het niet voldoen aan registratie- en identificatieregels in het licht van na te noemen EG-verordening onverbindend is.

B.2

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Het verweer van de raadsman, inhoudende dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte vanwege zijn detentie niet de mogelijkheid heeft gehad om binnen twee dagen de identiteit van de dieren aan te tonen, gaat naar het oordeel van het hof niet op.

B.2.1

Artikel 1, tweede volzin, van de door de raadsman aangehaalde Verordening (EG)

nr. 494/98 van de Commissie van 27 februari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen voor verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad wat de toepassing van de minimale administratieve (onderstreept door het hof) sancties in het kader van de identificatie- en registratie voor runderen luidde ten tijde van het ten laste gelegde - voor zover van belang - als volgt:

“2. Indien de houder van een dier de identiteit van dat dier niet binnen twee werkdagen kan bewijzen, wordt het dier onverwijld onder toezicht van de veterinaire autoriteiten vernietigd zonder dat door de bevoegde autoriteit een compensatie wordt verleend.”

B.2.2

Uit deze verordening volgt naar het oordeel van het hof dat de zogenoemde

“2-dagenregeling” is bedoeld om de administratieve (onderstreept door het hof) sanctie, te weten de vernietiging van dieren zonder het verlenen van compensatie te voorkomen en bevat zij geen vervolgingsuitsluitingsgrond.

Deze regeling raakt derhalve niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie noch staat zij op andere wijze in verband met de (nationale) strafrechtelijke sanctionering van het onder 5 ten laste gelegde. Zij staat er met name niet aan in de weg om, ook in het geval verdachte wel binnen twee dagen de identiteit van de litigieuze dieren zou hebben aangetoond, een strafsanctie op te leggen.

B.3.1

De verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen bepaalde ten tijde van het ten laste gelegde in artikel 21, eerste en tweede alinea, voorts - voor zover van belang - het volgende:

“De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. (…)

Door een lidstaat opgelegde sanctie staan in verhouding tot de ernst van de overtreding. Een sanctie kan, in voorkomend geval, inhouden dat de verplaatsingen van dieren naar of van het bedrijf van de betrokken houder kan worden beperkt.”

B.3.2

In voornoemde verordening is bepaald dat de door de lidstaten op de leggen sanctie in verhouding dient te zijn met de gepleegde strafbare feiten. Hieruit leidt het hof af dat de Nederlandse overheid de mogelijkheid heeft tot opleggen van strafrechtelijke sancties, met inachtneming van de ernst van de gepleegde feiten. Hieruit kan derhalve worden afgeleid dat de Nederlandse strafbaarstelling niet in strijd is met de EG-verordening en derhalve om de door de raadsman genoemde argumenten niet onverbindend moet worden verklaard.

B.4

Gelet op voorgaande worden de verweren van de verdediging met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde verworpen en acht het hof het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden of zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging in hoger beroep.

Vrijspraken ten aanzien van parketnummer 01/875188-05

Feit 6 primair

Het hof is - met de rechtbank en de verdediging - van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 onder feit 6 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte niet kan volgen dat verdachte het opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft gehad op van het leven beroven van de politieambtenaren dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof acht daarbij in het bijzonder van belang de verklaring van aangever

[aangever 1], afgelegd bij de politie d.d. 3 mei 2005, onder meer inhoudende als volgt:

“Ik zag dat de bestuurder linksaf het Leegveld opreed en vanaf dat moment zag ik dat de bestuurder zijn snelheid aanzienlijk verminderde. Ik kreeg daardoor het idee dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand zou gaan brengen, daar er werd gereden met een snelheid van tussen de 30 tot 50 kilometer per uur. Ik zag dat de bestuurder langzaam bleef rijden in het midden van de rijbaan. Ik trachtte hem links in de halen om voor hem te komen. Ik stuurde daarom het door mij bestuurde dienstvoertuig naar links en gaf gas om hem in te halen. Op het moment dat ik met de voorzijde van het dienstvoertuig naast de witte bestelauto reed, zag ik dat de bestuurder sterk naar links stuurde. Kennelijk deed hij dit met de bedoeling een aanrijding te veroorzaken en om mij van de weg te drukken. Door krachtig te remmen kon ik een aanrijding voorkomen. Na een dertig meter herhaalde dit feit zich en kon ik wederom voorkomen dat er een aanrijding met alle mogelijke gevolgen van dien zou ontstaan. Op dat moment werd er gereden met een snelheid van tussen de 50 en 80 kilometer per uur. Uiteindelijk zag ik dat de bestuurder van de witte bestelauto het door hem bestuurde voertuig aan de rechterzijde van het Leegveld tot stoppen bracht en kon de bestuurder aangehouden worden.”

Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat de weg Leegveld ongeveer 5 meter breed is. Op de momenten dat het politievoertuig trachtte de auto van verdachte in te halen en naast hem reed, heeft verdachte naar links gestuurd. Er werd relatief langzaam gereden. Ondanks dat de weg daar smal was, twee voertuigen daar naast elkaar reden en er waarschijnlijk dus weinig manoeuvreerruimte was heeft verdachte niet het politievoertuig geraakt.

Het hof is van oordeel dat vorenstaande omstandigheden en het feit dat de verdachte kennelijk uit zichzelf is gestopt - niet tot conclusie kunnen leiden dat verdachte het opzet heeft gehad op van het leven beroven van de politieambtenaren dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 4

Het hof is voorts van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 onder feit 4 ten laste gelegde met betrekking tot de paarden te Heythuysen heeft begaan, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder het parketnummer 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair en onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 01/875188-05

1.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005 in de gemeente Deurne, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne

1. bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 1], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en

in de gemeente Heeze-Leende, terwijl aan hem door Burgemeester en Wethouder van de gemeente Heeze-Leende

3. bij besluit van 22 september 2000 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 2] ongenummerd, te Sterksel, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer,

zich, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunningen, immers

1. werd toen daar op het perceel aan de [adres 1] gehandeld in strijd met de voorschriften

- 1.1.9 wrakken van een auto, loader en aanhangwagens opgeslagen en

- 2.2 en 7.9 omdat de plaatsing en de keuring van brandblusmiddelen niet was zoals in die voorschriften omschreven en

- 7.11 omdat een (oude) accu niet in een vloeistofdichte bak was opgeslagen en

- 8.1 omdat olie werd bewaard in kannen waarop de inhoud niet vermeld stond en

- 8.4 en 8.5 omdat olie en andere voor de bodem gevaarlijke stoffen niet in vloeistofdichte bakken waren geplaatst en

- 9.1.5, 9.2.1 en 9.2.3 omdat een bovengrondse tank met diesel niet was voorzien van een peilinrichting, niet was geplaatst in een vloeistofdichte bak en omdat zich binnen 5 meter van die tank brandgevaarlijke stoffen waaronder banden, een pallet en houten platen bevonden en

- 10.1.2 omdat een grote hoeveelheid kadavers niet zo spoedig mogelijk volgens de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en

- 10.2.4 omdat mest werd opgeslagen op de onbeschermde bodem en

3. werd toen daar op het perceel aan de [adres 2] gehandeld in strijd met voorschrift

- 1.3 omdat dierlijk afval op het terrein van de inrichting was begraven en niet zo spoedig mogelijk overeenkomstig de regels van de Destructiewet uit de inrichting was verwijderd en

- 2.2 omdat de put onder de machineloods werd gebruikt voor de opslag van mest en

- 2.7 omdat de opslagruimte van mest was voorzien van overstorten;

2.

hij in de periode van 16 november 2004 tot en met 31 maart 2005 te Sterksel op het perceel [adres 2] en te Deurne op de percelen [adres 1] en [adres 3] en op een perceel [adres 4] te Heythuysen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, dode runderen, paarden en/of varkens, zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken aan verwerking;

3.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2005, in de gemeente Deurne, tezamen en in vereniging met een ander,

- op het perceel [adres 1], een hoeveelheid afvalstoffen, te weten (delen van) kadavers en mest en olie en brandstof(fen) en

- op of nabij het perceel [adres 3] (delen van) kadavers

en in de gemeente Heeze-Leende

- op een perceel aan de [adres 2] te Sterksel mest en (delen van) kadavers in of op de bodem heeft gebracht, waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - terwijl hij, verdachte, wist dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast - en toen opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem en zijn mededader konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen;

4.

hij te Deurne en Sterksel, tezamen en in vereniging met een ander, als houder van dieren, te weten paarden, runderen, en honden, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, hebbende hij en/of voornoemde ander toen

te Deurne op het adres [adres 1] in de periode van 22 februari tot en met

31 maart 2005,

- paarden gehouden, in een wei zonder of met onvoldoende voer, water en/of schuilmogelijkheid en die leden aan schurft, luis en/of wormeieren en/of waarvan de hoeven niet tijdig bekapt waren en

- runderen gehouden die leden aan schurft en/of die mager waren en/of die kreupel waren en

in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 bij runderen een keizersnede uitgevoerd en daarbij onvoldoende (na)zorg aan die dieren besteed en

in de periode van 19 januari 2004 tot en met 22 februari 2005, honden gehouden in een met Parvo besmette omgeving en onvoldoende ondernomen om die omgeving Parvo vrij te krijgen en

te Deurne op het adres [adres 3]

in de periode van 22 februari tot en met 31 maart 2005, runderen gehouden die leden aan schurft en/of kreupel waren en/of ontstekingen hadden en

te Sterksel op het adres [adres 2]

op 31 maart 2005 runderen gehouden die aan luis en of schurft leden en/of te mager waren;

5.

hij op 22 februari 2005 op plaatsen in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, runderen heeft gehouden die niet overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren waren geïdentificeerd en/of geregistreerd immers hield hij en/of voornoemde ander toen

- te Sterksel, op een locatie aan de [adres 2], drie runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3508 3027 6, NL 3428 3304 1, NL 3970 3423 3, NL 2329 6481 3 en NL 2745 8158 4 terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven en

- te Deurne, op een locatie aan de [adres 3], zeven runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3406 3074 3 en

NL 2329 6460 4 terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven en

- te Deurne, op een locatie aan de [adres 1], twintig runderen die niet waren voorzien van enig oormerk en de runderen met de oormerken met ID-code NL 3505 2763 3,

NL 3356 3000 0, NL 3508 3023 8, NL 3508 3090 4, NL 3706 3297 1, NL 3970 3398 2,

NL 3970 3413 2, NL3970 3424 0, NL 3970 3452 9, NL 3230 5015 7, NL 3339 5042 5,

NL 2921 5047 2, NL 2329 6456 5, NL 2329 6901 0 en/of NL 2037 6930 4 terwijl die merken niet voor die betreffende runderen waren afgegeven;

6. subsidiair

hij op 2 mei 2005 te gemeente Deurne politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto getracht de auto waarin die politieambtenaren reden van de weg te drukken;

Parketnummer 01/995643-07

1.

hij op 20 februari 2006 te Deurne, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [adres 1] gelegen inrichting voor het houden van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, ten aanzien van de wijze van gebruik van meer stallen en de opslag van hooi, heeft veranderd;

2.

hij op 20 februari 2006 te Deurne, terwijl aan [naam 2] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Deurne bij besluit van 1 juni 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres 1], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 8 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift 1.1.1 een hoeveelheid hooi opgeslagen op het achterterrein en

- werden in strijd met voorschrift 1.1.3 autobanden, ijzer, plastic en stenen opgeslagen waardoor de inrichting niet ordelijk was en

- kwam in strijd met voorschrift 3.2 met afvalstoffen verontreinigd water vanuit de mestkelder terecht op de bodem en

- werden brandblusmiddelen in strijd met voorschrift 2.2 niet tenminste éénmaal per jaar door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige gecontroleerd en

- was in strijd met voorschrift 8.2 ongeveer 250 liter olie binnen de inrichting aanwezig en

- waren in strijd met voorschrift 8.1 voor de bodem gevaarlijke stoffen aanwezig in verpakkingen waarop de inhoud niet stond vermeld en

- voldeed de kuilvoeropslag niet aan de eisen van voorschrift 10.4.2.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

C.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

C.1.1

Parketnummer 01/875188-05

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman van verdachte heeft – op de gronden als vervat in de door hem overgelegde pleitnota – betoogd dat het opzet bij verdachte met betrekking tot de ten laste gelegde feiten niet kan worden bewezen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat waar het gaat om overtredingen die zouden zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2003 tot 31 maart 2003 deze verjaard zouden zijn.

C.1.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C1.2.1

Ten aanzien van perceel [adres 1]

Het hof zal hieronder verwijzen naar het proces-verbaal van bevindingen, controle milieuwetgeving buitenterrein [adres 1][adres] te Deurne, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], PL2206/05-000471 d.d. 4 april 2005 (p. 1625 ev.).

• Voorschrift 1.1.9 (In de inrichting mogen geen wrakken van voertuigen worden opgeslagen.)

Door de raadsman is bestreden dat de aangetroffen goederen als wrakken van voertuigen kunnen worden aangemerkt, aangezien er voor de bedrijfsvoering nog een zeker economisch nut is.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof is van oordeel dat voor de vraag of sprake is van een ‘voertuigwrak’ aansluiting dient te worden gezocht bij de term ‘afvalstoffen’ in de zin van de Wet milieubeheer.

Art. 1.1 lid 1 Wet milieubeheer luidde ten tijde van het ten laste gelegde feit, voor zover hier van belang:

“afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”

Artikel 1 van voormelde richtlijn nr. 75 /442/EEG luidt als volgt:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen;

b. "producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ("eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

c. "houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in beheer heeft."

Het hof overweegt dat bij de invulling van het begrip “afvalstof” de wijze van het “zich ontdoen” van de stof doorslaggevend is. Bij het uitleggen van deze term – en daarmee van het begrip “afvalstof” – moet – met inachtneming van alle omstandigheden – rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip “afvalstof” kan bijgevolg naar het oordeel van het hof niet restrictief worden uitgelegd.

Het hof stelt vast dat de bedoelde voertuigen op het terrein van verdachte buiten gebruik waren gesteld en in het geheel niet meer functioneerden. Gelet op de definitie van ‘afvalstoffen’ moeten deze wrakken van voertuigen daaronder worden begrepen en had verdachte zich derhalve van deze stoffen moeten ontdoen. Nu verdachte de wrakken in zijn inrichting heeft opgeslagen is niet voldaan aan voorschrift 1.1.9.

• Voorschriften 2.2 en 7.9

Uit het voornoemde proces-verbaal van bevindingen (p. 1626) is gebleken dat er twee draagbare poederblussers aanwezig waren. Een van de blusmiddelen was tijdig gekeurd, maar lag op de grond, niet duidelijk zichtbaar en niet gemakkelijk bereikbaar. De andere poederblusser was niet ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd. Tevens is gebleken dat nabij de toegangsdeur van de werkplaats geen draagbare poederblusser aanwezig was. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, inhoudende dat de blusser zich bevond in de nabijheid van de toegangsdeur, nu het hof van oordeel is dat ‘midden in de werkplaats’ niet betekent ‘in de nabijheid van de toegangsdeur’. Gelet op vorenstaande bevindingen is niet voldaan aan de voorschriften 2.2 en 7.9. Bij gebrek aan bewijs zal het hof verdachte vrijspreken van het in strijd handelen met voorschrift 2.1.

• Voorschrift 3.3

Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken, nu het hof de in voorschrift 3.3 genoemde norm ‘ordelijke en nette wijze’ onvoldoende duidelijk acht.

• Voorschrift 6.1

Aangezien de verbalisanten in het proces-verbaal niet hebben gerelateerd dat er daadwerkelijk olie op de grond terecht is gekomen, en derhalve niet bewezen kan worden dat door het bewaren van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen verontreiniging van de bodem heeft opgetreden of kon optreden, zal het hof de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

• Voorschrift 7.11

De raadsman heeft aangevoerd dat de op foto 6 gefotografeerde doos niet te herkennen is als een accu. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat op geen enkele wijze onderzoek is verricht naar de vraag of er elektrolyt in de accu aanwezig was.

Het hof verwerpt het primaire verweer, nu het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de constatering van de verbalisanten (p. 1627) dat sprake was van een oude accu. Op grond van de waarneming van de verbalisanten, alsmede op grond van foto 6 op pagina 1634, stelt het hof vast dat de accu niet in een vloeistofdichte bak was opgeslagen. Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou blijken dat de accu werd opgeladen. De vraag of er daadwerkelijk elektrolyt in de accu aanwezig is geweest acht het hof niet relevant gelet op de formulering van het voorschrift.

• Voorschrift 8.1

De verbalisanten hebben in de werkplaats op diverse plaatsen kannen en vaten met olie en kannen en vaten met afgewerkte olie waargenomen. Tevens werd geconstateerd dat op de meeste verpakkingen de inhoud niet vermeld stond. Deze constatering op zich, behalve voor wat betreft de benzine, is door de verdediging niet betwist. Het hof zal verdachte, gelet op de stellige ontkenning daarvan ten aanzien van het bewaren van de benzine vrijspreken.

• Voorschriften 8.4 en 8.5

De verdediging heeft betoogd dat op grond van de foto’s 7, 8, 9, 10 en 11 niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van olie.

Door de verbalisanten is geconstateerd dat er olie en voor de bodem gevaarlijke vloeistoffen niet in vloeistofdichte bakken waren geplaatst (foto’s 7, 8 en 9, p. 1635-1636). Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan deze constatering.

• Voorschriften 9.1.5, 9.2.1 en 9.2.3

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is vastgesteld dat de tank diesel bevatte.

Het hof overweegt het volgende. De verbalisanten zagen op de rand van de inrichting een grote metalen tank met een afmeting van ongeveer 8,5 meter lengte en een doorsnede van ongeveer 2,4 meter (foto 12, p. 1637). De verbalisanten roken ter plaatse een sterke dieselgeur. De tank was niet voorzien van een peilinrichting of vloeistofaanwijzer en niet geplaatst in een vloeistofdichte opvangbak. Verbalisanten zagen dat zich binnen drie meter brandgevaarlijke stoffen bevonden, zoals een houten pallet, banden en houten platen. Gelet op voorgaande waarnemingen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet aan voornoemde voorschriften heeft voldaan.

• Voorschrift 10.1.2

De verdediging stelt dat de kadavers buiten de inrichting zijn aangetroffen.

Het hof overweegt als volgt. Bij onderzoek kwam naar voren dat op het terrein van de inrichting onder de mesthoop een kadaver van een rund was begraven (foto 13, p. 1638). Voorts werden op het terrein van de inrichting een zestal kadavers van hondjes aangetroffen (foto’s 14 en 15, p. 1638-1639). Tevens zagen verbalisanten een poot van een rund op het terrein liggen (foto 16, p. 1639). In een hondenhok in stal 4 werd een kadaver van een kalf aangetroffen en in een aanbouw van deze staf een nagenoeg geheel afgekloven geraamte van een rund (foto 17, p. 1640). Nu de kadavers zijn aangetroffen in de nabijheid van de stallen is sprake van binnen de inrichting aangetroffen kadavers. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

• Voorschrift 10.2.4

De raadsman heeft betoogd dat de vaste mest niet was opgeslagen. De vaste mest zou uit de potstal komen en worden uitgereden. Door de sneeuwval waren die werkzaamheden tijdens de controle tijdelijk onderbroken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

De verbalisanten (p. 1628) zagen op het achterterrein een opslag van vaste mest, bestaande uit paarden- en runderenmest. Geconstateerd werd dat deze mest op een onbeschermde bodem lag en dat het met mest verontreinigd regenwater op de bodem lag (foto 18). Er waren geen voorzieningen om het water op te vangen. Gelet op voorgaande bevindingen staat vast dat niet is voldaan aan voorschrift 10.2.4. Het verweer van de raadsman doet hieraan niet af.

C.1.2.2

Ten aanzien van perceel [adres 2]

Het hof zal hieronder verwijzen naar het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], PL2202/05-014238 d.d. 2 maart 2005 (p. 1792 ev.).

• Voorschrift 1.3

De verdediging stelt wederom dat de kadavers buiten de inrichting zijn aangetroffen.

Het hof stelt op grond van voornoemd proces-verbaal van bevindingen (p. 1793) vast dat op vier afzonderlijke plaatsen, in de directe nabijheid van de machine loods en de veestal, aldus binnen de inrichting, vier kadavers van runderen ingegraven werden aangetroffen. Het verweer wordt verworpen.

• Voorschrift 2.2

De raadsman heeft aangevoerd dat niet middels monsterneming is vastgesteld dat het om mest zou gaan.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen (p. 1794) is gebleken dat de put gelegen onder de open machineloods was gevuld met mest. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat niet middels onderzoek is vastgesteld dat sprake zou zijn van mest.

Het hof acht de betreffende verbalisanten uit hoofde van hun functie voldoende in staat om vast te stellen of sprake is van (dierlijke) mest. Naar het oordeel van het hof zijn er geen omstandigheden gebleken om aan de betrouwbaarheid van de vaststelling te twijfelen.

• Voorschrift 2.7

De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een overstort, maar van een trekpunt.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman op grond van het voornoemde proces-verbaal van bevindingen. De verbalisanten hebben waargenomen dat in de mestopslag van de veestal, stal A op de tekening, twee overstorten aanwezig waren (foto’s 20 en 21, p. 1811). De beide overstorten liepen over, waardoor er een kleine hoeveelheid mest op de grond/erfverharding lag. Het hof stelt vast dat hetgeen feitelijk is aangetroffen zeer wel als overstort kan worden aangemerkt en kennelijk, gelet op de aangetroffen vervuiling, ook als zodanig heeft gefunctioneerd.

• Voorschriften 5.4 en 5.6

Het hof zal de verdachte van deze twee onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het hof is - met de raadsman - van mening dat indien voorgaande feiten overtredingen zouden zijn, deze feiten verjaard zouden zijn. Het hof is echter van oordeel dat de feiten opzettelijk zijn begaan en derhalve op grond van de Wet op de economische delicten als misdrijven worden aangemerkt, zodat dit verweer niet op gaat.

C.2.1

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman van verdachte heeft – op de gronden als vervat in de door hem overgelegde pleitnota – betoogd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

C.2.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het proces-verbaal met nummer PL2206/05-000471 d.d. 6 mei 2005 (p. 1264 ev.) is gebleken dat zowel op 22 februari 2005 als op 31 maart 2005 op de locaties [adres 1] en [adres 3] te Deurne en op locatie [adres 2] te Sterksel onderzoeken zijn ingesteld naar de naleving van de bepalingen van de Destructiewet. Uit de inhoud van de diverse processen-verbaal van bevindingen (op de pagina’s 1274, 1281, 1306, 1313, 1337, 1342, 1351 en 1354 ev.) alsmede uit hetgeen is afgebeeld op de als bijlagen gevoegde foto’s is het hof gebleken dat, buiten de kadavers op de kadaverplaat, op de verschillende bedrijven kadavers van dode runderen, paarden en varkens op of in de grond zijn aangetroffen, met uitzondering van de kadavers op de kadaverplaat, die daar kennelijk niet tijdelijk waren opgeslagen, en derhalve onttrokken zijn aan de verwerking.

Uit de op 15 februari 2005 bij het bedrijf [naam bedrijf] ingewonnen informatie is tevens vastgesteld dat na de datum van 16 november 2004 geen kadavers meer werden aangemeld vanaf voornoemde locaties.

Het hof acht voorts van belang de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd bij de politie op 12 april 2005 (p. 520 ev.), inhoudende - voor zover van belang - als volgt.

“Ik heb jullie gisteren al wat verteld over de varkens. (…) We doen op de [adres 1] 2 rondes per jaar. Mijn vader en broer [verdachte] hebben de leiding en beslissen samen wat er gedaan moet worden met en bij de varkens. (…) Ik heb zelf meerdere malen gezien dat de kadavers van varkens door mijn vader zelf, links naast de varkensstal tegen de bebossing, in de grond werden begraven. Mijn vader begroef de kadavers van varkens dan met behulp van onze loader. (…) Ik heb ook enkele keren gezien dat mijn broer [verdachte] op de zelfde wijze kadavers van varkens begroef op de zelfde locatie. (…) Ik weet dat ze al zeker vanaf 2000 tot februari 2005 kadavers begraven, dit zowel varkens als runderen. Ik schat dat mijn vader en [verdachte] ongeveer 20 tot 30 kadavers van varkens naast de varkensstal hebben begraven. Ik denk dat ze kadavers begroeven omdat het afvoeren naar [naam bedrijf] geld kost. (…) Het verhaal zoals ik net verteld hen omtrent het begraven van kadavers van varkens heeft zich ook afgespeeld op de [adres 3] te Deurne. De [adres 3] is eigendom van mijn vader.”

Gelet op vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk dode kadavers, zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken aan verwerking en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

C.3.1

Ten aanzien van feit 3:

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen monsters zijn genomen en derhalve niet kan worden vastgesteld dat het zou gaan om afvalstoffen welke niet op of in de bodem gebracht mochten worden. Met betrekking tot de kadavers is door de raadsman aangevoerd dat de Wet bodembescherming geen grondslag biedt, zodat vrijspraak dient te volgen.

C.3.2

Het hof overweegt het volgende.

Uit de processen-verbaal bevindingen (p. 1837 ev.) is gebleken dat op 22 februari 2005 controles zijn uitgevoerd op de bedrijven van verdachte gelegen aan de [adres 1] en [adres 3] te Deurne en op het bedrijf aan de [adres 2] te Sterksel. Daarbij is een hoeveelheid afvalstoffen, te weten (delen van) kadavers, mest, olie en brandstoffen in en op de bodem aangetroffen. Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden verdachte asbest en/of asbesthoudende materialen in de bodem heeft gebracht, aangezien deze afvalstoffen zich ongeveer één meter onder de grond bevonden.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat geen monsters zijn genomen van de betreffende afvalstoffen overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn de betreffende verbalisanten uit hoofde van hun deskundigheid voldoende in staat om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van (delen van) kadavers, mest, olie en brandstoffen, zodat het hof het nemen van monsters in deze niet noodzakelijk acht. Met in achtneming van hetgeen onder C.1.2.1 (ten aanzien van ‘afvalstoffen’) is overwogen, kunnen bovengenoemde stoffen en voorwerpen als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden aangemerkt. Door deze afvalstoffen op of in de bodem te brengen kon de bodem worden verontreinigd en/of aangetast.

Het verweer wordt verworpen.

C.4.1

Ten aanzien van feit 4:

Door de raadsman is ter verdediging betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs, op de gronden als vervat in de door hem overgelegde pleitnota.

C.4.2

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

C.4.2.1

• Met betrekking tot de paarden te Deurne.

Uit het proces-verbaal van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming d.d.

3 maart 2005 (p. 1890-1892) is gebleken dat op 22 februari 2005 een opsporingsactie heeft plaatsgevonden op het perceel aan de [adres 1] te Deurne tegen de verdachten [verdachte]. Daarbij zijn een koppel van ongeveer 20 paarden en pony’s bekeken die in eigendom toebehoorde aan genoemde verdachten. Dierenarts [dierenarts 1] heeft de gezondheidstoestand van de dieren beoordeeld en geconcludeerd dat aan vijf van deze dieren, te weten drie paarden en twee pony’s, de nodige verzorging was onthouden. Uit de diergeneeskundige verklaring (p. 1893) komt naar voren dat de paarden en pony’s uitgemergeld, dan wel vermagerd waren, een slechte vacht hadden, ernstige regenschurft hadden en/of te lange tonen hadden.

Naar aanleiding van bovenstaande heeft op 8 maart 2005 een hercontrole plaatsgevonden op genoemd adres (p. 1908). De verbalisanten stelden middels telling vast dat er 19 paarden op het perceel liepen en voorts:

- dat op ongeveer de helft van het perceel veel plassen water en modderpoelen lagen;

- dat de aanwezige paarden niet over een toereikende hoeveelheid schoon water konden beschikken;

- dat geen drinkbak of andere drinkwatervoorziening in het voornoemd perceel stond;

- dat van enige grasgroei op voornoemd perceel geen sprake was;

- dat het gehele terrein zeer drassig was met uitzondering van het beboste gedeelte;

- dat de helft van voornoemd perceel was bezaaid met bouwpuin en stukken plastic;

- dat er geen beschuttingsplek voor de paarden aanwezig was, alleen een paar bomen.

Dierenarts [dierenarts 2] constateerde op 9 maart 2005 dat vijf van de 19 aanwezige paarden in een zeer schrale conditie waren. Drie van deze paarden verkeerden in zo’n schrale conditie dat ze acute verzorging nodig hadden. Voorts constateerde [dierenarts 2] dat de hoefverzorging van alle 19 genoemde paarden te wensen overliet. [dierenarts 2] concludeerde dat bovengenoemd perceel duidelijk niet voldeed aan de minimale eisen voor het houden van paarden.

Op 11 maart 2005 heeft dierenarts [dierenarts 3] het betreffende perceel geïnspecteerd en de paarden bekeken (p. 1930 ev.). Hij verklaarde dat het terrein ongeschikt was voor het houden van dieren wegens het ontbreken van geschikt voer, geschikt water en een groot risico voor verwondingen en worminfecties (door ontbreken van gras en hoge bezettingsgraad). Gelet op het feit dat het terrein drassig was en er geen schutstal aanwezig was konden niet alle dieren droog liggen en staan. Voornoemde dierenarts heeft verklaard dat naar zijn mening sprake is het onthouden van de nodige verzorging door het houden van paarden in of op een dergelijk terrein.

Ten aanzien van de conditie van de paarden en pony’s heeft [dierenarts 3] verklaard dat alle dieren in het algemeen een te schrale conditie hadden en voorts onbehandelde infecties met ectoparasieten (schurft en luis). Ook zouden veel paarden en pony’s achterstallige hoefverzorging hebben.

Voorts heeft [dierenarts 3] op 12 maart 2005 schriftelijk verklaard (p. 1935) dat het mengmonster mest genomen van de door hem onderzochte in beslaggenomen paarden zeer ernstig besmet was met wormeieren.

C.4.2.2.1

• Met betrekking tot de runderen.

Op 22 februari 2005 is een integrale controleactie gehouden op de veehouderijen gevestigd aan de [adres 1] te Deurne, [adres 3] te Deurne en [adres 2] te Sterksel (proces-verbaal van bevindingen p. 2305 ev.). Tijdens de controle op de vestigingen is de gezondheids- en welzijnstoestand van de aanwezige runderen beoordeeld door twee praktiserend dierenartsen, genaamd drs. [dierenarts 4] en drs. [dierenarts 1].

Er werden twee runderen aangetroffen, waarvan de medische toestand dusdanig slecht was dat werden geëuthanaseerd. Een rund werd als ernstig wrak bestempeld en kon zich niet voort bewegen. Het andere rund was in slechte conditie, had een schurftinfectie en was rechtsachter ernstig kreupel.

Uit de verklaring van dierenarts [dierenarts 4] met betrekking tot de aangetroffen runderen op de locatie [adres 1] blijkt onder meer het volgende:

“De voedingstoestand van de koeien was nogal variabel; over het algemeen net acceptabel, sommige goed, een aantal duidelijk te mager. Het overgrote deel van de koeien was ernstig besmet met schurft. Veel dieren schuurden als gevolg van ernstige jeuk; bij veel dieren was de huid ernstig beschadigd; bij sommigen tot bloedens toe. Eigenaar is hier duidelijk nalatig gebleken.”

(…)

“Voorts waren bij een tiental dieren operatiewonden zichtbaar van recent uitgevoerde keizersneden. Hier viel op dat het operatieveld slechts zeer beperkt geschoren was. Al met al oogde dit niet als professioneel uitgevoerde keizersneden.”

Op de locatie [adres 3] te Deurne werden in totaal 31 runderen aangetroffen (p. 2310 ev.). Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 5] zagen drie ernstig kreupele mannelijke runderen, welke kennelijk een pijnlijke aandoening aan de klauwen hadden. De aanwezige dierenarts [dierenarts 4] constateerde dat de drie runderen ernstig besmet waren met schurft, ernstig kreupel waren en ontstekingen hadden. Deze dieren werden ter slachting afgevoerd.

Dierenarts [dierenarts 4] heeft in zijn aanvullende verklaring (p. 2315) ten aanzien van de rundveestapel het volgende verklaard;

“Op 22-02-2005 heb ik geconstateerd dat het merendeel van de gehouden runderen op de locatie [adres 3] te Deurne besmet was met schurftmijt. Schurftmijten zijn de veroorzakers van de ziekte die schurft genoemd wordt.”

Op 31 maart 2005 is een hercontrole gehouden op de veehouderijen voornoemd. Ter beoordeling van de gezondheids- en welzijnstoestand van de aanwezige runderen waren twee dierenartsen aanwezig, zijnde eerdergenoemde [dierenarts 1] en drs. [dierenarts 3].

Op de locatie [adres 1] was het oordeel van voornoemde dierenartsen dat aan vier runderen de nodige zorg was onthouden. Van deze vier runderen zijn afzonderlijke diergeneeskundige verklaringen opgemaakt. Ook werden runderen aangetroffen die aan schurft leden.

Op de locatie [adres 3] te Deurne werden in totaal 10 runderen aangetroffen. Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] constateerden bij verschillende van de aanwezige runderen schurftbesmetting.

Na inventarisatie werden op de locatie [adres 2] te Sterksel 45 runderen aangetroffen. Door dierenarts [dierenarts 1] is een diergeneeskundige verklaring opgemaakt ten aanzien van het welzijn van de aangetroffen runderen op deze locatie en de twee andere locaties (p. 2528-2529), inhoudende kort gezegd dat het algemene beeld van de gezondheidsstatus van de aanwezige runderen in vergelijking was met de aangetroffen situatie op 22 februari 2005. [dierenarts 1] heeft voorts gerelateerd dat het wederom aantreffen van wrakke en gestorven dieren aangeeft dat de verzorging in de tussenliggende periode matig tot slecht is geweest.

Ook dierenarts [dierenarts 3] heeft een diergeneeskundige verklaring opgesteld naar aanleiding van de controles op 31 maart 2005. In het algemeen ten aanzien van alle drie de locaties stelt [dierenarts 3] dat er duidelijk sprake was van het onthouden van de nodige veterinaire- en andere zorg.

C.4.2.2.2

Ten aanzien de keizersneden het volgende.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ontkent keizersneden te hebben uitgevoerd, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot en met 22 februari 2005 bij runderen keizersneden heeft uitgevoerd en daarbij onvoldoende (na)zorg aan die dieren heeft besteed.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van de navolgende verklaringen en bevindingen, zoals deze zich in het dossier bevinden:

- De verklaring van dierenarts [dierenarts 5], afgelegd bij de politie op 24 maart 2005 (p. 206), inhoudende voor zover van belang als volgt:

“Werden er door u ook keizersneden uitgevoerd bij de koeien? Waar werden die uitgevoerd? Hoeveel hebt u er de laatste jaren (vanaf 2002) uitgevoerd? In wiens opdracht werden deze uitgevoerd?

Antwoord getuige: De laatste twee drie jaar zijn er door onze praktijk geen keizersnedes uitgevoerd.”

- De verklaring van dierenarts [dierenarts 6], afgelegd bij de politie op 24 maart 2005 (p. 225 ev.), inhoudende voor zover van belang als volgt:

“Werden er door u ook keizersneden uitgevoerd bij de koeien? Waar werden die uitgevoerd? Hoeveel hebt u er de laatste jaren (vanaf 2002) uitgevoerd? In wiens opdracht werden deze uitgevoerd?

Antwoord getuige: Ja, op de [adres 1]. De laatste 10 jaren heb ik bij [verdachte] geen keizersnedes meer uitgevoerd.”

- De verklaring van dierenarts [dierenarts 6], afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2005, inhoudende voor zover van belang als volgt:

“Ik ga er van uit dat [verdachte] zelf keizersneden heeft gedaan.”

- De verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd bij de politie op 12 april 2005 (p. 526 ev.), inhoudende voor zover van belang als volgt:

“Als u mij de vraag stelt wie bij ons op het bedrijf de keizersneden uitvoerde dan kan ik hier als volgt op verklaren. Mijn vader deed alle keizersneden zelf, ook mijn broer heeft het meerdere malen geprobeerd, toch bij [verdachte] ging dit niet altijd goed. Ik schat dan mijn vader en [verdachte] al een jaar of 2 bezig zijn met het zelf uitvoeren van keizersneden bij onze eigen koeien. Ik schat dat ze het afgelopen jaar bij 25 tot 30 koeien zelf de keizersneden hebben uitgevoerd.”

- Bij de doorzoeking op het bedrijf aan de [adres 1] te Deurne op 22 februari 2005 werden diverse hulpmiddelen voor het uitvoeren van keizersneden aangetroffen.

C.4.2.2.3

• Met betrekking tot de honden.

Op 22 februari 2005 zijn op het bedrijf aan de [adres 1] te Deurne 26 honden in beslaggenomen (p. 1964). Uit de verklaring van [naam beheerster], beheerster van het dierenasiel [naam asiel] te Almelo, waar een aantal van de honden is ondergebracht, is gebleken dat twee pups zijn overleden met als doodsoorzaak Parvo (p. 1962-1963).

Ook uit diverse aangiften (onder andere zaak 12, 14, 15 en 20) is gebleken dat honden zijn overleden met diagnose Parvo-infectie.

Dierenarts [dierenarts 5] heeft op 24 maart 2005 tegenover de politie onder meer de navolgende verklaring afgelegd met betrekking tot de vraag of op het terrein van [verdachte] besmettelijke ziekten heersten:

“Er is door Intervet ongeveer anderhalf jaar geleden Parvo vastgesteld op het bedrijf van [verdachte]. Ik als dierenarts heb geadviseerd om een tijdje geen honden te houden om zo de cyclus te doorbreken. Dit advies is ook door Intervet aan mij gegeven. Dit stilleggen van de handel was niet direct een optie die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de beste oplossing vonden. Ze dachten dat het toch terug zou komen.”

Naar het oordeel van het hof staat vast dat sprake is geweest van een met Parvo besmette omgeving. Zelfs na het advies van dierenarts [dierenarts 5] om een tijdje geen honden te houden om verdere besmetting te voorkomen is verdachte doorgegaan met het fokken van hondenpups. Gelet hierop acht het hof bewezen dat verdachte onvoldoende maatregelen heeft ondernomen om de omgeving Parvo vrij te krijgen.

Alles overziende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , zoals ten laste gelegd. De verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.

Parketnummer 01/995643-07

C.5.1

Ten aanzien van feit 1:

Door of namens de verdachte is aangevoerd dat indien met de verandering van de inrichting wordt gedoeld op het houden van honden, hij, verdachte, niets met het houden van honden van doen heeft gehad en zodoende niet als pleger of medepleger kan worden aangemerkt, zodat vrijspraak dient te volgen.

C.5.2

Het hof overweegt als volgt.

C.5.3

Het hof verwerpt het verweer en verwijst daarbij naar het proces-verbaal bevindingen met nummer PL2203/06-021721 (p. 433 ev.) opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] op 9 maart 2006, inhoudende als volgt.

C.5.4

Met betrekking tot het onderzoek [adres 1]:

Op 20 februari 2006 is een onderzoek ingesteld naar de naleving van de voorschriften behorende bij het afgeven van de milieuvergunning. Het onderzoek werd uitgevoerd samen met de gemeentelijk toezichthouder [naam toezichthouder]. Dit betreft de milieuvergunning van 1 juni 1999. Bij het onderzoek werd geconstateerd dat in de inrichting geen runderen of varkens werden gehouden. Wel werd vastgesteld dat de inrichting op de volgende onderdelen ten opzichte van de vigerende milieuvergunning werd gewijzigd dan wel werd uitgebreid:

- Stal 1 was volledig ingericht voor het houden van dieren terwijl de stal volgens de vigerende vergunning voor de helft ongeschikt moet zijn gemaakt voor het houden van dieren.

- Stal 2 was traditioneel ingericht voor het houden van runderen terwijl deze volgens de vergunning dient te zijn ingericht voor het houden van varkens volgens het groenlabel systeem. Aan de buitenzijde van deze stal waren 13 hondenhokken opgericht.

- Stal 3 was in gebruik als opslag voor hooi, stro, hout en voertuigen en gedeeltelijk ingericht als werkplaats.

- Stal 4 was traditioneel ingericht terwijl deze volgens de vergunning diende te zijn ingericht volgens het groenlabel systeem. Tevens waren in deze stal hondenhokken ingericht.

- Stal 5 was traditioneel ingericht terwijl deze volgens de vergunning diende te zijn ingericht volgens het groenlabel systeem.

C.5.5

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van het onder C.5.3 genoemde proces-verbaal van bevindingen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer .

• Voorschrift 1.1.1 en 1.1.3

De raadsman heeft ten aanzien van voorschrift 1.1.1 en 1.1.3 aangevoerd dat de aangetroffen zaken niet kunnen worden gekwalificeerd als afvalstoffen, nu het materialen betreffen die worden gebruikt bij de bedrijfsvoering.

Het hof werpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Op het achterterrein, naast stal 3, werd een hoeveelheid opgeslagen hooi aangetroffen. Het betrof een opslag van 5 bij 10 meter en 2,5 meter hoog. Deze opslag was niet vergund.

Buiten tegen de gevels van stal 3 zijn grote hoeveelheden autobanden, ijzer, plastic en stenen aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof zijn dit materialen waarvan verdachte zich feitelijk heeft ontdaan en die op een juiste wijze moeten worden afgevoerd. Onder de gegeven omstandigheden is sprake van afvalstoffen in de zin van de Wet Milieubeheer.

• Voorschrift 3.2

Op het achterterrein op de bodem werd mest, bedorven snijmaïs en percolaatwater waargenomen. Dit betrof een oppervlakte van ruim honderd vierkante meter. Uit onderzoek van [naam onderzoeker] van Waterschap Aa en Maas bleek dat het percolaatwater afkomstig was uit de open mestkelder buiten achter stal 2. Door hem werd een elektrische geleidbaarheid gemeten van 1500 uS/cm op de onverharde bodem.

• Voorschrift 2.2

In stal 3, in de werkplaats, werd een brandblusser aangetroffen die voor het laatst in

januari 2004 was gekeurd. De herkeuring had plaats moeten vinden in januari 2005.

In stal 2 werd ook geen goedgekeurde brandblusser aangetroffen. In het gehele bedrijf werd geen enkele gekeurde brandblusser aangetroffen.

Aan voorschrift 2.2 is derhalve niet voldaan.

• Voorschrift 8.2 en 8.1

Boven een lekbak aan de zijkant van stal 2 werd een vat van 200 liter dat nagenoeg geheel gevuld was met olie aangetroffen. Tevens stond er een zogenaamd 60 liter vat dat voor ongeveer een derde was gevuld met een olieachtige substantie. Daarnaast waren zes cans geheel of gedeeltelijk gevuld met een olieachtige substantie. Naar schatting was er ruim

250 liter olie aanwezig. Op het merendeel van deze cans was geen vermelding van de inhoud aanwezig.

• Voorschrift 9.1.5

Het hof zal de verdachte bij gebrek aan bewijs ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Op foto 19, zoals genoemd op pagina 436 en afgebeeld op pagina 453, is namelijk geen dieseltank zichtbaar, maar een vat.

• Voorschrift 10.4.2

Geconstateerd werd dat tussen stal 1 en stal 2 een sleufsilo aanwezig was, die nagenoeg geheel gevuld was met maïs. Aan de achterzijde van de sleufsilo was te zien dat het uitzakkend vocht in de mestkelder liep en onafgedekt was. De opslagruimte was niet vloeistofdicht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Parketnummer 01/875188-05

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien bij artikel 18.18 van de

Wet milieubeheer, juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 °, en artikel 2, eerste lid, van de

Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien bij artikel 4, eerste lid, van de Destructiewet , juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 º en artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3 is als misdrijf voorzien bij artikel 13 van de

Wet bodembescherming, juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 °, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 4 is als misdrijf voorzien bij artikel 37 juncto artikel 121, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en strafbaar gesteld bij artikel 122, eerste lid, van die wet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 5 is voorzien bij artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren juncto artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren , artikel 19, 20 en 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , en artikel 1, aanhef en onder 2 º, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Parketnummer 01/995643-07

Het bewezen verklaarde onder 1 is als misdrijf voorzien bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer , juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 °, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2 is als misdrijf voorzien bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer , juncto artikel 1a, aanhef en onder 1 °, en artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 (t.a.v. voorschrift 10.2.4 en 1.3), 2 en 3 (parketnummer 01/875188-05) bewezen verklaarde aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat sprake is van (naar het hof begrijpt: ééndaadse) samenloop, op grond waarvan slechts die bepaling moet worden toegepast waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Het hof is evenwel van oordeel dat artikel 18.18 Wet Milieubeheer een andere strekking en een ander te beschermen belang heeft dan artikel 4 van de Destructiewet . Er is naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake van ééndaadse samenloop. Hetzelfde geldt naar het oordeel van het hof ten aanzien van artikel 13 van de Wet bodembescherming . Ook deze wet heeft een andere strekking en een ander te beschermen belang dan de Wet Milieubeheer

Het hof is van oordeel dat er wel sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Ten aanzien van feit 7 is door de raadsman - op de gronden als omschreven in zijn pleitnota - meer subsidiair een beroep gedaan op overmacht, nu verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad om de herkomst van de runderen aan te tonen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman op de gronden zoals onder B.2.1 en B.2.2 is weergegeven.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM van gt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 22 februari 2005, de dag waarop de verdachte in verzekering werd gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 29 mei 2008. Derhalve is er sprake van een tijdsverloop van meer dan drie jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

De verdachte heeft op 11 juni 2008 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 2 jaar na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, te weten op 21 december 2010, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin en zich daarbij niet heeft bekommerd om de (eventuele) schadelijke gevolgen voor het milieu en het dierenwelzijn.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

30 augustus 2010, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht het hof - naast de opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in beginsel een deels onvoorwaardelijke geldboete van een aanzienlijke hoogte, zoals opgelegd door de rechtbank, passend en geboden.

In de financiële gesteldheid van verdachte en de lopende ontnemingszaak, zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep, ziet het hof echter aanleiding om het gedeelte van de opgelegde onvoorwaardelijke geldboete ten bedrage van EUR 5.000,-- om te zetten in een werkstraf.

In de hiervoor geconstateerde schending van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding de voorwaardelijke geldboete van EUR 5.000,-- te verminderen met EUR 500,--.

Met oplegging van deze voorwaardelijke geldboete wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Evenals de rechter in eerste aanleg ziet het hof aanleiding om bovendien - gelet op de aanzienlijke hoeveelheid strafbare feiten en de gepleegde bedreiging van politieambtenaren - een werkstraf op te leggen, zodat in totaal een werkstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren zal worden opgelegd.

Het hof zal een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 450,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde schade door verdachtes ten aanzien van parketnummer 01/875188-05 onder feit 6 bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. De benadeelde partij [benadeelde] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 4 van de Destructiewet , de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Wet bodembescherming , de artikelen 1, 1a, 2, 6 en 47 van de Wet op de economische delicten , de artikelen 37, 96, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , de artikelen 8.1 en 18.18 van de Wet milieubeheer , artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren en artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart de inleidende dagvaarding met betrekking tot het onder parketnummer 01/875188-05 feit 1, (sub 1, voorschrift 8.1), feit 2 en het onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 ten laste gelegde geldig.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/875188-05 feit 6 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair en onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 01/875188-05 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 subsidiair en onder parketnummer 01/995643-07 feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Ten aanzien van parketnummer 01/875188-05

1. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

2. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Destructiewet , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

3. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

4. Medeplegen van zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , meermalen gepleegd.

5. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren , opzettelijk begaan.

6. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 01/995643-07

1. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer , opzettelijk begaan.

2. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 202 (tweehonderdtwee) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. F.P.E. Wiemans,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 21 december 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature