< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft als (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder een aanzienlijk geldbedrag onttrokken aan het vermogen en naar eigen goeddunken aangewend. Hij heeft door zijn handelen het vertrouwen van zijn medebestuurder ernstig geschaad en de vennootschap daarnaast financiële schade toegebracht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als (indirect) bestuurder en aandeelhouder. Taakstraf van 60 uur; gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755044-08

Datum uitspraak: 1 december 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1958,

wonende te [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 9 juni 2010 en 17 november 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Egberts en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D.R. Corbeek, advocaat te Arnhem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van

17 november 2010 - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreek de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2007 te Den Haag en/of Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld , te weten (een) geld(bedrag) (ter hoogte) van (ongeveer) 325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ([bedrijf 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als "bestuurder van [bedrijf 3] en/of als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]" onder zich had, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

immers heeft verdachte als wettelijk vertegenwoordiger van [bedrijf 3] (welke ten tijde van de koopovereenkomst was ingeschreven als volledig bevoegde bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]) een koopovereenkomst afgesloten tussen het [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en [bedrijf 4]., waarbij werd overeengekomen dat een geldbedrag van 250.000 euro als aanbetaling zou worden overgemaakt door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en/of - (waarna) verdachte heeft het totale door [bedrijf 4]. (ten behoeve van de koopovereenkomst) overgemaakte geldbedrag (325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro) dat aan het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] moest toekomen ten eigen bate aangewend, althans niet aan het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] laten toevoegen, althans niet aangewend voor het doel waartoe dit geldbedrag was verstrekt, in elk geval als heer en meester over het geldbedrag (325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro) beschikt;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 3] in of omstreek de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2007 te Den Haag en/of Wageningen, althans in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten (een) geld(bedrag) (ter hoogte) van (ongeveer) 325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ([bedrijf 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen [bedrijf 3] uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als "bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]" onder zich had, en welk(e) goed(eren) [bedrijf 3] anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

immers heeft [bedrijf 3] als wettelijk vertegenwoordiger en/of bevoegd en zelfstandig bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een koopovereenkomst afgesloten tussen het [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en [bedrijf 4]., waarbij werd overeengekomen dat een geldbedrag van 250.000 euro als aanbetaling zou worden overgemaakt door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en/of - (waarna) [bedrijf 3] heeft het totale door [bedrijf 4]. (ten behoeve van de koopovereenkomst) overgemaakte geldbedrag (325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro) dat aan het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] moest toekomen ten eigen bate aangewend, althans niet aan het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] laten toevoegen, althans niet aangewend voor het doel waartoe dit geldbedrag was verstrekt, in elk geval als heer en meester over het geldbedrag (325.000 euro, althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro) beschikt,

zulks terwijl hij, verdachte, [verdachte], als (feitelijk) bestuurder en/of leidinggever van genoemde [bedrijf 3] tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2007 te Den Haag en/of Wageningen, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (ter hoogte) van (in totaal ongeveer) 325.000 euro, , althans 315.636,14 euro, althans 288.415,12 euro, althans een grote hoeveelheid geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2007 zich schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van een hoeveelheid geld toebehorende aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), welke gelden verdachte al dan niet vanuit zijn persoonlijke dienstbetrekking als bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) en/of (indirect) bestuurder van het [bedrijf 2] onder zich had. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij in diezelfde periode feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 3] gepleegde verduistering en meer subsidiair is witwassen van het geldbedrag ten laste gelegd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.1*

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft ter terechtzitting vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

De raadsman heeft daartoe betoogd - samengevat - dat verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu verdachte als aandeelhouder en (indirect) medebestuurder volledig bevoegd was om over de gelden van de vennootschap te beschikken en dus geen toestemming behoefde van de medebestuurder [A]. Het niet naleven van de managementovereenkomst2* kan niet worden gezien als een strafbare gedraging, doch slechts als contractbreuk ten opzichte van de andere bestuurder, [A]. Het is derhalve slechts een civielrechtelijk geschil.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de door [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) betaalde bedragen niet in het vermogen van het [bedrijf 2] zijn gevloeid. De door verdachte voor die gelden geopende rekening stond niet op naam van het [bedrijf 2], maar op naam van [X]. De op die rekening ingekomen bedragen waren ook voor het [X]-concept bedoeld. Reeds daarom kan van verduistering van een aan het [bedrijf 2] toekomend geldbedrag geen sprake zijn, aldus de raadsman.

Mocht de rechtbank daar anders over denken, is de raadsman van mening dat in ieder geval niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de gelden. Verdachte is een bevoegde bestuurder en enig aandeelhouder, die het beleid mag bepalen. De algemene vergadering van aandeelhouders bepaalt het beleid van een besloten vennootschap en het bestuur voert dat beleid uit. De officier van justitie verwisselt deze rollen. Er heeft geen overschrijding van het statutaire doel van het [bedrijf 2] plaatsgevonden met het sluiten van de raamovereenkomst en de daarin besloten verkoop van het bedrijfspand van het [bedrijf 2] en evenmin door gelden aan te wenden voor het [X]-concept. Daar komt volgens de raadsman nog bij dat verdachte, door uitvoering aan dit concept te geven, juist in het belang van het [bedrijf 2] meende te handelen.

Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat het, ook volgens [A], juridisch mogelijk was om het totale door [bedrijf 4] betaalde bedrag als rekening-courant te boeken. Naar zijn mening komt de rechtbank echter niet toe aan de beoordeling van de vraag of er al dan niet een rekening-courant verhouding bestond, nu de gelden buiten het vermogen van het [bedrijf 2] zijn gebleven en reeds om die reden van verduistering geen sprake kan zijn.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.3*

Op 22 juni 2007 werd door [A] (hierna: [A]), in zijn functie als bestuurder, namens het [bedrijf 2] [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bij het Openbaar Ministerie aangifte gedaan ter zake van verduistering van een geldbedrag uit het vermogen van het [bedrijf 2].4*

Aangever [A] heeft onder meer verklaard dat de aandeelhouder van het [bedrijf 2], [bedrijf 3], buiten hem om in maart 2007 het gebouw dat eigendom is van het [bedrijf 2], aan [bedrijf 4] had verkocht voor 1,1 miljoen euro. Enig aandeelhouder van [bedrijf 3] was [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5]). Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 5]. Verdachte was ook enig bestuurder van [bedrijf 3]. [bedrijf 3] hield honderd procent van de aandelen in het [bedrijf 2].5*

[A] heeft verklaard dat een deel van de koopsom als aanbetaling is gestort op een door de aandeelhouder ten name van het [bedrijf 2] bij de Rabobank te [plaats] geopende bankrekening, van welk bestaan hij niet op de hoogte was.6*

Voorts heeft [A] verklaard dat van het voorschot op de koopsom betalingen zijn gedaan ten gunste van verdachte in privé en van [bedrijf 5] en dat deze betalingen niets te maken hadden met de bedrijfsvoering van het [bedrijf 2].

[A] heeft tevens verklaard dat verdachte als medebestuurder van het [bedrijf 2], [bedrijf 3], heeft gehandeld tegen de afspraak van de management overeenkomst7* in (te weten de afspraak dat [bedrijf 3] gedurende de looptijd van deze overeenkomst geen zelfstandig gebruik zal maken van haar statutaire bevoegdheden, dan na overleg met [A]) en in strijd met de statuten.8* Met betrekking tot de besluitvorming van de directie is in de statuten onder artikel 11.1 het volgende opgenomen: "De directie besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de Algemene vergadering".9*

Op 1 mei 2000 is tussen het [bedrijf 2] en [bedrijf 3] enerzijds en [A], althans [bedrijf 6], anderzijds genoemde managementovereenkomst gesloten. Volgens die overeenkomst zou [A] werkzaamheden gaan verrichten als interim manager bij het [bedrijf 2].10* In bijlage I onder 2 van de managementovereenkomst is bepaald dat de uitvoering van het dagelijkse beleid exclusief is voorbehouden aan [A].11* In bijlage II van die overeenkomst is onder 3 bepaald dat [bedrijf 3] - door ondertekening en gedurende de looptijd12 van de overeenkomst - geen zelfstandig gebruik maakt van haar statutaire bevoegdheden dan na overleg met de interim manager. Tevens is in die bijlage onder 3 bepaald dat [bedrijf 3] volledige en onbeperkte volmacht aan [A] verleent om deze bevoegdheden exclusief in het kader van deze overeenkomst bij procuratie namens [bedrijf 3] uit te voeren.13 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij noch [bedrijf 3] deze overeenkomst heeft beëindigd.14*

Op 25 januari 2007 heeft verdachte als vertegenwoordiger van [bedrijf 3] namens het [bedrijf 2] en mede handelend namens [bedrijf 5] een raamovereenkomst (hierna: de Raamovereenkomst) gesloten met [bedrijf 4].15*Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel was verdachte als vertegenwoordiger van [bedrijf 3] op dat moment "alleen/zelfstandig bevoegd" bestuurder van het [bedrijf 2]. Ditzelfde gold ook voor directeur [A].16*

In de Raamovereenkomst is onder meer bepaald dat het [bedrijf 2] aan [bedrijf 4] de onroerende zaak, het pand [bedrijf 2], verkoopt voor een bedrag van 1,1 miljoen euro (v.o.n.).17* In de Raamovereenkomst is tevens bepaald dat [bedrijf 4] gehouden en bereid is een voorschot op de koopsom te betalen van 250.000 euro.18* Het [bedrijf 2] wordt verplicht dit voorschot terug te betalen, indien het pand niet wordt geleverd.19* Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medebestuurder [A] niet betrokken was bij de Raamovereenkomst.20* De hoogte van het voorschot is op verzoek van verdachte later verhoogd tot 325.000 euro.21*

Op 13 maart 2007 heeft verdachte als (indirect) bestuurder22* van het [bedrijf 2] een rekening-courant geopend bij de Rabobank te [plaats] (hierna: de Rabobank-rekening). Rekeninghouder is volgens de overeenkomst het [bedrijf 2]. Het vermelde handelsregisternummer [nummer] betreft ook het nummer waaronder het [bedrijf 2] bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven23*. De rekening is op grond van de overeenkomst onder de tenaamstelling "[bedrijf 1] & [bedrijf 2] inzake [bedrijf 2]" in de administratie van de bank opgenomen. In de overeenkomst is - op nadrukkelijk verzoek van verdachte24* - verder opgenomen dat de bank de correspondentie betreffende deze rekening stuurt naar het adres: [adres].25* Verdachte heeft verklaard dat [A] niet op de hoogte was van het bestaan van de door hem geopende Rabobank-rekening.26*

[A] heeft verklaard dat de betalingen namens het [bedrijf 2] normaliter door mevrouw [B], hoofd financiën en administratie, werden gedaan.27* Er werden hiervoor twee bankrekeningen gebruikt: één bij de ING -bank en één bij de Postbank .28* Verdachte heeft verklaard dat hij buiten de transacties van de al bestaande rekening van het [bedrijf 2] werd gehouden. De correspondentie hiervan werd naar het kantooradres van het [bedrijf 2] in [plaats] gestuurd.29*

Op 15 maart 2007 werd een geldbedrag van € 213.422,86 op de Rabobank-rekening gestort onder de omschrijving "[notaris], Spoedopdracht, voorschot koopprijs [bedrijf 4]". Op 23 maart 2007 werd vervolgens een bedrag van € 74.992,26 op de Rabobank-rekening gestort onder de omschrijving "[notaris], Spoedopdracht, voorschot koopprijs [bedrijf 2] minus kosten telefonische overboeking.30* [notaris] is de ten behoeve van de levering van het onroerend goed door [bedrijf 4] aangewezen notaris.31* Ter terechtzitting heeft [C] van [bedrijf 4] verklaard dat deze geldbedragen door de notaris waren overgemaakt in verband met het verschuldigde voorschot op de koopsom.32*

Beide geldbedragen werden vervolgens direct bijna geheel aangewend voor overboekingen, onder andere aan advocatenkosten ([...]), American Express Service en andere rechtspersonen.33* Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat nagenoeg alle betalingen die vanaf de Rabobank-rekening zijn gedaan van [bedrijf 5] uitgingen in verband met [X]. Het ging om betalingen aan Engelse vennootschappen in het kader van [X] en bioplastics. Verdachte verklaarde hierover dat hij het plan had om binnen het [bedrijf 2] een op duurzaam ondernemen gericht "[X]-concept" te implementeren, waarbij voor het [bedrijf 2] een rol was weggelegd als platform ten behoeve van de distributie van biologisch afbreekbare plastictassen (bioplastics). Hij heeft voorts verklaard dat hij wist dat [A] vanaf het begin af aan tegen zijn [X]-plannen was en dat [A] hier ook nooit mee zou instemmen.34*

Op 24 april 2007 is er tweemaal een bedrag van de Rabobank-rekening aan de Kamer van Koophandel overgemaakt. Eén factuur was gericht aan [bedrijf 3].35* De andere was gericht aan [bedrijf 5].36* Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de betalingen aan de Kamer van Koophandel inderdaad niet onder het [bedrijf 2] vielen. De storting van de Rabobankrekening aan [bedrijf 7] kan verdachte niet plaatsen.37* De betalingen aan American Express Service waren kosten van de reizen naar Engeland ten behoeve van [bedrijf 2]-[X].38*

Op 23 mei 2007 is van de Rabobank-rekening het batig saldo van € 8.400,00 overgemaakt aan het reguliere rekeningnummer [nummer] van het [bedrijf 2] bij de ING-bank onder de omschrijving "[bedrijf 1], Overboeking saldo Rabobank-rekening".39*

[A] heeft ter terechtzitting als getuige wederom verklaard dat hij geen weet had van de verkoop van het pand van het [bedrijf 2] aan [bedrijf 4], noch van het openen van de Rabobank-rekening ten name van het [bedrijf 2] en de daaruit voortvloeiende betalingen. [A] heeft aangegeven dat er wel eerder is gesproken over een eventuele verkoop van het onroerend goed, maar dat hij dit tegenhield, mede gelet op het feit dat het [X]-concept in strijd met de doelomschrijving40* van de vennootschap was. [A] kwam er pas op 9 mei 2007 achter dat het pand daadwerkelijk was verkocht.41*

Voorts heeft [A] verklaard dat verdachte wel had geprobeerd hem te overtuigen van zijn voornemen om binnen het [bedrijf 2] een op duurzaam ondernemen gericht "[X]-concept" in de vorm van afbreekbaar plastic (bioplastic) draagtassen te verwezenlijken. [A] heeft verklaard dat hij verdachte duidelijk maakte dat hij geen toekomst zag in bioplastics en niets voelde voor een participatie van het [bedrijf 2] in activiteiten die verdachte, al dan niet door tussenkomst van aan hem gelieerde rechtspersonen, op dit gebied ontwikkelde.42* Er is geen bestuursbesluit genomen over het investeren in [X].43* [A] heeft ook verklaard dat er geen rekening-courant verhouding bestond tussen het [bedrijf 2], [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5], maar dat het [bedrijf 2] wel vorderingen op [bedrijf 5], [bedrijf 3] en [bedrijf 8] had en dat dit omgekeerd niet het geval was. Volgens [A] zijn [bedrijf 5] en [bedrijf 3] niet (voldoende) solvabele vennootschappen, die al jarenlang geen jaarstukken hebben opgemaakt, zodat een rekening-courant verhouding een groot risico op niet inbare vorderingen voor het [bedrijf 2] zou genereren.44*

Het voorgaande bezien, overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van de door de verdediging opgeworpen verweren.

De rechtbank stelt voorop dat uit de Raamovereenkomst en de omschrijving op de bankafschriften van de Rabobank-rekening evident blijkt dat de door notaris [notaris] overgemaakte geldbedragen het voorschot behelzen van het bedongen verkoopbedrag voor het pand van het [bedrijf 2]. Dit betekent dat de rechtbank niet meegaat in de lezing van verdachte, erop neerkomende dat het hier een lening van [bedrijf 4] zou betreffen.

Het betaalde voorschot is voorts, anders dan de raadsman heeft bepleit, wel degelijk binnen het vermogen van het [bedrijf 2] gekomen. Immers, de geldbedragen zijn op een rekening gestort waarvan het [bedrijf 2], volgens de daarop ziende overeenkomst, de houder is. Het enkele feit dat de rekening met een ander adres in de administratie van de Rabobank is ingeschreven, doet daaraan niet af. Voor de vraag of de op die rekening gestorte geldbedragen toebehoren aan het [bedrijf 2] is dit overigens ook niet van doorslaggevend belang. Voor de vervulling van dit delictsbestanddeel is immers niet noodzakelijk dat degene aan wie een geldbedrag in strafrechtelijke zin toebehoort, dit op enig moment voorafgaande aan de verduistering ook daadwerkelijk tot zijn beschikking heeft gehad. Van belang is of een geldbedrag aan zijn bestemming wordt onttrokken. Vaststaat dat het pand aan het [bedrijf 2] toebehoorde op het moment dat de Raamovereenkomst werd gesloten. Dat het voorschot op de koopsom als deelbetaling voor de (ver)koop van het pand van het [bedrijf 2] aan het [bedrijf 2] toekomt en als zodanig behoort tot het vermogen van het [bedrijf 2], staat naar het oordeel van de rechtbank aldus buiten twijfel. Dat deze voorschotbedragen voor het [bedrijf 2] bedoeld waren blijkt ook uit de niet voor andere uitleg vatbare bewoordingen van artikel 4 van de Raamovereenkomst, waarin staat dat [bedrijf 4] gehouden is het voorschot "aan [bedrijf 2]" te betalen.45*

Verdachte had die aan het [bedrijf 2] toebehorende gelden anders dan door misdrijf onder zich, nu verdachte als zelfstandig bestuurder en aandeelhouder heeft beschikt over het onroerend goed en in beginsel ook over de gelden van het [bedrijf 2].

De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte, in strijd met de aard van het recht krachtens hetwelk hij het voorschot onder zich had, als heer en meester over dit geldbedrag heeft beschikt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het handelen van verdachte blijkt overduidelijk dat hij de gelden die toebehoorden aan het [bedrijf 2] wilde gebruiken voor investeringen in met name bioplastics buiten medeweten van medebestuurder [A] - die volgens de managementovereenkomst de enige bevoegde bestuurder was - en in de wetenschap dat die [A] daar nooit mee zou instemmen. De rechtbank overweegt dat ook een enig aandeelhouder die zelfstandig bevoegd is, zich dient te houden aan wat in het kader van een normale uitoefening van dergelijke functies gebruikelijk is en als een behoorlijke taakuitoefening moet worden beschouwd. Handelingen waarvan bij voorbaat vaststaat dat die daartoe niet behoren, kunnen tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Verdachte wist dat met betrekking tot het openen van de Rabobank-rekening en de betalingen vanaf die rekening op grond van de managementovereenkomst - welke nimmer is geëindigd - beperkingen aan zijn handelingsbevoegdheid bestonden.

Het feit dat volgens de statuten van het [bedrijf 2] bij een staking van stemmen de Algemene vergadering van aandeelhouders, en daarmee dus verdachte beslist, maakt dit niet anders. Immers, verdachte heeft op geen enkel moment opgeroepen tot het nemen van een bestuursbesluit noch tot een - aan het tekenen van de Raamovereenkomst voorafgaande - Algemene vergadering van aandeelhouders.

Verdachte heeft binnen korte tijd vrijwel het gehele voorschot van aanzienlijke omvang aangewend voor betalingen die naar eigen zeggen grotendeels voor [bedrijf 5] waren en verband hielden met het [X]-concept. Dat met deze en de overige uitgaven het doel en in het bijzonder het belang van het [bedrijf 2] werden gediend is niet aannemelijk geworden. Het feit dat met aan het [bedrijf 2] toebehorend geld rekeningen werden betaald die niet in direct verband staan met aan het [bedrijf 2] verleende of te verlenen diensten, wijst juist op het tegendeel. Zelfs als ervan uit moet worden gegaan dat tegenover de verdwenen gelden vorderingen op andere (rechts)personen zijn ontstaan, betekent dit niet dat verdachte zich niet als heer en meester over de besteding van die gelden heeft gedragen en zich deze aldus heeft toegeëigend. Hierbij weegt mee dat [A] in dit kader heeft verklaard dat het geven van leningen van dergelijke hoogte aan minder solvabele vennootschappen, zoals die onder beheer staan van verdachte, voor het [bedrijf 2] uiterst nadelig is.

Het verweer van verdachte dat de Rabobank-rekening een rekening-courant verhouding betrof en verdachte het geld als enig aandeelhouder naar eigen goeddunken kon aanwenden, is evenmin aannemelijk geworden. [A] heeft ter terechtzitting verklaard dat er geen rekening-courant verhouding bestond tussen de vennootschappen. Uit de jaarrekeningen46* van het [bedrijf 2] blijkt ook niet dat onderlinge vorderingen tussen de vennootschappen werden verrekend. Overigens mocht verdachte op basis van de managementovereenkomst geen rekening-courant openen en zou, gezien de omvang van de bedragen, voor verrekening hoe dan ook instemming van de directie noodzakelijk zijn.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de in (artikel 7 en 8 van ) de Raamovereenkomst opgenomen garantie van de tante van verdachte - waarop door de verdediging nog is gewezen - ziet op de nakoming van de (voorwaardelijke) koopovereenkomst - de levering van het pand aan [bedrijf 4] - en niet op het eventueel terugvloeien van de door verdachte voor eigen doeleinden aangewende gelden naar het [bedrijf 2]. De wederrechtelijkheid van de uitgaven wordt derhalve niet teniet gedaan door deze garantie.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook het opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij [A] bewust niet heeft ingelicht over de verkoop van het pand en dat [A] evenmin op de hoogte was van de betreffende Rabobank-rekening. De afschriften van die rekening werden op uitdrukkelijk verzoek van verdachte ook niet naar het kantooradres van het [bedrijf 2] te [plaats] gezonden, maar naar zijn (woon)adres in [plaats]. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte dit verzoek heeft gedaan om de rekening buiten het zicht van [A] te houden. Verdachte wist immers dat [A] betalingen vanuit het [bedrijf 2] ten behoeve van [X] niet zou toestaan en dat hijzelf op grond van de managementovereenkomst die betalingen niet mocht verrichten.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, evenwel met uitzondering van dat deel van de tenlastelegging, waarbij verdachte wordt verweten dat hij het geldbedrag "uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking" onder zich had, van welke onderdeel verdachte zal worden vrijgesproken. Verdachte ontving geen salaris of andere vergoeding van het [bedrijf 2], zodat niet is gebleken dat hij in dienstbetrekking stond van deze vennootschap.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juni 2007 in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten een geldbedrag ter hoogte van 280.015,12 euro toebehorende aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ([bedrijf 2]), welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

immers heeft verdachte het door [bedrijf 4] (ten behoeve van de koopovereenkomst) overgemaakte geldbedrag (280.015,12 euro) dat aan het vermogen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] moest toekomen ten eigen bate aangewend, in elk geval als heer en meester over het geldbedrag (280.015,12 euro) beschikt.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair te vervangen door 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk verweer gevoerd met betrekking tot de strafmaat, nu hij van mening is dat verdachte moet worden vrijgesproken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van het [bedrijf 2] een aanzienlijk geldbedrag onttrokken aan het vermogen van het [bedrijf 2] en naar eigen goeddunken aangewend. Hij heeft door zijn handelen het vertrouwen van zijn medebestuurder ernstig geschaad en de vennootschap daarnaast financiële schade toegebracht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als (indirect) bestuurder en aandeelhouder. De rechtbank gaat er, evenals de officier van justitie, vanuit dat verdachte de gelden met name heeft aangewend met het doel om aldus het [X]-concept te verwezenlijken. Daarin kan echter geen rechtvaardiging worden gevonden voor het feit dat het voortbestaan van het [bedrijf 2] en de belangen van haar werknemers op lichtvaardige wijze door verdachte in gevaar zijn gebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 27 oktober 2010 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hoewel verdachte derhalve niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte reeds in twee andere faillissementen eenmaal paulianeus heeft gehandeld, omdat hij onrechtmatig gelden had onttrokken aan vennootschappen waaraan hij verbonden was en een andermaal wegens bestuurdersaansprakelijkheid tot betaling van het faillissementstekort is veroordeeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat vrees voor herhaling aanwezig is en ziet aanleiding om aan verdachte naast een werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat het belang van deze zaak erin is gelegen om naast een straf een signaal af te geven; niet alleen naar verdachte, maar ook naar de maatschappij dat deze wijze van handelen niet toegestaan kan en mag worden.

7. De vordering van de benadeelde partij

Mr. [D] heeft zich als gemachtigde van benadeelde partij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] h.o.d.n. [bedrijf 2], [adres], gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 372.475,26, aan materiële schade.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 208.015,12, vermeerdert met de gevorderde wettelijke rente daarover. Wat betreft het gevraagde voorschot op de kosten van de rechtsbijstand refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit, nu de raadsman zich op het standpunt stelt dat vrijspraak dient te volgen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat post nummer 4 - kosten rechtsbijstand - onvoldoende is onderbouwd, aangezien de gevorderde kosten lijken te gaan over gevraagde adviezen, onder meer aan de officier van justitie, omtrent het strafproces. Voorts heeft de raadsman betoogd dat € 40.000,00 in mindering moet worden gebracht op de vordering, nu dit bedrag door [...] aan het [bedrijf 2] is terugbetaald.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor zover de vordering betrekking heeft op onder post nummer 1 genoemde schade op grond van een verplichting tot restitutie aan een derde partij, zal de rechtbank de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank komt echter tot een lager bedrag dan gevorderd, nu zij het batig saldo van € 8.400,00 op de Rabobankrekening en het door [...] aan [bedrijf 2] teruggeboekte bedrag van € 40.000,00 in mindering brengt op de vordering. Dit deel van de vordering zal de rechtbank daarom afwijzen.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in haar vordering en deze deels toewijzen tot een bedrag van (288.435,12 - 8.400 - 40.000 =) € 240.035,12, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 14 mei 2007 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde wettelijke rente onder de posten 2 en 3 van voor 14 mei 2007, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Bovenstaande beslissing brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden, conform het toepasselijke liquidatietarief in civiele zaken, op € 6.000,00 (3 punten x tarief € 2.000,00).

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

verduistering;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) UREN;

beveelt dat, als de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) DAGEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) MAANDEN;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe en veroordeelt verdachte:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] h.o.d.n. [bedrijf 2], [adres], een bedrag van € 240.035,12,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 14 mei 2007 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige onder post 1 gevorderde bedrag af;

bepaalt dat de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente onder de posten 2 en 3 van voor 14 mei 2007 niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten voor rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief tot een bedrag van € 6.000,00 (3 punten x tarief € 2.000,00).

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E.F. Brinkman, voorzitter,

J.M.J. Keltjens en M.M. Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2010.

Mr. Keltjens en mr. Meessen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1* Het schriftelijke requisitoir van de officier van justitie, welke aan de voorzitter is overgelegd en waarvan de inhoud in het proces-verbaal van de terechtzitting zal worden ingelast.

2* Management overeenkomst, [bedrijf 6], doorgenummerd p. 1-8 (inclusief bijlagen), d.d. 1 mei 2000, p. 347-354 van het dossier (onder meer inhoudende de afspraak dat [bedrijf 3] gedurende de looptijd van deze overeenkomst geen zelfstandig gebruik zal maken van haar statutaire bevoegdheden, dan na overleg met de interim manager).

3* Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, als bijlagen opgenomen bij de dossiers met de nummers PL15K1/2008/1181-5 (p. 1-206), PL15K1/2008/1181-19 (p. 207-335), PL15K1/2008/1181-20 (p. 336-436), PL15K1/2008/1181-21 (p. 437-464).

4* Aangifte, [A], directeur [bedrijf 2], 22 juni 2007, p. 19-20.

5* Aangifte, [A], directeur [bedrijf 2], 22 juni 2007, p. 19.

6* Aangifte, [A], directeur [bedrijf 2], 22 juni 2007, p. 19.

7* Management overeenkomst, [bedrijf 6], doorgenummerd p. 1-8 (inclusief bijlagen), d.d. 1 mei 2000, p. 347-354 van het dossier.

8* Aangifte,[A], directeur [bedrijf 2], 22 juni 2007, p. 19-20.

9* Statuten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [bedrijf 1] en [bedrijf 2], 15 augustus 2000, p. 429.

10* Management overeenkomst, [bedrijf 6], doorgenummerd p. 1-8 (inclusief bijlagen), d.d. 1 mei 2000, p. 347-354 van het dossier.

11* Management overeenkomst, [bedrijf 6] , doorgenummerd p. 1-8, d.d. 1 mei 2000, bijlage I onder 2, p. 352 van het dossier.

12* Management overeenkomst, [bedrijf 6] , doorgenummerd p. 1-8, d.d. 1 mei 2000, artikel 1.2, p. 347 van het dossier.

13* Management overeenkomst, [bedrijf 6] , doorgenummerd p. 1-8, d.d. 1 mei 2000, bijlage II onder 3, p. 354 van het dossier.

14* Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2010.

15* Raamovereenkomst, d.d. 25 januari 2007, p. 24-30.

16* Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, d.d. 29 januari 2007, p. 40-41.

17* Raamovereenkomst, d.d. 25 januari 2007, p. 24-30; onderdeel 1, p. 25.

18* Raamovereenkomst, d.d. 25 januari 2007, p. 24-30; onderdeel 4, p. 25-26.

19* Raamovereenkomst, d.d. 25 januari 2007, p. 24-30; onderdeel 5, p. 26.

20* Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2010.

21* Proces-verbaal verhoor getuige [C], d.d. 10 juni 2008, p. 99.

22* Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, d.d. 29 januari 2007, p. 40-41.

23* Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, d.d. 29 januari 2007, p. 40.

24* Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 september 2008, p. 203.

25* Overeenkomst rekening-courant, d.d. 13 maart 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], rekeninghouder: [bedrijf 1] & [bedrijf 2] inzake [bedrijf 2], p. 31-34.

26* Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2010.

27* Proces-verbaal van verhoor aangever [A], d.d. 5 augustus 2008, p. 121. Zie ook: Memorandum, d.d. 1 juli 2008, [B] en [E], p. 141.

28* Proces-verbaal verhoor aangever [A], d.d. 5 augustus 2008, p. 120.

29* Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 september 2008, p. 203.

30* Overzicht mutaties rekening-courant, d.d. 27 maart 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], [bedrijf 2] inzake [bedrijf 2], p. 35.

31* Verklaring inzake [bedrijf 2]/[bedrijf 4] door mr. [F] , advocaat van [bedrijf 4], d.d. 2 juni 2008, p. 72-73 + bijlage registerverklaring mr. [notaris] en inschrijving in het Kadaster, p. 74-77.

32* Verklaring getuige [C] ter terechtzitting van 17 november 2010.

33* Overzicht mutaties rekening-courant, d.d. 27 maart 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], [bedrijf 2] inzake [bedrijf 2] , p. 35-37.

34* Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2010.

35* Overzicht mutaties rekening-courant, d.d. 24 april 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], [bedrijf 2] BBG inzake [bedrijf 2] BBG, p. 36; Factuur gericht aan [bedrijf 3] met factuurnummer: 709093599, p. 66.

36* Overzicht mutaties rekening-courant, d.d. 24 april 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], [bedrijf 2] BBG inzake [bedrijf 2] BBG, p. 36; Factuur gericht aan [bedrijf 5] met factuurnummer: [nummer], p. 67.

37* Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 2 september 2008, p. 204.

38* Eigen verklaring verdachte ter terechtzitting van 17 november 2010.

39* Overzicht mutaties rekening-courant, d.d. 22 mei 2007, Rabobank te [plaats], rekeningnummer: [nummer], [bedrijf 2] inzake [bedrijf 2], p. 37; Memorandum, d.d. 1 juli 2008, [B] en [E], p. 141.

40* In de statuten van het [bedrijf 2] is met betrekking tot het doel van de vennootschap het volgende bepaald. Artikel 2.1. De vennootschap heeft ten doel: het stichten en exploiteren van een planetarium annex ruimtetheater in 's-Gravenhage en het bevorderen van alles wat bijdraagt tot de educatie en popularisering van wetenschappen en cultuur in al hun facetten, in de ruimste zin van het woord. Artikel 2.2. Onder doel van de vennootschap is mede begrepen het deelnemen in, zich interesseren bij, de directie voeren over en samenwerken met andere instellingen met een soortgelijk of aanverwant doel (Statuten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [bedrijf 1] en [bedrijf 2], 15 augustus 2000, p. 422).

41* Verklaring getuige [A] ter terechtzitting van 17 november 2010.

42* Verklaring getuige [A] ter terechtzitting van 17 november 2010.

43* Verklaring getuige [A] bij de rechter-commissaris, d.d. 17 december 2009, § 18; verklaring getuige [A] ter terechtzitting van 17 november 2010.0

44* Verklaring getuige [A] ter terechtzitting van 17 november 2010.

45* Raamovereenkomst, d.d. 25 januari 2007, p. 24-30; onderdeel 4, p. 25-26.

46* Geschriften, te weten Rapportages inzake jaarstukken 2005, 2006, 2007 en 2008 van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Den Haag.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature