< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Geen CWI-inschrijving en sollicitatieplicht. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat partijen wel voor ogen hebben gehad dat betrokkene zich op een andere werkkring zou gaan richten. Zo is in de beëindigingsovereenkomst van juli 2008 vastgelegd dat betrokkene outplacement krijgt aangeboden en zijn er afspraken gemaakt over de wijze van verrekening van nieuwe inkomsten van betrokkene. Dit is echter onvoldoende om het bestaan van afspraken met betrekking tot inschrijving CWI en sollicitatieplicht aan te nemen.

Uitspraak



10/3840 AW en 10/4176 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 mei 2010, 09/4108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 27 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2010. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Vis, werkzaam bij AbvaKabo.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als radiotherapeutisch laborant bij het Erasmus MC. In juli 2008 zijn afspraken gemaakt tussen het hoofd van de afdeling Radiotherapie en betrokkene in verband met de beëindiging van het dienstverband van betrokkene. Bij besluit van 5 februari 2009 heeft verzoeker het dienstverband met ingang van 31 december 2008 op grond van artikel 12.12 van de CAO Universitair Medische Centra (hierna: CAO) beëindigd, onder toekenning van garantie op een uitkering ter hoogte van de som van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC). Aangegeven is voorts dat deze “naastwettelijke” uitkering moet worden aangevraagd via het Erasmus MC en zal worden uitgevoerd door Loyalis (Maatwerkadministraties BV, hierna: LMA). Betrokkene heeft hierin berust.

1.2. Bij besluit van 20 maart 2009 heeft LMA namens verzoeker betrokkene met ingang van 1 januari 2009 een naastwettelijke uitkering toegekend tot 1 juli 2019. In het besluit is onder meer opgenomen dat is overeengekomen dat betrokkene de aan de uitkering verbonden verplichtingen zal nakomen, waarbij is gewezen op inschrijving als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en de verplichting te solliciteren. In bezwaar heeft betrokkene betwist dat er zodanige afspraken zijn gemaakt. Bij het bestreden besluit van 24 juli 2009 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij aan betrokkene verplichtingen zijn opgelegd tot inschrijving bij het CWI en tot solliciteren. De rechtbank heeft voorts het primaire besluit in zoverre herroepen.

2.2. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende het opleggen van de CWI-inschrijving en een sollicitatieplicht. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat betrokkene, geboren in 1954, zich als gevolg van de aangevallen uitspraak niet hoeft in te schrijven bij het CWI en evenmin verplicht is te solliciteren. Daar de kans op het vinden van werk kleiner wordt naarmate de werkloosheid voortduurt, zal de kans dat betrokkene alsnog werk vindt na de bodemuitspraak enkel door het tijdsverloop al aanmerkelijk kleiner zijn geworden, waardoor betrokkene onnodig en onevenredig lang een beroep moet doen op de uitkeringsregeling.

2.3. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden heeft verzoeker aangevoerd dat het enkele feit dat met betrokkene niet expliciet is gesproken over de voor hem geldende verplichtingen, nog niet betekent dat hij daaraan niet gehouden kan worden. Verzoeker heeft er daarbij op gewezen dat de naastwettelijke uitkering die met betrokkene is overeengekomen voortvloeit uit art. 12.12 van de CAO. Vervolgens bepaalt artikel 12.13 van de CAO dat op de medewerker aan wie ontslag wordt verleend de BWUMC van toepassing is. Volgens verzoeker heeft dit artikel betrekking op alle mogelijke ontslagen, dus ook op een ontslag als hier aan de orde. Het feit dat met betrokkene een individueel naastwettelijke regeling is overeengekomen doet niet af aan het feit dat de bepalingen van de BWUMC op hem van toepassing zijn geworden en, gelet op artikel 2.5 van de BWUMC, ook de verplichtingen uit WW. Verzoeker meent dat de in geding zijnde verplichtingen wel degelijk voortvloeien uit een wettelijke regeling. Nu uit de beëindigingsovereenkomst niet blijkt dat er ten aanzien van betrokkene aanvullende dan wel afwijkende afspraken zijn gemaakt, gelden die verplichtingen onverkort ook voor betrokkene.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat, nu partijen daarmee hebben ingestemd, er ook overigens geen beletselen zijn om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.3. Tussen partijen is in geschil of betrokkene op grond van de met hem getroffen regeling gehouden is zich als werkzoekende bij het CWI in te schrijven en te solliciteren. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn - verst strekkende - stelling dat deze verplichtingen voortvloeien uit een wettelijke regeling. Het derde lid van art. 12.12 van de CAO bepaalt dat de werkgever in geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid (op andere gronden) een regeling treft, waarbij de medewerker een uitkering ontvangt welke, gegeven de omstandigheden, naar het oordeel van de werkgever redelijk is te achten, met dien verstande dat de medewerker in elk geval recht heeft op een uitkering ter hoogte van de som van een uitkering krachtens de WW en de BWUMC. Eventuele toegekende WW- en BWUMC-uitkeringen worden op de uitkering in mindering gebracht.

3.4. De uitkering die aan betrokkene is toegekend is geen WW/BWUMC-uitkering. Die uitkering komt weliswaar qua hoogte en duur overeen met een reguliere WW/BWUMC-uitkering, maar daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd dat de uitkering is gestoeld op die wettelijke regelingen, of dat de in die regelingen neergelegde rechten en verplichtingen automatisch op betrokkene van toepassing zijn geworden. Evenmin kent de voorzieningenrechter aan het bepaalde in artikel 12.13 van de CAO die betekenis toe, die verzoeker daaraan toegekend wil zien. Op grond van die bepaling kan de ontslagen medewerker een beroep doen op het BWUMC. Wordt een uitkering op grond van het BWUMC toegekend, dan zal vanzelfsprekend aan de daaraan neergelegde voorwaarden moeten worden voldaan. Maar dit gaat niet zo ver dat een medewerker, aan wie een dergelijke uitkering niet is toegekend, ook moet voldoen aan die verplichtingen.

3.5. In het besluit van 20 maart 2009 is overwogen dat met betrokkene is overeengekomen dat de verplichtingen die aan de hem toegekende uitkering zijn verbonden zullen worden nagekomen. Betrokkene heeft betwist dat met hem een afspraak in die zin is gemaakt. In een aan betrokkene gericht e-mailbericht van verzoekers personeelsafdeling van 8 april 2009 is met zoveel woorden gesteld dat zodanige afspraken (gedoeld wordt op de hier aan de orde zijnde verplichtingen), die optioneel zijn, doorgaans standaard worden gemaakt en dat slechts in de uitzonderingsgevallen waarbij de sollicitatieplicht niet aan de orde is hiervan melding wordt gemaakt. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat ook van de zijde van verzoeker ervan uit werd gegaan dat afspraken hierover afzonderlijk gemaakt dienden te worden. Vaststaat dat dit in het geval van betrokkene niet is gebeurd.

3.6. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat partijen wel voor ogen hebben gehad dat betrokkene zich op een andere werkkring zou gaan richten. Zo is in de beëindigingsovereenkomst van juli 2008 vastgelegd dat betrokkene outplacement krijgt aangeboden en zijn er afspraken gemaakt over de wijze van verrekening van nieuwe inkomsten van betrokkene. Dit is echter onvoldoende om het bestaan van afspraken met betrekking tot inschrijving CWI en sollicitatieplicht aan te nemen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verzoeker op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden berekend op € 437,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-;

Bepaalt dat van verzoeker een recht van € 448,- wordt geheven;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R. Scheffer.

RW


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature