< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Leges.

Heffing leges voor verzoek om partiële herziening bestemmingsplan is terecht.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00463

uitspraakdatum: 19 oktober 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 november 2009, Reg.nr 08/280 LEGGW, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Elburg (hierna:de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij nota van 7 januari 2008, nummer 20080001, is aan belanghebbende kennisgegeven van een aan leges gevorderd bedrag van € 11.452,50 voor het in behandeling nemen van een verzoek om partiële herziening van een bestemmingsplan ten behoeve van a-straat 1 en 3 te Q.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 november 2009 gegrond verklaard, de uitspraak van de Ambtenaar vernietigd en het bezwaar van belanghebbende alsnog ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift van de Ambtenaar en de uit zes genummerde bladzijden bestaande bijlage.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de directeur van belanghebbende met diens gemachtigde alsmede de Ambtenaar.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft in of omstreeks 2002 een aan de a-straat 1 te Q gelegen onroerende zaak in eigendom gekregen. Deze onroerende zaak vormt tezamen met het perceel a-straat 3 te Q de bedrijfslocatie voor een door belanghebbende geëxploiteerd biologisch vleesveebedrijf.

2.2 Belanghebbende heeft in overleg met ambtenaren van de gemeente Elburg op 14 september 2007 een verzoek ingediend om vrijstelling op de voet van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening , zoals die bepaling destijds luidde, voor de vergroting van de twee in het vigerende bestemmingsplan vastgelegde agrarische bouwpercelen tot elk 1,5 ha. Belanghebbende heeft in het kader van dat verzoek diverse rapporten laten opstellen en tekeningen laten maken, onder meer ten behoeve van een ruimtelijke onderbouwing van het verzoek. Belanghebbende heeft ter zake daarvan ruim

€ 87.432 aan kosten voor haar rekening genomen.

2.3 Na nader overleg met ambtenaren van de gemeente Elburg heeft belanghebbende op 17 december 2007 een verzoek om partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan ingediend om de hiervoor – onder 2.2 – bedoelde vergroting van de twee agrarische bouwpercelen te realiseren en heeft haar onder 2.2 bedoelde verzoek om vrijstelling ingetrokken.

2.4 Het onder 1.1 genoemde bedrag aan leges is van belanghebbende gevorderd op de voet van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2007 van de gemeente Elburg (hierna: de Legesverordening) en onderdeel 5.11.3 van de daarbij behorende tarieventabel.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Ambtenaar terecht en tot het juiste bedrag leges als hiervoor – onder 2.4 – bedoeld heeft geheven.

3.2 Belanghebbende stelt primair, naar het Hof begrijpt, dat de Legesverordening onverbindend moet worden verklaard voor zover het betreft punt 5.11 van de bij die verordening behorende tarieventabel, omdat de herziening van een bestemmingsplan geen beschikking op aanvraag is, maar een ambtshalve door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Elburg (hierna: het bestuursorgaan) te nemen beschikking, ten gevolge waarvan, nog steeds volgens belanghebbende, op het bestuursorgaan de last rust de onderzoekskosten in dat kader voor haar rekening te nemen, met welke laatstgenoemde last het in strijd zou zijn de bestreden legesnota op te leggen. Voor het overige is de verbindendheid van de Legesverordening tussen partijen niet in geschil. Subsidiair stelt belanghebbende dat de bestreden legesnota wettelijke grondslag mist, omdat het bestuurs¬orgaan in het kader van het bedoelde verzoek om partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan geen dienst heeft verricht, nu belanghebbende reeds het onderzoek naar de situatie ter plekke op eigen kosten had laten verrichten in het kader van het hiervoor – onder 2.2 – bedoelde verzoek om vrijstelling op de voet van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening . Meer subsidiair ten slotte stelt belanghebbende dat de Ambtenaar ten onrechte de hardheidsclausule welke is neergelegd in, het op grond van het bepaalde in artikel 231 van de Gemeentewet ten deze van overeenkomstige toepassing verklaarde, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar van de Ambtenaar en vernietiging van het gevorderde legesbedrag.

3.4 De Ambtenaar heeft de hiervoor – onder 3.2 – bedoelde grieven van belanghebbende bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Artikel 2 van de Legesverordening luidt: ‘Onder de naam “leges”, worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.’

4.2 Artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening luidt: ‘De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel..’

4.3 In onderdeel 5.11 van de bij de Legesverordening behorende tarieventabel – voor zover hier van belang - is het belastbare feit aldus omschreven: ‘Het tarief voor het in behandeling nemen van een verzoek om partiële herziening van het bestemmingsplan, bedraagt (….)’.

4.4 Naar het oordeel van het Hof kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of een verzoek van om partiële herziening van een bestemmingsplan in (algemeen) bestuursrechtelijke zin een beschikking op aanvraag dan wel een ambtshalve te nemen beschikking van het bestuursorgaan. Immers, vaststaat dat het bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende kan overgaan tot de bedoelde partiële herziening, en belanghebbende in het onderhavige geval ook daadwerkelijk daartoe een verzoek heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat in (algemeen) bestuursrechtelijke zin de onderzoekslast in het kader van een (partiële) herziening van een bestemmingsplan zou rusten op het bestuursorgaan, wat daar ook van zij, kan, naar het oordeel van het Hof, niet met zich meebrengen dat geen sprake zou zijn van een aan belanghebbende verrichte dienst ter zake waarvan leges geheven kunnen worden, tenzij met de beoordeling van de aanvraag tot het verkrijgen van de herziening niet minder het publieke belang is gediend dan het individuele belang van belanghebbende.

4.5 Het Hof stelt in dit verband voorop dat door of vanwege het bestuursorgaan verrichte werkzaamheden slechts als een dienst in vorenbedoelde zin kunnen worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Voorts neemt het Hof daarbij tot uitgangspunt dat de handhaving van de regels van het bestemmingsplan tot die publieke taakuitoefening behoort omdat daarmee het algemene belang is gediend dat is gebaat bij een goede ruimtelijke ordening in de gemeente. Uit dit uitgangspunt vloeit echter voort dat het verzoek van een particulier om een bestemmingsplan (partieel) te herzien in het algemeen niet op het publieke belang zal zijn gericht, maar zal stoelen op een persoonlijke wens van de verzoeker. Dat geldt ook voor het onderhavige verzoek van belanghebbende. De werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van dat verzoek houden rechtstreeks en in overwegende mate verband met dit individuele belang van belanghebbende.

4.6 Het vorenoverwogene betekent dat de onderdelen 5.11 en 5.11.3 van de bij de Legesverordening behorende tarieventabel niet onverbindend zijn. Voor het overige is de verbindendheid van de Legesverordening in hoger beroep tussen partijen niet in geschil.

4.7 Volgens de hier van belang zijnde bepalingen van de Legesverordening en de daarbij behorende tarieventabel worden onder de naam leges rechten geheven voor het in behandeling nemen van een verzoek om partiële herziening van het bestemmingsplan. Vaststaat dat belanghebbende een dergelijk verzoek heeft gedaan en dat dit verzoek door het bestuursorgaan in behandeling is genomen. Uit de bedoelde tarieventabel vloeit voort dat voor het in behandeling nemen van het onderhavige verzoek een bedrag van € 11.452,50 aan leges verschuldigd is. De omstandigheid dat de kosten voor het bestuursorgaan lager uitvallen doordat belanghebbende in een ander kader reeds (een deel van het onderzoek) heeft laten verrichten doen daaraan, naar het oordeel van het Hof, niet af.

4.8 De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ook met betrekking tot haar grief aangaande de toepassing van de hardheidsclausule ongegrond verklaard en daarbij overwogen: “In de Legesverordening is geen hardheidsclausule opgenomen. De in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen neergelegde hardheidsclausule, namelijk de bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij toepassing van de belastingwet mochten voordoen, welk artikel gelet op artikel 231 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is inzake de heffing van gemeentebelastingen, komt niet toe aan de rechter, maar is bij gemeentelijke belastingen voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders. De rechtbank verwijst dienaangaande naar een uitspraak van de Hoge Raad van 29 maart 2002 (LJN: AE0831). Slechts indien ter zake van de onderhavige bevoegdheid sprake is van beleid, staat de toepassing daarvan ter beoordeling van de rechter. Verweerder heeft evenwel ontkend dat zulk beleid wordt gevoerd en eiseres heeft haar andersluidende stelling niet voldoende onderbouwd, zodat het ervoor gehouden moet worden dat het college ter zake geen beleid voert. Het beroep op de hardheidsclausule kan eiseres daarom niet baten. Zie ook de uitspraken van de Hoge Raad van 7 maart 2003, nr. 37198 (LJN: AF5363), en de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2008, nr. AWB 06/2980 (LJN: BG8585).

4.9 Het Hof verenigt zich met de – onder 4.8 – aangehaalde beslissing van de Rechtbank en met de daartoe gebezigde gronden. Het Hof maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende op dit punt de stellingen en standpunten herhaald die zij voor de Rechtbank heeft aangevoerd. Zij heeft daaraan niets toegevoegd dat op die beslissingen en gronden een ander licht werpt of dat zou moeten leiden tot een andere beslissing.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. E.A.K.G. Ruys en mr. J. van de Merwe in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2010.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature