< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wajong uitkering ingetrokken in verband met elektronische detentie. De voorzieningenrechter beslist conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in WWB-zaak (LJN: BB7265).

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 / 3761 WAJONG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

Wonende te [woonplaats]

verzoeker,

gemachtigde mr. M. de Miranda,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

verweerder,

gemachtigde drs. [gemachtigde],

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 9 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 augustus 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Processueel kader

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op dit punt anders te oordelen.

2. Feiten en omstandigheden

2.1 Verzoeker ontving een uitkering krachtens de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit de uitkering van verzoeker op grond van de Wajong per 16 juli 2010 ingetrokken, omdat verzoeker op 16 juni 2010 is gedetineerd en de detentie langer duurt dan een maand. Verzoeker is geplaatst in elektronische detentie voor een duur van 90 dagen. Deze detentie dient hij thuis door te brengen.

3. Wettelijk kader

3.1 Ingevolge artikel 1:1 lid 1 onder f. Wajong vallen situaties bedoeld in de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, Wetboek van Strafrecht niet onder ‘rechtens zijn vrijheid is ontnomen’.

3.2 Artikel 3:19 lid 5 Wajong bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

3.3 Artikel 3:23 lid 1 Wajong bepaalt dat de jongehandicapte na be ëindiging van zijn uitkering op grond van artikel 3:19 lid 5 van af de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld recht heeft op heropening van zijn uitkering. Het vierde lid bepaalt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op bij AMvB aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.

3.4 In artikel 1 van het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (hierna: Besluit) worden categorieën personen aangewezen, waarnaar onder meer artikel 3:23 lid 4 Wajong verwijst, waaronder personen die meedoen aan een penitentiair programma in de zin van artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet , waarbij deze personen het laatste deel van hun straf buiten een penitentiaire inrichting kunnen uitzitten.

4. Beoordeling

4.1 In essentie is niet in geschil dat verzoeker op 16 juli 2010 één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Bovendien is niet in geschil dat er geen sprake is van elektronisch toezicht dan wel een ander penitentiair programma in de zin van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet . Ook is niet in geschil dat verzoeker niet valt onder de categorieën personen genoemd in artikel 1 van het Besluit, waardoor hij in beginsel zijn uitkering gedurende de detentie niet kan behouden. Evenmin is in geschil de omstandigheid dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is en niet kan werken.

4.2 Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn uitkering heeft beëindigd, omdat artikel 3:19 lid 5 in samenhang bezien met artikel 3:23 lid 4 van de Wajong buiten toepassing dient te blijven. Hij verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 6 november 2007, LJN BB7265, waarin artikel 13 lid 3 Wet Werk en Bijstand (hierna: Wwb) buiten toepassing diende te worden gelaten strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR)

4.3 Verweerder heeft aangevoerd dat bedoelde uitspraak van de CRvB niet van toepassing is op verzoeker en zijn situatie. De uitspraak had betrekking op een bijstandsuitkering, die het karakter van een bodemvoorziening heeft, terwijl het in onderhavig geval gaat om een reguliere arbeidsongeschiktheidsuitkering. De uitzondering op beëindiging van de uitkering bij vrijheidsbeneming wordt in geval van de Wajong gemaakt in artikel 3:23 lid 4, dat verwijst naar het Besluit. Het geval van elektronische detentie valt niet onder deze uitzonderingen van het Besluit.

4.4 In de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB van 6 november 2007 was sprake van een beëindiging van een Wwb-uitkering omdat de uitkeringsgerechtigde onder elektronische detentie werd gesteld. De CRvB heeft geoordeeld dat onder elektronisch toezicht gestelde deelnemers aan een penitentiair programma in de zin van artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet en personen die onder elektronische detentie zijn gesteld als gelijke gevallen in de zin van artikel 26 IVBPR moeten worden beschouwd. De laatste categorie personen wordt op grond van artikel 13 lid 3 Wwb uitgesloten van het recht op bijstand. Onverkorte toepassing van deze uitsluiting kan onder omstandigheden, en dan met name indien werk en inkomen uit dienstbetrekking tijdens de elektronische detentie niet aan de orde is, onevenredig zijn, waardoor genoemd artikellid buiten toepassing dient te worden gelaten.

Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of deze uitspraak van de CRvB in casu analoog dient te worden toegepast. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt.

4.5 Met de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (bij welke wet artikel onder meer de artikelen 3:19, vijfde lid en 3:23, vierde lid Wajong en 13, derde lid WWB zijn ge ïntroduceerd) is beoogd dubbele betaling uit collectieve middelen te voorkomen. Uit de aanhef van voornoemde wet blijkt dat de wetgever wil bereiken dat personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen van uitkering worden uitgesloten, omdat zij reeds door de staat worden onderhouden en voorts de mogelijkheid openen het recht op een uitkering toe te kennen aan personen die hun hoofdverblijf niet binnen een justitiële inrichting hebben. In het Besluit is in deze laatste mogelijkheid voorzien voor elektronisch toezicht, maar niet voor elektronische detentie.

De wetsgeschiedenis en het daaruit blijkende doel van de wetgever bieden geen grond om te veronderstellen dat voor de Wajong een ander regime is beoogd op dit punt dan voor de WWB.

4.6 Naar bijvoorbeeld het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 6 juli 2006, C-154/05 (Kersbergen-Lap) heeft overwogen ten aanzien van het karakter van een uitkering op grond van de Wajong, gebeurt de financiering van de Wajonguitkering uit de algemene middelen. Voorts is geoordeeld dat geen sprake is van indirecte financiering door middel van premies of bijdragen. De Wajong biedt verder evenals de Wwb een inkomensvoorziening op minimumniveau.

4.7 Deze overeenkomsten tussen de Wwb en de Wajong zijn dusdanig dat (anders dan verweerder stelt) de aard van de uitkering evenmin aanleiding vormt om (alsnog) onderscheid te maken in uitkeringsgerechtigden op grond van de Wwb en uitkeringsgerechtigden op grond van de Wajong. Verder is niet gebleken dat de wetgever dit onderscheid desondanks heeft willen aanbrengen, ook niet alsnog per 1 januari 2010, zoals door verweerder ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk is bevestigd. De voorzieningenrechter ziet in de aard van de uitkering dan ook geen doorslaggevend argument om ten aanzien van de Wajong anders te oordelen dan de CRvB op het hier aan de orde zijnde punt van de elektronische detentie heeft gedaan onder de Wwb.

4.8 Hoewel de Wwb en de Wajong technisch gezien een andere systematiek hanteren, bevatten beide wetten, voor zover hier van belang, een regeling die personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd uitsluit van uitkering en die vervolgens een uitzondering op deze regel toelaat voor bij het Besluit aan te wijzen personen. Uit de verklaringen van gemachtigde van verweerder ter zitting kan worden afgeleid dat verweerder in beginsel toepasselijkheid van artikel 3:23 lid 4 van de Wajong op onderhavig geval niet op voorhand uitsluit. Mede in het licht van de hiervoor geschetste wetsgeschiedenis en het doel van de in geding zijnde bepalingen, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding aan te nemen dat met het verschil in systematiek ook een verschil in toepasselijkheid van het Besluit is beoogd. Naar voorlopig oordeel is het Besluit dan ook van toepassing op gevallen waarbij Wajong-uitkering is geëindigd in verband met een vrijheidsontneming, zoals in casu.

4.9 Verweerder heeft gesteld dat verzoeker bijstand kan aanvragen. Die mogelijkheid bestaat echter slechts voorzover hij geen aanspraak kan maken op Wajong. Het is dus een voorwaardelijke mogelijkheid, uitgaande van de door verweerder gehanteerde wetstoepassing. Niet is duidelijk dat die toepassing ook wordt onderschreven door de gemeente Amsterdam, tot wie verzoeker zich dan zou moeten wenden. Verweerder heeft op dit punt ter zitting desgevraagd ook geen verdere inlichtingen kunnen verstrekken. Waar het primaire besluit een door verweerder ambtshalve genomen belastend besluit is, had echter voor de hand gelegen dat verweerder zich voorafgaande aan het nemen daarvan had vergewist van mogelijke problemen, vooraleer deze mogelijkheid aan verzoeker tegen te werpen. Dit geldt te meer waar het in dit geval zou gaan om een wijziging van het uitkeringsregime voor beperkte tijd (op zijn hoogst twee maanden), die weer zou dienen te worden gevolgd door wijziging terug naar het Wajong-regime, met alle daaraan verbonden risico’s van (uitvoeringstechnische) complicaties. Ook dit argument van verweerder kan dus niet leiden tot afwijzing van het verzoek.

4.10 In de situatie van verzoeker is nog specifiek van belang dat het personen in elektronische detentie onder voorwaarden is toegestaan te blijven werken, waardoor zij in de gelegenheid worden gesteld hun inkomen uit dienstbetrekking te behouden. Vaststaat echter dat verzoeker niet kan werken nu hij volledig arbeidsongeschikt is. Hij heeft dus, zonder dat hem dat kan worden verweten, niet de mogelijkheid om op een reguliere andere wijze in zijn inkomen te voorzien. Dat is een argument te meer voor analoge toepassing van meergenoemde uitspraak van de CRvB in de situatie van verzoeker.

4.11 Naar voorlopig oordeel is er dan ook geen reden om in het geval van verzoeker af te wijken van hetgeen de CRvB in zijn uitspraak heeft geoordeeld. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de intrekking van de de Wajong-uitkering naar verwachting geen stand zal kunnen houden.

Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit tot zes weken nadat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen zal worden geschorst.

4.12 Nu het verzoek zal worden toegewezen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 874,00 (2 x 1 punt van € 437,00 voor het verzoekschrift en voor het verschijnen ter zitting). Voorts dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 874,00 (achthondervierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 (eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2010.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature